Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU5439

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-11-2011
Datum publicatie
23-11-2011
Zaaknummer
201101931/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 januari 2010 heeft het CBR het rijbewijs van [appellant] voor alle categorieën ongeldig verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201101931/1/H3.

Datum uitspraak: 23 november 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 30 december 2010 in zaak nr. 10/443 in het geding tussen:

[appellant]

en

de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR).

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 januari 2010 heeft het CBR het rijbewijs van [appellant] voor alle categorieën ongeldig verklaard.

Bij besluit van 23 april 2010 heeft het CBR het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 30 december 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 februari 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 8 maart 2011.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 oktober 2011, waar [appellant], bijgestaan door mr. A.I. Cambier, advocaat te Axel, en het CBR, vertegenwoordigd door drs. M.M. van Dongen, werkzaam bij het CBR, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de Wvw 1994), voor zover thans van belang, doen de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen, indien bij hen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen.

Ingevolge artikel 131, eerste lid, voor zover thans van belang, besluit het CBR, indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar zijn rijvaardigheid of geschiktheid.

Ingevolge het tweede lid bepaalt het CBR de aard van het onderzoek en door welke deskundige of deskundigen het onderzoek zal worden verricht.

Ingevolge artikel 134, eerste lid, voor zover thans van belang, stelt het CBR zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van de bevindingen van de deskundige of deskundigen, de uitslag van het onderzoek vast. Van deze uitslag doet het CBR mededeling aan betrokkene.

Ingevolge het tweede lid besluit het CBR tot ongeldigverklaring van het rijbewijs indien de uitslag van het onderzoek daartoe aanleiding geeft. Bij ministeriële regeling worden de gevallen aangewezen waarin daarvan sprake is.

Ingevolge het derde lid, voor zover thans van belang, deelt het CRB, indien het voornemens is het rijbewijs ongeldig te verklaren, dit mede aan de houder, tevens onder mededeling van de bevoegdheid van betrokkene om binnen twee weken een tweede onderzoek te verlangen.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid besluit het CBR dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de geschiktheid als bedoeld in artikel 131, eerste lid, van de Wvw 1994 indien bij betrokkene een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 785 µg/l, respectievelijk 1,8 ‰.

Ingevolge artikel 12, aanhef en onder b, voor zover thans van belang, besluit het CBR tot ongeldigverklaring van het rijbewijs als bedoeld in artikel 134, derde lid, van de Wvw 1994, indien de uitslag van het onderzoek inhoudt dat betrokkene niet voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen.

In artikel 2 van de Regeling eisen geschiktheid 2000 (hierna: Regeling eisen geschiktheid) is bepaald dat de eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen worden vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage.

In die bijlage is in paragraaf 8.8 "Misbruik van psychoactieve middelen (zoals alcohol en drugs)" bepaald dat voor de beoordeling of sprake is van misbruik van psychoactieve middelen een specialistisch rapport is vereist. Personen die misbruik maken van dergelijke middelen zijn zonder meer ongeschikt. Indien zij aannemelijk of aantoonbaar zijn gestopt met dit misbruik, dient een recidiefvrije periode van een jaar te zijn gepasseerd voordat zij door middel van een herkeuring — op basis van een specialistisch rapport — geschikt kunnen worden geacht. Een strenge opstelling van de keurend arts is aangewezen, gezien de gevaren die het gebruik van deze middelen oplevert voor de verkeersveiligheid.

2.2. [appellant] is op 26 maart 2009 aangehouden waarbij, na onderzoek, een adem- of bloedalcoholgehalte van 825 µg/l is geconstateerd. Daarop heeft het CBR een onderzoek naar de geschiktheid, als bedoeld in artikel 131, eerste lid, van de Wvw 1994 gevorderd. Dit onderzoek heeft op 27 november 2009 plaatsgevonden en bestond uit een anamnese, een lichamelijk, een psychiatrisch en een bloedonderzoek. In het Verslag van bevindingen (hierna: het verslag) van het onderzoek heeft een psychiater de diagnose alcoholmisbruik in ruime zin gesteld. Hiertoe heeft hij in aanmerking genomen dat [appellant] een krat bier per week drinkt, alcoholtolerantie heeft opgebouwd en alcohol nodig heeft om goed te kunnen slapen. Voorts heeft hij daartoe in aanmerking genomen dat uit het laboratoriumonderzoek volgt dat de CDT-waarde is verhoogd en dat uit de antwoorden van [appellant] op zogenoemde CAGE-vragen kan worden opgemaakt dat hij zijn alcoholgebruik bagatelliseert.

2.3. In het bij de rechtbank bestreden besluit heeft het CBR zich onder meer op het standpunt gesteld dat misbruik van alcohol als bedoeld in paragraaf 8.8 van de Regeling eisen geschiktheid op basis van alle beschikbare medische en niet-medische gegevens kan worden vastgesteld. Zijn stelling dat de bevindingen van de psychiater niet zo buitensporig zijn dat daaruit alcoholmisbruik kan worden opgemaakt en dat in het verslag ten onrechte staat dat hij zijn alcoholgebruik bagatelliseert, heeft [appellant] volgens het CBR niet aannemelijk gemaakt.

