Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU6116

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-11-2011
Datum publicatie
28-11-2011
Zaaknummer
201110981/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ten tijde van de oplegging van de maatregel van bewaring was voldoende duidelijk dat de vreemdeling inmiddels concrete stappen had ondernomen om via de IOM te komen tot terugkeer naar Irak en dat hij daartoe daadwerkelijk medewerking verleende aan deze organisatie. Gelet op de in het PSH-V formulier vermelde bijzonderheden bestaat geen grond voor het oordeel dat de vreemdeling ermee heeft volstaan zich te melden bij de IOM en niet de werkelijke bedoeling had om met behulp van die organisatie terug te keren naar zijn land van herkomst. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, is van enkele aanmelding bij de IOM dan ook geen sprake. Door te overwegen dat de minister de vreemdeling terecht heeft tegengeworpen dat hij zich na de ongegrondverklaring op 25 mei 2011 van zijn beroep tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag niet heeft gehouden aan de op hem rustende vertrekplicht, heeft de rechtbank niet onderkend dat de minister in het licht van de inspanningen van de vreemdeling om zijn terugkeer naar Irak te realiseren, aan de omstandigheid dat de vreemdeling niet binnen de daarvoor geldende uiterlijke termijn is teruggekeerd niet de daaraan door hem gehechte betekenis heeft kunnen toekennen. Gelet op het voorgaande bestond ten tijde van het besluit tot oplegging van de maatregel geen grond om aan te nemen dat de vreemdeling de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert. Er bestaat derhalve aanleiding om van het onder 2.1.2 weergegeven uitgangspunt af te wijken.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 59
Vreemdelingenwet 2000 106
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2012/51

Uitspraak

201110981/1/V3

Datum uitspraak: 18 november 2011

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Dordrecht, van 30 september 2011 in zaak nr. 11/29279 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de minister voor Immigratie en Asiel.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 september 2011 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 30 september 2011, verzonden op 10 oktober 2011, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 14 oktober 2011, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In de tweede grief klaagt de vreemdeling, samengevat weergegeven en voor zover thans van belang, dat de rechtbank, zakelijk weergegeven, ten onrechte heeft overwogen dat de minister de omstandigheid dat de vreemdeling zich niet aan zijn vertrektermijn heeft gehouden aan de maatregel van bewaring ten grondslag heeft kunnen leggen. De vreemdeling voert hiertoe aan dat het weliswaar niet ter discussie staat dat hij reeds sinds 25 mei 2011 verwijderbaar is, maar dat hij aantoonbaar bezig was om zijn vertrek te regelen via de Internationale Organisatie voor Migratie (hierna: de IOM).

2.1.1. De Afdeling heeft in de uitspraak van 21 maart 2011 in zaak nr. 201100555/1/V3 (www.raadvanstate.nl), samengevat weergegeven en voor zover thans van belang, overwogen dat artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) – voor zover nodig – richtlijnconform kan worden uitgelegd in die zin dat, zolang niet aan artikel 3, zevende lid, van richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven is voldaan, een maatregel van bewaring alleen mag worden opgelegd indien de betrokken vreemdeling de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert.

Bij de beoordeling of de vreemdeling de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert, dient te worden uitgegaan van de omstandigheden die in het besluit tot oplegging van de bewaring zijn vermeld. Bij deze beoordeling moet rekening worden gehouden met de toelichting die de minister, ter zitting van de rechtbank dan wel anderszins, over deze omstandigheden heeft gegeven en in samenhang daarmee met hetgeen hieromtrent uit het bewaringsdossier van de vreemdeling valt af te leiden.

2.1.2. De aan de maatregel ten grondslag gelegde omstandigheid, dat de vreemdeling zich niet heeft gehouden aan zijn vertrektermijn, geeft in beginsel grond om aan te nemen dat hij de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert.

2.1.3. Blijkens het proces-verbaal van gehoor van 8 september 2011 heeft de vreemdeling verklaard dat hij mee wil werken aan vrijwillige terugkeer naar Irak en dat hij terug wil keren met behulp van de IOM. Deze verklaring vindt bevestiging in de op het formulier PolitieSuite Handhaving Vreemdelingen (PSH-V) vermelde bijzonderheden over de vreemdeling. Uit die informatie kan worden afgeleid dat de vreemdeling reeds sinds juli 2011 bezig was om via de IOM zijn terugkeer te regelen. Langs die weg is hij op 20 september 2011 naar Irak teruggekeerd.

Ten tijde van de oplegging van de maatregel van bewaring was voldoende duidelijk dat de vreemdeling inmiddels concrete stappen had ondernomen om via de IOM te komen tot terugkeer naar Irak en dat hij daartoe daadwerkelijk medewerking verleende aan deze organisatie. Gelet op de in het PSH-V formulier vermelde bijzonderheden bestaat geen grond voor het oordeel dat de vreemdeling ermee heeft volstaan zich te melden bij de IOM en niet de werkelijke bedoeling had om met behulp van die organisatie terug te keren naar zijn land van herkomst. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, is van enkele aanmelding bij de IOM dan ook geen sprake. Door te overwegen dat de minister de vreemdeling terecht heeft tegengeworpen dat hij zich na de ongegrondverklaring op 25 mei 2011 van zijn beroep tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag niet heeft gehouden aan de op hem rustende vertrekplicht, heeft de rechtbank niet onderkend dat de minister in het licht van de inspanningen van de vreemdeling om zijn terugkeer naar Irak te realiseren, aan de omstandigheid dat de vreemdeling niet binnen de daarvoor geldende uiterlijke termijn is teruggekeerd niet de daaraan door hem gehechte betekenis heeft kunnen toekennen.

Gelet op het voorgaande bestond ten tijde van het besluit tot oplegging van de maatregel geen grond om aan te nemen dat de vreemdeling de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert. Er bestaat derhalve aanleiding om van het onder 2.1.2 weergegeven uitgangspunt af te wijken.

De grief slaagt.

2.2. Het hoger beroep is reeds hierom kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Hetgeen voor het overige is aangevoerd behoeft geen verdere bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 8 september 2011 van de minister alsnog gegrond verklaren. Nu de minister de vrijheidsontnemende maatregel reeds heeft opgeheven, kan een daartoe strekkend bevel achterwege blijven. Aan de vreemdeling wordt met toepassing van artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000 na te melden vergoeding toegekend over de periode van 8 september 2011 tot 20 september 2011, de dag waarop de vrijheidsontnemende maatregel is opgeheven.

2.3. De minister dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Dordrecht, van 30 september 2011 in zaak nr. 11/29279;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. kent aan de vreemdeling een vergoeding toe van € 1.060,00 (zegge: duizendzestig euro), ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de secretaris van de Raad van State;

V. veroordeelt de minister voor Immigratie en Asiel tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.311,00 (zegge: dertienhonderdelf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient aan de secretaris van de Raad van State (bankrekening Raad van State 56.99.94.977) onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. D. van Leeuwen, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Van Leeuwen

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 november 2011

373-644

Verzonden: 18 november 2011

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser