Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU6310

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-11-2011
Datum publicatie
30-11-2011
Zaaknummer
201101188/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 februari 2010 heeft de minister een verzoek van [appellant] om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag (hierna: vog) ten behoeve van een exploitatievergunning voor een horecagelegenheid afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201101188/1/T1/H3.

Datum uitspraak: 30 november 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 49, zesde lid, van de Wet op de Raad van State op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Groningen,

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 9 december 2010 in zaak nr. 10/698 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Justitie, thans: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 februari 2010 heeft de minister een verzoek van [appellant] om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag (hierna: vog) ten behoeve van een exploitatievergunning voor een horecagelegenheid afgewezen.

Bij besluit van 27 mei 2010 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 december 2010, verzonden op 16 december 2010, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 januari 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 10 februari 2011.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 september 2011, waar [appellant], bijgestaan door mr. F.J. Knoops, advocaat te Groningen, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. R. Faasse, werkzaam bij het ministerie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 49, zesde lid, van de Wet op de Raad van State, voor zover hier van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

Ingevolge artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens is een verklaring omtrent het gedrag een verklaring van de minister dat uit een onderzoek met betrekking tot het gedrag van de betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon ingesteld, gelet op het risico voor de samenleving in verband met het doel waarvoor de afgifte is gevraagd en na afweging van het belang van betrokkene, niet is gebleken van bezwaren tegen die natuurlijke persoon of rechtspersoon. De verklaring bevat geen andere mededelingen.

Ingevolge artikel 35, eerste lid, weigert de minister de afgifte van een verklaring, indien in de justitiële documentatie met betrekking tot de aanvrager een strafbaar feit is vermeld, dat, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, aan een behoorlijke uitoefening van de taak of de bezigheden waarvoor de verklaring omtrent het gedrag wordt gevraagd, in de weg zal staan.

Bij de beoordeling van de aanvraag om afgifte van een vog zijn de criteria gehanteerd die zijn neergelegd in de Beleidsregels VOG-NP-RP 2008 (Stcrt. 2008, 119; hierna: de Beleidsregels).

Volgens paragraaf 3 wordt bij de beoordeling van de aanvraag in beginsel gekeken naar de justitiële gegevens die zijn opgenomen in de justitiële documentatie in de voor het doel van de aanvraag relevante termijn. Aan een aanvrager die in het geheel niet in de justitiële documentatie voorkomt, wordt zonder meer een vog afgegeven. Wanneer de aanvrager wel in de justitiële documentatie voorkomt, wordt de vraag of een verklaring kan worden afgegeven beoordeeld aan de hand van een objectief criterium en een subjectief criterium.

Volgens paragraaf 3.1.1 vindt beoordeling in beginsel plaats op grond van de justitiële gegevens die in de justitiële documentatie in de vier jaren voorafgaand aan de aanvraag voorkomen. Indien in de voor de aanvraag relevante terugkijktermijn justitiële gegevens zijn aangetroffen, worden alle voor de aanvraag relevante gegevens uit de justitiële documentatie in de twintig jaren voorafgaand aan de aanvraag beoordeeld. Van de terugkijktermijn van vier jaren wordt onder meer afgeweken wanneer de aanvraag voor de vog samenhangt met een bijzondere wet of regeling waarin een andere termijn is opgenomen.

Volgens paragraaf 3.2 betreft het objectieve criterium de vraag of de justitiële gegevens die ten aanzien van de aanvrager zijn aangetroffen indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie of het beoogde doel waarvoor de vog is aangevraagd. Dit criterium is gebaseerd op artikel 35 van de Wjsg. Indien aan de hand van het objectieve criterium is vastgesteld dat het desbetreffende justitiële gegeven een risico voor de samenleving kan opleveren bij het vervullen van de desbetreffende functie, wordt de verklaring in beginsel geweigerd.

