Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU6300

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-11-2011
Datum publicatie
30-11-2011
Zaaknummer
201110001/2/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 juli 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Lage Heide, Wonen" en het exploitatieplan "Lage Heide, Wonen" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201110001/2/R3.

Datum uitspraak: 21 november 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

[verzoekers], allen wonend te Valkenswaard,

en

de raad van de gemeente Valkenswaard,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 juli 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Lage Heide, Wonen" en het exploitatieplan "Lage Heide, Wonen" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben onder meer [verzoekers] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 september 2011, beroep ingesteld.

Bij dezelfde brief als waarmee beroep is ingesteld hebben [verzoekers] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

[verzoekers] en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 8 november 2011, waar [verzoekers], in persoon, en de raad, vertegenwoordigd door drs. L.A.F. Vorster en ing. D.A.J. Meeuwsen, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. De voorzitter geeft geen voorlopig oordeel over de vraag of [verzoekers] allen als belanghebbende bij het bestreden besluit kunnen worden aangemerkt, nu naar verwachting in ieder geval [verzoeker A] als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan worden aangemerkt en de Afdeling reeds daarom in de bodemzaak een inhoudelijk oordeel zal geven over hetgeen [verzoekers] hebben aangevoerd.

2.3. Het plan voorziet in de mogelijkheid tot bouw van ongeveer 330 woningen.

2.4. De raad stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van een spoedeisend belang dat het treffen van een voorlopige voorziening rechtvaardigt. In dit verband heeft de raad gesteld dat voor de voorziene woonwijk de vaststelling van een inrichtingsplan door het college van burgemeester en wethouders is voorzien op basis waarvan de bouw- en woonrijpbestekken kunnen worden opgesteld, waarna de aanbesteding voor het bouwrijp maken van de gronden kan plaatsvinden.

2.4.1. De voorzitter overweegt dat het standpunt van de raad dat geen sprake is van een spoedeisend belang niet kan worden gevolgd, nu de door de raad genoemde omstandigheden niet afdoen aan de bestaande mogelijkheid dat ten behoeve van de bouw van de in het plan voorziene woningen aanvragen voor een omgevingsvergunning worden ingediend, welke aanvragen dienen te worden getoetst aan het voorliggende plan zodra dat in werking treedt. De voorzitter zal dan ook bezien of, gelet op de betrokken belangen, aanleiding bestaat voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.5. [verzoekers] voeren onder meer aan dat het plan niet had mogen worden vastgesteld zolang het reconstructieplan "Boven-Dommel" nog niet onherroepelijk is. Vanwege die omstandigheid had het plan voorts dienen te worden getoetst aan het beleid zoals dat luidde ten tijde van de inwerkingtreding van dit reconstructieplan op 29 juli 2005, zo betogen [verzoekers]. Daarnaast voeren zij bezwaren aan met betrekking tot de informatievoorziening en communicatie met betrekking tot het plan.

2.5.1. De voorzitter ziet in deze bezwaren geen aanleiding voor het oordeel dat er zodanige gebreken aan het plan kleven, dat deze in de bodemzaak tot de conclusie zullen leiden dat het plan reeds hierom niet in stand zal kunnen blijven.

2.6. [verzoekers] wijzen op de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2009, zaak nr. 200800772/1. In deze uitspraak heeft de Afdeling het besluit omtrent goedkeuring van het bestemmingsplan "Valkenswaard-Zuid" gedeeltelijk vernietigd en heeft zij de verkeersafwikkeling van het plangebied al onvoldoende geacht, terwijl deze afwikkeling sindsdien niet is verbeterd, zo betogen [verzoekers].

2.6.1. Ter zitting heeft de raad nader toegelicht dat het voorliggende plan in zoverre verschilt van het bestemmingsplan in de door [verzoekers] genoemde uitspraak dat het voorliggende plan niet tevens voorziet in de mogelijkheid tot aanleg van het bedrijventerrein dat nog wel was opgenomen in het bestemmingsplan dat destijds aan de orde was. Volgens het ten behoeve van het thans voorliggende plan verrichte verkeersonderzoek kan worden voorzien in een adequate ontsluiting van het plangebied, nu het aanvankelijk voorziene bedrijventerrein vooralsnog niet gerealiseerd zal worden, aldus de raad.

2.6.2. Nu het voorliggende plan het ten tijde van voornoemde uitspraak van 25 maart 2009 voorziene bedrijventerrein niet mogelijk maakt en [verzoekers] niet aannemelijk hebben gemaakt dat de conclusie uit de verrichte verkeersonderzoeken dat het plangebied op adequate wijze kan worden ontsloten onjuist is, geven de op dit punt aangevoerde bezwaren geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.7. De voorzitter is voorshands van oordeel dat de enkele stelling van [verzoekers] dat de gehanteerde gegevens over behoefte aan woningen zijn verouderd en dat de woningmarkt op het moment stil ligt geen aanleiding zal geven voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat binnen de planperiode voldoende behoefte bestaat aan de voorziene woningen. Daarbij betrekt de voorzitter dat het plan zich uitstrekt over een periode van tien jaar.

2.8. De voorzitter verwacht niet dat hetgeen [verzoekers] voor het overige hebben aangevoerd de Afdeling in de bodemzaak aanleiding zal geven voor vernietiging van het bestreden besluit. Derhalve bestaat geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. W. van Steenbergen, ambtenaar van staat.

w.g. Hoekstra w.g. Van Steenbergen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 november 2011

528.