Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU6318

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-11-2011
Datum publicatie
30-11-2011
Zaaknummer
201103554/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 februari 2009 heeft het dagelijks bestuur geweigerd aan [appellanten] vrijstelling en reguliere bouwvergunning eerste fase te verlenen voor het geheel vernieuwen van een kantoor met bedrijfsruimten op het perceel[locatie] te Amsterdam.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201103554/1/H1.

Datum uitspraak: 30 november 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A], wonend te Beverwijk, en [appellante B], gevestigd te Amsterdam,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 25 februari 2011 in zaak nr. 09/5359 in het geding tussen:

[appellanten]

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Zuid, voorheen stadsdeel Zuideramstel.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 februari 2009 heeft het dagelijks bestuur geweigerd aan [appellanten] vrijstelling en reguliere bouwvergunning eerste fase te verlenen voor het geheel vernieuwen van een kantoor met bedrijfsruimten op het perceel[locatie] te Amsterdam.

Bij besluit van 6 oktober 2009 heeft het dagelijks bestuur het door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 februari 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 maart 2011, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

[appellanten] en het dagelijks bestuur hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 november 2011, waar [appellanten], bijgestaan respectievelijk vertegenwoordigd door mr. B.S. Friedberg, advocaat te Amsterdam, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. L.M. Mulder en drs. S.J. Huft, beiden werkzaam bij het stadsdeel, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet, na sloop van de bestaande gebouwen, in het bouwen van een kantoorvilla met een aangebouwde orangerie op het perceel.

2.2. Ingevolge artikel 56a, tweede lid, van de Woningwet, zoals deze luidde ten tijde van belang en voor zover thans van belang, gelezen in verbinding met artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c, van die wet, mag slechts en moet de bouwvergunning eerste fase worden geweigerd, indien het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens een zodanig plan zijn gesteld.

2.3. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Uitbreidingsplan Rivierenlaan II" rust op het perceel de bestemming "park (met verversingspaviljoen), plantsoen en berm".

Ingevolge artikel 11A, eerste lid, van de tweede herziening van de planvoorschriften mogen gronden met de bestemming "park (met verversingspaviljoen), plantsoen en berm" slechts worden gebruikt overeenkomstig die bestemming.

Ingevolge het tweede lid mogen gronden genoemd in het eerste lid niet worden gebruikt voor het oprichten van bebouwing.

2.4. Vast staat dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Het dagelijks bestuur heeft geweigerd om met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vrijstelling daarvan te verlenen.

2.5. [appellanten] betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het dagelijks bestuur niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren vrijstelling te verlenen. Daartoe voeren zij aan dat het dagelijks bestuur ten onrechte hun belangen bij het realiseren van het bouwplan niet heeft laten prevaleren boven het belang om vast te houden aan het bestemmingsplan en dat het in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel zijn gewijzigde gebiedsvisie bij de beoordeling van hun aanvraag heeft betrokken.

2.5.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 28 juli 2010 in zaak nr. 200909371/1), behoort de beslissing om al dan niet vrijstelling te verlenen van het bestemmingsplan tot de bevoegdheden van - in dit geval - het dagelijks bestuur, waarbij het beleidsvrijheid heeft en de rechter de beslissing terughoudend moet toetsen, dat wil zeggen zich moet beperken tot de vraag of het dagelijks bestuur in redelijkheid tot zijn besluit om de vrijstelling te weigeren heeft kunnen komen.

2.5.2. Aan de weigering vrijstelling te verlenen heeft het dagelijks bestuur ten grondslag gelegd dat het perceel is gelegen in het nader te ontwikkelen gebied De Mirandastrook, waarvoor de gebiedsvisie "Projectbesluit De Mirandastrook" in concept van 26 mei 2009 is vastgesteld. Deze gebiedsvisie richt zich op de ontwikkeling van een groengebied langs de Amstel. Het bouwplan is niet inpasbaar in deze gebiedsvisie, aldus het dagelijks bestuur.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 8 augustus 2007 in zaak nr. 200700065/1), mag het dagelijks bestuur bij het gebruikmaken van zijn bevoegdheid om al dan niet vrijstelling te verlenen, bij de belangenafweging het toekomstig planologisch regime betrekken. De rechtbank heeft in het in beroep aangevoerde terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het dagelijks bestuur zijn gebiedsvisie niet bij de weigering om vrijstelling te verlenen heeft mogen betrekken. Dat deze gebiedsvisie zich ten tijde van het besluit van 6 oktober 2009 in de conceptfase bevond, geeft, anders dan [appellanten] betogen, geen grond voor een ander oordeel, nu, zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, geen rechtsregel zich daartegen verzet.

Dat het dagelijks bestuur eerder ander beleid voerde, welk beleid was neergelegd in het bij besluit van 27 juli 2004 door het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland goedgekeurde bestemmingsplan "Rivierenbuurt Zuid" en waarmee het bouwplan in overeenstemming is, leidt evenmin tot een ander oordeel. Bij uitspraak van 20 april 2005 in zaak nr. 200407787/1 heeft de Afdeling dit besluit vernietigd en goedkeuring aan dit bestemmingsplan onthouden, waarna het het dagelijks bestuur vrij stond zijn beleid te wijzigen. De omstandigheid dat [appellanten], voorafgaand aan het indienen van de aanvraag, ten tijde van dit oude beleid, met het dagelijks bestuur over het bouwplan hebben overlegd, betekent niet dat het dagelijks bestuur het bouwplan ten tijde van het besluit van 6 oktober 2009 niet mocht beoordelen in het licht van het toekomstig planologisch regime.

De stelling van [appellanten] dat zij naar aanleiding van veelvuldig overleg met het dagelijks bestuur voorafgaand aan het indienen van de bouwaanvraag, tot kostbare investeringen zijn overgegaan, maakt dit niet anders, nu deze kosten inherent zijn aan het indienen van een dergelijke aanvraag en daarom voor rekening en risico van [appellanten] komen.

Gelet op het voorgaande, heeft de rechtbank in het in beroep aangevoerde terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college de ontwikkeling van een groengebied langs de Amstel niet in redelijkheid heeft mogen laten prevaleren boven de door [appellanten] gestelde belangen.

Het betoog faalt.

2.6. Voorts betogen [appellanten] dat de rechtbank heeft miskend dat met het besluit van 6 oktober 2009 het vertrouwensbeginsel is geschonden. In aanmerking genomen de door hen aangevoerde feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang met elkaar beschouwd, had de rechtbank volgens [appellanten] tot het oordeel moeten komen dat zij erop hadden mogen vertrouwen dat het dagelijks bestuur de gevraagde vrijstelling en bouwvergunning zou verlenen.

2.6.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 26 november 2008 in zaak nr. 200801122/1), is voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel nodig dat er aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend. De rechtbank heeft in de door [appellanten] aangevoerde argumenten terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het vertrouwensbeginsel is geschonden, reeds omdat door het dagelijks bestuur geen toezegging in evenbedoelde zin is gedaan.

Het betoog faalt.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, ambtenaar van staat.

w.g. Bijloos w.g. Graaff-Haasnoot

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 november 2011

531-713.