Volgens paragraaf 3.3 kan op grond van het subjectieve criterium worden geoordeeld dat het belang dat betrokkene bij het verstrekken van de vog heeft zwaarder weegt dan het door middel van het objectieve criterium vastgestelde risico voor de samenleving. In dat geval wordt de verklaring afgegeven, ook als wordt voldaan aan het objectieve criterium voor weigering.

Volgens paragraaf 3.3.2 ziet het subjectieve criterium op omstandigheden van het geval die ertoe kunnen leiden dat de objectieve vaststelling van een risico voor de samenleving ten aanzien van deze aanvrager niet zou moeten leiden tot een afwijzing. Relevante omstandigheden van het geval zijn onder meer de wijze waarop de strafzaak is afgedaan, het tijdsverloop en de hoeveelheid antecedenten. De omstandigheden waaronder het strafbare feit heeft plaatsgevonden zijn alleen relevant indien de minister, na weging van de subjectieve criteria, niet tot een goede oordeelsvorming kan komen en twijfelt of een vog kan worden afgegeven. De omstandigheden waaronder het feit is gepleegd kunnen op velerlei zaken zien, bijvoorbeeld of het feit zich in de privésfeer heeft voorgedaan.

Om vast te stellen of het aangetroffen antecedent een belemmering kan vormen voor de afgifte van de vog, hanteert de minister bij de Beleidsregels behorende screeningsprofielen, bedoeld in paragraaf 3.2.3.

Het specifieke screeningsprofiel 'horeca leidinggevenden' betreft functies waarin personen vanuit hun functie mensen en/of een organisatie aansturen en zijn belast met de zorg voor het welzijn en de veiligheid van mensen in het algemeen. Zij onderhouden contacten met leveranciers, doen aanbestedingen en voeren onderhandelingen en sluiten contracten af. Daarnaast bestaat hun takenpakket uit het verkopen van goederen en producten zoals consumptiewaren. Door het verkopen van onder andere ondeugdelijke producten of het verkopen van goederen die invloed hebben op de fysieke of geestelijke gesteldheid van personen, zoals alcohol of verdovende middelen, bestaat de mogelijkheid van het in gevaar brengen van personen en de volksgezondheid in het algemeen. Door toegang te hebben tot de goederen en gelden van het bedrijf, bestaat voorts de mogelijkheid van misbruik ten eigen bate, door diefstal, verduistering of het plegen van fraude.

2.2. De minister heeft aan het besluit van 27 mei 2010 ten grondslag gelegd dat [appellant] blijkens de justitiële documentatie op 28 april 2009, derhalve binnen de afgelopen vier jaren, een transactie is overeengekomen van € 400,00 wegens het medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet. Voorts is op dezelfde datum wegens eenzelfde delict met [appellant] een transactie overeengekomen van € 650,00. Verder heeft de minister in aanmerking genomen dat [appellant] buiten de terugkijktermijn in 2000 met justitie in aanraking is gekomen wegens twee gevallen van het medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet, waarvoor [appellant] is veroordeeld tot een geldboete. Ten slotte is met [appellant] in 1993 een transactie overeengekomen wegens het handelen in strijd met de Wet op de kansspelen.

De minister heeft zich omtrent het objectieve criterium op het standpunt gesteld dat [appellant] bij de exploitatie van een coffeeshop een te grote handelsvoorraad aanwezig heeft gehad. Nu de aanvraag van [appellant] ziet op de afgifte van een vog ten behoeve van een exploitatievergunning voor een coffeeshop levert dit feit, indien herhaald, een risico voor de samenleving op, namelijk een gevaar voor personen en de volksgezondheid in het algemeen. Gelet op de wijze waarop de zaken zijn afgedaan, het ontbreken van voldoende tijdsverloop en de hoeveelheid relevante antecedenten dient het belang van beperking van het risico voor de samenleving volgens de minister zwaarder te wegen dan het belang van [appellant] bij het verkrijgen van de vog, zodat niet aan het subjectieve criterium is voldaan.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de minister bij zijn beoordeling van de aanvraag om afgifte van de vog blijk heeft gegeven van willekeur, omdat de minister in voorgaande jaren bij de afgifte van een vog het justitiële gegeven uit 2000 in tegenstelling tot het justitiële gegeven uit 1993 niet in de beoordeling heeft betrokken. Voorts voert [appellant] aan dat hij erop mocht vertrouwen dat hem een vog zou worden afgegeven, nu openstaande strafzaken en sepots worden meegenomen in de beoordeling en de minister in 2009 op grond van dezelfde justitiële gegevens heeft geoordeeld dat deze niet aan afgifte van een vog in de weg stonden.

