Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU6093

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-11-2011
Datum publicatie
28-11-2011
Zaaknummer
201007530/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De minister betoogt op zichzelf terecht dat rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, aanhef en onder f en h, van de Vw 2000 een voorlopig karakter heeft. De bewoordingen van artikel 3, tweede lid, van de overeenkomst gelezen in samenhang met de preambule bieden evenwel geen grond voor het oordeel dat rechtmatig verblijf dat voorlopig van aard is en voorafgaat aan een te nemen besluit op een asielaanvraag dan wel een uitspraak van de rechter op een tegen de afwijzing van die aanvraag ingesteld beroep, als onregelmatig verblijf in de zin van de overeenkomst moet worden aangemerkt. Ook overigens biedt de overeenkomst geen concrete aanknopingspunten voor een uitleg in die zin. (…) Nu de vreemdeling ten tijde hier van belang op grond van artikel 8, aanhef en onder f onderscheidenlijk h, van de Vw 2000 rechtmatig en dus wettig hier te lande mocht verblijven, bestaat in het licht van het voorgaande geen grond voor het oordeel dat voormeld verblijf voor de toepassing van de overeenkomst als onregelmatig verblijf moet worden aangemerkt.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2012/49
Ars Aequi RV20110018 met annotatie van K.M. Zwaan

Uitspraak

201007530/1/V3.

Datum uitspraak: 18 november 2011

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister van Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Almelo, van 9 juli 2010 in zaak nr. 09/26328 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de minister.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 juni 2009 heeft de staatssecretaris van Justitie een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 9 juli 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 3 augustus 2010, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In de enige grief klaagt de minister, samengevat weergegeven en voor zover thans van belang, dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat evident is dat nu de vreemdeling niet illegaal in Nederland verbleef en verblijft de Overeenkomst tussen de Republiek Hongarije en de Benelux-Staten (het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden) betreffende de overname van onregelmatig verblijvende personen, met Protocol, gesloten te Luxemburg op 23 januari 2002 (hierna: de overeenkomst) niet op haar van toepassing is. Daartoe betoogt de minister dat de rechtbank aldus heeft miskend dat de overeenkomst interstatelijke aangelegenheden regelt waarop de vreemdeling zich niet kan beroepen. Voorts heeft de rechtbank volgens de minister miskend dat de vreemdeling rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, aanhef en onder f en h, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) had en dat zodanig verblijf niet is aan te merken als regelmatig verblijf in die zin dat zou zijn voldaan aan de geldende voorwaarden voor binnenkomst en verblijf. In het licht van de preambule van de overeenkomst moet worden aangenomen dat sprake is van onregelmatig verblijf in de zin van de overeenkomst indien niet of niet meer wordt voldaan aan de geldende voorwaarden voor verblijf. Rechtmatig verblijf krachtens voornoemde onderdelen van artikel 8 van de Vw 2000 betekent derhalve niet dat sprake is van regelmatig verblijf in de zin van de overeenkomst, aldus de minister. Verder betoogt de minister dat de opvatting van de rechtbank tot gevolg heeft dat reeds het indienen van een aanvraag er toe leidt dat sprake is van regelmatig verblijf. Daardoor wordt het toepassingsbereik van de overeenkomst in belangrijke mate ingeperkt, hetgeen niet in overeenstemming is met het doel van overnameovereenkomsten, aldus de minister.

2.2. Volgens de preambule van de overeenkomst strekt de overeenkomst ertoe de overname van personen die zich illegaal op het grondgebied van de Staat van een andere Overeenkomstsluitende Partij ophouden, dat wil zeggen die niet of niet meer voldoen aan de geldende voorwaarden voor binnenkomst of verblijf, en de doorgeleiding van te repatriëren personen in een geest van samenwerking en op basis van wederkerigheid te vergemakkelijken.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder d, van de overeenkomst wordt onder verblijfstitel verstaan elke vergunning, ongeacht van welke aard, met uitzondering van het visum, het transitvisum en de tijdelijke toelating tot verblijf die wordt afgegeven tijdens de periode van de behandeling van een asielverzoek door de bevoegde autoriteiten van de Overeenkomst sluitende Partijen en die de betrokkene recht geeft op een wettige binnenkomst en een wettig verblijf op het grondgebied van de Overeenkomstsluitende Partijen.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, neemt iedere Overeenkomst-sluitende Partij op verzoek van de andere Overeenkomstsluitende Partij de onderdanen van een derde land over die onregelmatig op het grondgebied van de Staat van de verzoekende Overeenkomstsluitende Partij verblijven en een geldige door de bevoegde instanties van de aangezochte Overeenkomstsluitende Partij afgegeven verblijfstitel bezitten.