2.4. [appellant] bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat het CBR het besluit van 23 april 2010 deugdelijk heeft gemotiveerd en dat zij zijn rijbewijs terecht en op goede gronden ongeldig heeft verklaard. Hij stelt dat hij een zogenoemde gezelligheidsdrinker is zonder dat sprake is van een verhoogd alcoholgebruik en dat hij alcohol nuttigt om beter in slaap te komen. Voorts betoogt [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat de psychiater ten onrechte in het verslag heeft opgenomen dat hij alcoholtolerantie heeft opgebouwd, nu hij geen behoefte heeft aan toenemende hoeveelheden alcohol om het gewenste effect te bereiken. Daarnaast heeft de rechtbank miskend dat de psychiater ten onrechte de door hem gegeven antwoorden op CAGE-vragen als aanwijzingen heeft opgevat dat hij zijn alcoholgebruik bagatelliseert. Ten slotte is de verhoogde CDT-waarde volgens [appellant] onvoldoende om de diagnose alcoholmisbruik in ruime zin te stellen, nu foutmetingen kunnen voorkomen.

2.5. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 25 april 2007 in zaak nr. 200606675/1) bestaat in een geval waarin de diagnose alcoholmisbruik is gesteld, slechts aanleiding om de ongeldigverklaring niet in stand te laten indien de psychiatrische rapportage naar inhoud of wijze van totstandkoming gebreken vertoont, inhoudelijk tegenstrijdig of anderszins niet of niet voldoende concludent is, in zodanige mate dat het CBR zich daarop niet heeft mogen baseren.

Met juistheid heeft de rechtbank geen grond gevonden voor het oordeel dat bovengenoemde omstandigheden zich in dit geval voordoen. De diagnose alcoholmisbruik is gesteld op basis van een volledig onderzoek waarbij de psychiater alle relevante medische en niet-medische gegevens heeft betrokken. De psychiater is op grond van die informatie in onderlinge samenhang bezien, tot zijn conclusie gekomen. Op basis van de bevindingen bij de anamnese heeft de psychiater verder in het verslag gemotiveerd weergegeven dat er aanwijzingen zijn dat [appellant] alcoholtolerantie heeft opgebouwd. De enkele ontkenning van [appellant] dat hij alcoholtolerant is, leidt niet tot het oordeel dat het verslag zodanige gebreken vertoont dat het CBR het niet aan haar besluitvorming ten grondslag mocht leggen. Voorts staat vast dat bij het bloedonderzoek een verhoogde CDT-waarde is vastgesteld. Met juistheid heeft de rechtbank geen grond gevonden voor het oordeel dat de psychiater deze niet bij zijn diagnose heeft mogen betrekken, nu niet is gebleken van andere mogelijke oorzaken en [appellant] ook geen andersluidend deskundig tegenonderzoek heeft overgelegd. Mede gelet op zijn bevindingen ten aanzien van de alcohol anamnese, welke hij heeft gebaseerd op hetgeen [appellant] heeft verklaard omtrent de hoeveelheid en de frequentie van zijn alcoholgebruik, heeft de psychiater de ontkennende antwoorden van [appellant] op de door hem gestelde CAGE-vragen als aanwijzing mogen duiden dat [appellant] zijn alcoholgebruik niet in de juiste proporties ziet, dat wil zeggen bagatelliseert. De omstandigheid dat [appellant] zichzelf als gezelligheidsdrinker ziet doet aan voormeld oordeel niet af, reeds omdat dit in het verslag staat vermeld en dit de psychiater geen aanleiding heeft gegeven om tot een andere diagnose te komen. In de door [appellant] ter zitting van de Afdeling genoemde uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Alkmaar van 23 september 2010 (LJN: BP2267, www.rechtspraak.nl) wordt ten slotte evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het CBR niet heeft mogen afgaan op de diagnose gesteld door de psychiater. In die zaak is immers de CDT-waarde vastgesteld met behulp van de N-Latex methode, terwijl de psychiater in deze zaak de CDT-waarde heeft bepaald met behulp van de HPLC methode waarbij andere meet- en referentiewaarden worden gehanteerd. Overigens is de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Alkmaar in hoger beroep door de Afdeling bij uitspraak van 1 juni 2011 (zaak nr. 201010330/1/H3) vernietigd.

De rechtbank heeft, gelet op het voorgaande, terecht geoordeeld dat het CBR het verslag, waarin de diagnose misbruik van alcohol is gesteld, ten grondslag heeft mogen leggen aan het besluit van 23 april 2010 en dat zij zich op basis hiervan terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellant] niet voldoet aan de eisen van geschiktheid, zodat het rijbewijs ongeldig diende te worden verklaard.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D. Roemers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. de Leeuw-van Zanten, ambtenaar van staat.

w.g. Roemers w.g. De Leeuw-van Zanten

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 november 2011

97-591.