2.3.1. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de minister bij de weigering van de afgifte van de vog geen blijk heeft gegeven van willekeur of heeft gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel. De minister heeft te kennen gegeven dat bij de eerdere aanvragen om afgifte van een vog zowel de veroordeling uit 2000 als de transactie uit 1993 bij de beoordeling zijn betrokken. Hieraan is minder gewicht toegekend, aangezien op dat moment nog niet de transacties van 28 april 2009 wegens de overtredingen op grond van de Opiumwet met [appellant] waren overeengekomen. Omdat de overtredingen op grond van de Opiumwet nog openstaande zaken waren, heeft de minister een vog afgegeven na de belangenafweging bij de toepassing van het subjectieve criterium. Dat bij de beoordeling om afgifte van een vog openstaande strafzaken en sepots worden meegenomen in de beoordeling, betekent niet dat daaraan hetzelfde gewicht toekomt als een veroordeling of een transactie. Reeds daarom heeft [appellant] aan de eerdere afgifte van een vog geen gerechtvaardigd vertrouwen kunnen ontlenen. Het betoog faalt.

2.4. Verder heeft de rechtbank volgens [appellant] niet onderkend dat de minister ten onrechte heeft geconcludeerd dat hij de voorwaarden van het gedoogbeleid heeft overtreden en dat de minister blijkbaar op grond van het justitiële gegeven uit 2000 heeft geconcludeerd dat is voldaan aan het objectieve criterium.

2.4.1. Ter zitting van de Afdeling heeft [appellant] desgevraagd verklaard dat de overeengekomen transacties op 28 april 2009 zien op de verkoop van hennepplanten, hetgeen namens de staatssecretaris niet is weersproken. De Afdeling begrijpt de motivering van het bij de rechtbank bestreden besluit aldus, dat doorslaggevend is voor de weigering van de vog dat [appellant] bij de exploitatie van een coffeeshop een te grote handelsvoorraad aanwezig heeft gehad waardoor hij de voorwaarden van het gedoogbeleid voor de verkoop van softdrugs heeft overtreden en dat daarin het risico voor de samenleving is gelegen. Indien de transacties van 28 april 2009 inderdaad betrekking hebben op de verkoop van hennepplanten en niet op de omvang van de handelsvoorraad is de motivering feitelijk onjuist. Anders dan de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de motivering van het besluit van 27 mei 2010 niet deugdelijk is. Het betoog slaagt.

2.5. De conclusie is dat het besluit van 27 mei 2010 is genomen in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

2.6. De Afdeling ziet in het belang van een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding om de staatssecretaris op de voet van artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State op te dragen het gebrek in het besluit op bezwaar van 27 mei 2010 te herstellen. De staatssecretaris dient daartoe alsnog te onderzoeken op welke strafbare feiten de transacties van 28 april 2009 betrekking hebben en aan de hand van de bevindingen de motivering van het besluit van 27 mei 2010 opnieuw te bezien. De staatssecretaris dient zonodig een ander besluit te nemen.

2.7. In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

draagt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie op om binnen zes weken na de verzending van deze tussenuitspraak:

- met inachtneming van rechtsoverweging 2.4.1. het besluit van 27 mei 2010, kenmerk 001400201001080018 te herstellen en zonodig een ander besluit te nemen;

- het nieuwe besluit aan [appellant] en de Afdeling te zenden.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. A. Hammerstein en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van staat.

w.g. Vlasblom w.g. Van Hardeveld

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 november 2011

312-697.