Ingevolge artikel 1 van het Uitvoeringsprotocol bij de overeenkomst worden de onregelmatige binnenkomst en het onregelmatige verblijf in de zin van de artikelen 2 en 3 van de Overeenkomst door de Overeenkomstsluitende Partijen op grond van hun respectieve nationale wetgeving vastgesteld.

Ingevolge artikel 8, aanhef en onder f, van de Vw 2000, voor zover thans van belang, heeft de vreemdeling in Nederland rechtmatig verblijf in afwachting van de beslissing op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 28, terwijl bij of krachtens deze wet dan wel op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op de aanvraag is beslist.

Ingevolge dat artikel, aanhef en onder h, voor zover thans van belang, heeft de vreemdeling in Nederland rechtmatig verblijf in afwachting van de beslissing op een beroepschrift, terwijl bij of krachtens deze wet of op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op het beroepschrift is beslist.

2.3. De te dezen relevante bepalingen van de overeenkomst zijn voldoende nauwkeurig en concreet geformuleerd om zich voor toepassing door de rechter te lenen. Het betoog van de minister dat de overeenkomst interstatelijke aangelegenheden regelt en de vreemdeling zich daarom niet op voormelde bepalingen kan beroepen, faalt derhalve.

2.4. De minister betoogt op zichzelf terecht dat rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, aanhef en onder f en h, van de Vw 2000 een voorlopig karakter heeft. De bewoordingen van artikel 3, tweede lid, van de overeenkomst gelezen in samenhang met de preambule bieden evenwel geen grond voor het oordeel dat rechtmatig verblijf dat voorlopig van aard is en voorafgaat aan een te nemen besluit op een asielaanvraag dan wel een uitspraak van de rechter op een tegen de afwijzing van die aanvraag ingesteld beroep, als onregelmatig verblijf in de zin van de overeenkomst moet worden aangemerkt. Ook overigens biedt de overeenkomst geen concrete aanknopingspunten voor een uitleg in die zin.

Daarbij is in aanmerking genomen dat in artikel 1, aanhef en onder d, van de overeenkomst opgenomen omschrijving van het begrip "verblijfstitel" en het gebruik van die term in artikel 3, tweede lid, van de overeenkomst niet tot een ander oordeel leidt. Dat de desbetreffende vreemdeling over een door de aangezochte lidstaat afgegeven verblijfstitel dient te beschikken, betekent nog niet dat die vreemdeling zolang hij niet beschikt over een door de verzoekende lidstaat afgegeven verblijfstitel geacht moet worden onregelmatig verblijf te hebben in die lidstaat. Dat geldt te meer nu ingevolge artikel 1 van het Uitvoeringsprotocol bij de overeenkomst het onregelmatige verblijf in de zin van de artikelen 2 en 3 van de overeenkomst door de Overeenkomstsluitende Partijen op grond van hun respectieve nationale wetgeving wordt vastgesteld. Nu de vreemdeling ten tijde hier van belang op grond van artikel 8, aanhef en onder f onderscheidenlijk h, van de Vw 2000 rechtmatig en dus wettig hier te lande mocht verblijven, bestaat in het licht van het voorgaande geen grond voor het oordeel dat voormeld verblijf voor de toepassing van de overeenkomst als onregelmatig verblijf moet worden aangemerkt.

De omstandigheid dat, naar de minister stelt, door rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder f en h, van de Vw 2000 niet aan te merken als onregelmatig verblijf in de zin van artikel 3, tweede lid, van de overeenkomst het doel daarvan wordt ondergraven kan, wat daar verder van zij, er niet aan afdoen dat de bewoordingen en de systematiek van de overeenkomst geen ruimte bieden om op voormelde onderdelen van artikel 8 van de Vw 2000 gebaseerd rechtmatig verblijf tot onregelmatig verblijf in de zin van die overeenkomst te bestempelen.

Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat gegeven het ten tijde van belang rechtmatige verblijf van de vreemdeling hier te lande de minister ten onrechte de overeenkomst op haar van toepassing heeft geacht. Hetgeen in het hogerberoepschrift is aangevoerd ter bestrijding van de overweging van de rechtbank dat het claimakkoord door Hongarije is afgegeven op basis van onvolledige gegevens, behoeft derhalve geen bespreking meer.

2.5. De grief faalt.

2.6. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. De minister dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. veroordeelt de minister voor Immigratie en Asiel tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 437,00 (zegge: vierhonderdzevenendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Vonk, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Vonk

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 november 2011

345.

Verzonden: 18 november 2011

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser