Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU5447

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-11-2011
Datum publicatie
23-11-2011
Zaaknummer
201101144/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 29 januari 2010 heeft [appellant] het college verzocht om toezending van de voor- en achterkant van de aankondiging van een zogeheten Mulderbeschikking en het desbetreffende miniproces-verbaal of een vergelijkbaar ander document. Voorts heeft hij het verzocht om een schriftelijke opgave van de namen en nummers van de betrokken verbalisanten en van elke verbalisant of deze bij de constatering van de gedraging of de totstandkoming van de beschikking betrokken was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201101144/1/H3.

Datum uitspraak: 23 november 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Herten, gemeente Roermond,

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond (hierna: de rechtbank) van 23 december 2010 in zaak nr. 10/682 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Roermond (hierna: het college).

1. Procesverloop

Bij brief van 29 januari 2010 heeft [appellant] het college verzocht om toezending van de voor- en achterkant van de aankondiging van een zogeheten Mulderbeschikking en het desbetreffende miniproces-verbaal of een vergelijkbaar ander document. Voorts heeft hij het verzocht om een schriftelijke opgave van de namen en nummers van de betrokken verbalisanten en van elke verbalisant of deze bij de constatering van de gedraging of de totstandkoming van de beschikking betrokken was.

Bij brief van 2 maart 2010 heeft [appellant] het college in gebreke gesteld wegens het uitblijven van een beslissing op zijn verzoek.

Bij uitspraak van 23 december 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] tegen het uitblijven van een beslissing op zijn verzoek ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 januari 2011, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak op 24 augustus 2011 ter zitting aan de orde gesteld.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet openbaarheid van bestuur kan een ieder een verzoek om informatie, neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid, richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, wordt de beslissing op een verzoek om informatie mondeling of schriftelijk genomen.

Ingevolge het tweede lid, voor zover thans van belang, vindt een gehele of gedeeltelijk afwijzing van een schriftelijk verzoek om informatie schriftelijk plaats.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, beslist het bestuursorgaan op het verzoek om informatie zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken, gerekend vanaf de dag na die, waarop het verzoek is ontvangen.

2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte geen besluit op zijn verzoek heeft genomen. Volgens hem heeft zij ten onrechte het toezenden van informatie als een toewijzende beslissing aangemerkt. Voorts heeft zij miskend dat het college hem niet alle stukken heeft verstrekt. De rechtbank heeft ten slotte ten onrechte geen proceskostenvergoeding uitgesproken inzake het door haar gegrond verklaarde verzet.

2.2.1. Dat betoog faalt. Het op 8 februari 2010 per faxbericht verzonden brondocument bevat een afschrift van de aankondiging van de zogenoemde Mulderbeschikking, de naam van de betrokken verbalisant en diens nummer. Aldus heeft het college op 8 februari 2010 door toezending aan [appellant] van het brondocument, tezamen met een afschrift van zijn verzoek, op dat verzoek beslist. Het college heeft dat tijdig gedaan. Voor zover [appellant] beoogt te betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college hem niet alle verzochte stukken heeft verstrekt, wordt overwogen dat de rechtbank had te beslissen op het tegen het uitblijven van een besluit op het gedane verzoek ingestelde beroep, niet op een tegen zulk besluit ingesteld beroep. Nu de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het college tijdig heeft beslist, heeft zij terecht geen aanleiding gezien om het college te verwijzen in de bij [appellant] inzake het gegrond verklaarde verzet opgekomen proceskosten.

2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. Klein

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 november 2011

176-671.