Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU6314

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-11-2011
Datum publicatie
30-11-2011
Zaaknummer
201102181/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij afzonderlijke besluiten, beide van 26 februari 2008, heeft het college aan [appellanten] € 12.000,00 respectievelijk € 5.000,00 ter vergoeding van planschade, vermeerderd met wettelijke rente, toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2011/462

Uitspraak

201102181/1/H2.

Datum uitspraak: 30 november 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te Geffen, gemeente Maasdonk,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 7 januari 2011 in zaak nr. 09/133 in het geding tussen:

[appellanten]

en

het college van burgemeester en wethouders van Maasdonk.

1. Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten, beide van 26 februari 2008, heeft het college aan [appellanten] € 12.000,00 respectievelijk € 5.000,00 ter vergoeding van planschade, vermeerderd met wettelijke rente, toegekend.

Bij besluit van 9 december 2008 heeft het college de door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 januari 2011, verzonden op 13 januari 2011, heeft de rechtbank het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 februari 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 21 februari 2011.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 oktober 2011, waar [appellant A], in persoon en bijgestaan door J.P.E. Baakman, gemachtigde, en het college, vertegenwoordigd door P.H.F.M. van Dongen, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), zoals dit artikel luidde ten tijde hier van belang en voor zover hier van belang, kent het college, voor zover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van de bepalingen van een besluit omtrent vrijstelling krachtens artikel 17 of 19 van de WRO schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

2.2. [appellant A] is eigenaar van een perceel met woning aan de [locatie 1] in Geffen en [appellante B] van een perceel met woning aan de [locatie 2], eveneens te Geffen. Beiden hebben bij formulieren van 29 januari 2007 respectievelijk 21 februari 2007 verzocht om vergoeding van schade, door hen geleden ten gevolge van een vrijstelling op grond van artikel 19 WRO van het bestemmingsplan "Sportterrein" voor het plaatsen van een antennemast met een hoogte van 37,5 meter (hierna: de mast) op een perceel aan de Pastoor van de Kampstraat 34 te Geffen.

2.3. [appellanten] hebben een verzoek tot vergoeding van planschade ingediend en daarbij de schade voor [appellant A] begroot op een bedrag van € 295.000 en voor [appellante B] op een bedrag van € 56.500. Bij afzonderlijke besluiten, beide van 26 februari 2008, heeft het college zich met verwijzing naar de aan hem uitgebrachte adviezen van de stichting Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: de SAOZ) van januari 2008 op het standpunt gesteld dat [appellanten] door de planologische wijzigingen per saldo in een nadeliger situatie zijn komen te verkeren. Dit nadeel is door SAOZ voor [appellant A] begroot op een bedrag van € 12.000 en voor [appellante B] op een bedrag van € 5.000. Het college heeft deze bedragen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 januari 2007 respectievelijk 22 februari 2007, als vergoeding voor planschade aan [appellanten] toegekend. [appellanten] komen op tegen de hoogte van de aan hen toegekende vergoedingen voor planschade.

2.4. [appellanten] betogen dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat het college de gebouwde mast en de UMTS-antenne-installatie los van elkaar kon zien. Het college had volgens hen de gezondheidsrisico's van een UMTS-antenne-installatie bij de planologische vergelijking moeten betrekken.

2.4.1. Het bouwplan behelst een antennemast met UMTS-antenne-installatie. Gelet daarop moet, anders dan de rechtbank heeft overwogen, de mast met de antenne-installatie als één bouwwerk worden beschouwd en als zodanig worden meegenomen in de planologische vergelijking. Dit leidt evenwel niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

2.4.2. Bij de beoordeling van een verzoek om planschadevergoeding dient te worden onderzocht of de verzoeker door wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient een geobjectiveerde vergelijking te worden gemaakt tussen de planologische maatregel waarvan gesteld wordt dat deze schade heeft veroorzaakt en het voordien geldende planologische regime. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 21 oktober 2009, zaak nr. 200903485/1/H2) kunnen slechts de ruimtelijke gevolgen en de objectief te verwachten overlast van belang zijn. Subjectieve elementen spelen daarbij geen rol.

2.4.3. Gelet op hetgeen de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 24 augustus 2011 in zaak nr. 201101494/1/H1) ter zake van mogelijke gezondheidsrisico's van UMTS-masten, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college in redelijkheid aansluiting heeft kunnen zoeken bij het standpunt van de Gezondheidsraad en de regering dat de voorhanden zijnde onderzoeken thans geen aanleiding geven om te oordelen dat UMTS-masten niet bij woonbebouwing mogen worden geplaatst, en in redelijkheid geen aanleiding hoeven te zien uit voorzorg de vrijstelling voor het plaatsen van een antennemast te weigeren. Hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd geeft geen aanleiding hier thans anders over te oordelen. Onbestemde angst van toekomstige kopers voor vermeende gezondheidsrisico's die worden toegerekend aan zendmasten speelt, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, geen rol in de planologische vergelijking. De rechtbank is dan ook terecht tot het oordeel gekomen dat het college de gestelde gezondheidsrisico's buiten beschouwing mocht laten.

2.4.4. Gelet op het bovenstaande faalt het betoog.

2.5. [appellanten] betogen voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het college het SAOZ-advies ten onrechte aan zijn besluiten ten grondslag heeft gelegd, nu zij een advies van taxatiebureau "Wim van Heumen Makelaarskantoor Nistelrode bv" (hierna: Van Heumen) daar tegenover hebben gesteld en bovendien in de planologische vergelijking van de SAOZ onvoldoende rekening is gehouden met lichthinder. Zij voeren daartoe aan dat de parapluwerking van de mast leidt tot vermeerdering van de lichthinder.

2.5.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college geen doorslaggevende waarde aan het door [appellanten] overgelegde advies van Van Heumen behoefde toe te kennen, nu daarin geen planvergelijking is uitgevoerd en de stelling dat de mast zou leiden tot reflexlicht daarin niet nader is onderbouwd.

Het betoog faalt.

2.6. [appellanten] betogen voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet alle schadeveroorzakende gevolgen heeft meegewogen in de planologische vergelijking, en dat daarmee in strijd met artikel 1 Eerste Protocol bij, en de artikelen 8 en 13 van het Verdrag voor de Rechten van de Mens een ongerechtvaardigde inbreuk op hun eigendomsrechten is gepleegd.

Met hetgeen zij hebben aangevoerd hebben zij, gelet op het in 2.4.2 weergegeven beoordelingskader, niet aannemelijk gemaakt dat het besluit van 9 december 2008 strijd oplevert met één van deze bepalingen, zodat het betoog niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak kan leiden.

2.7. [appellanten] betogen tot slot tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het advies van de bezwaarcommissie niet op deugdelijke wijze tot stand is gekomen. Zoals de rechtbank terecht en op goede gronden heeft overwogen is niet gebleken van een onzorgvuldig tot stand gekomen advies dat het college niet aan zijn besluiten ten grondslag had mogen leggen.

Voor zover [appellanten] aanvoeren dat de rechtbank er ten onrechte aan voorbij is gegaan dat zij aan het college een verzoek om ontbinding van de bezwaarcommissie hebben gedaan, valt een weigering van het college te beslissen op dat verzoek buiten de omvang van het geding.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. J.C. Kranenburg en mr. A. Hammerstein, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, ambtenaar van staat.

w.g. Slump w.g. Poot

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 november 2011

362-705.