Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU5434

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-11-2011
Datum publicatie
23-11-2011
Zaaknummer
201100947/1/H4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 september 2010 heeft het college aan [persoon] ontheffing als bedoeld in artikel 3.23 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) verleend voor het wijzigen van het gebruik van een tuinberging in een praktijkruimte op het perceel [locatie] te IJsselmuiden (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2012/39

Uitspraak

201100947/1/H4.

Datum uitspraak: 23 november 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Kampen,

appellant,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank

Zwolle-Lelystad van 14 december 2010 in zaak nrs. 10/1843 en 10/1844 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te IJsselmuiden, gemeente Kampen

en

het college.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 september 2010 heeft het college aan [persoon] ontheffing als bedoeld in artikel 3.23 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) verleend voor het wijzigen van het gebruik van een tuinberging in een praktijkruimte op het perceel [locatie] te IJsselmuiden (hierna: het perceel).

Bij uitspraak van 14 december 2010, verzonden op 15 december 2010, heeft de voorzieningenrechter het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 23 september 2010 vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 januari 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 16 februari 2011.

Het college en [wederpartij] hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 september 2011, waar het college, vertegenwoordigd door mr. J.L. Bogerd, werkzaam bij de gemeente, en [wederpartij], bijgestaan door mr. T. Pothast, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [persoon], bijgestaan door H.M. Brink verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge het bestemmingsplan "De Zodde" rust op het perceel de bestemming "Agrarisch gebied". Krachtens een eerder verleende bouwvergunning en vrijstelling is op het perceel een woning aanwezig.

Bij besluit van 16 augustus 2007 is vrijstelling en bouwvergunning verleend voor een tuinberging, behorende bij de woning. In 2009 is een gewijzigde bouwvergunning voor de tuinberging verleend. Het gebouw is in 2009 gerealiseerd en in gebruik genomen als praktijkruimte voor coaching en workshops.

Teneinde dit gebruik als praktijkruimte toe te staan heeft het college ontheffing verleend krachtens artikel 3.23, eerste lid, van de Wro, gelezen in verbinding met artikel 4.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro).

2.2. Ingevolge artikel 3.23, eerste lid, van de Wro, zoals dat luidde ten tijde van belang, kunnen burgemeester en wethouders ten behoeve van bij of krachtens bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen ontheffing verlenen van het bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 4.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro, zoals dat luidde ten tijde van belang, komt voor de toepassing van artikel 3.23, eerste lid, van de Wro in aanmerking: het wijzigen van het gebruik van bouwwerken, al dan niet in samenhang met inpandige bouwactiviteiten, mits:

1e. de gebruikswijziging plaatsvindt binnen de bebouwde kom;

2e. de gebruikswijziging betrekking heeft op een vloeroppervlakte van niet meer dan 1500 m2, en

3e. het aantal woningen gelijk blijft.

2.3. Het college betoogt dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat het college niet bevoegd was om ontheffing te verlenen krachtens artikel 3.23 van de Wro, gelezen in verbinding met artikel 4.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro. Het college stelt daartoe dat de voorzieningenrechter een onjuiste uitleg heeft gegeven aan laatstgenoemde bepaling, door te overwegen dat het niet gaat om het wijzigen van het gebruik in praktijkruimte omdat de tuinberging reeds onmiddellijk na realisering als praktijkruimte in gebruik is genomen.

2.3.1. Dit betoog slaagt. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat onderdeel i van artikel 4.1.1, eerste lid, van het Bro, uitsluitend ziet op de wijziging van feitelijk gebruik. Onder een wijziging van het gebruik van bouwwerken als bedoeld in die bepaling moet mede worden begrepen de zich hier voordoende situatie dat het bouwwerk, onmiddellijk nadat het is opgericht, in afwijking van het bestemmingsplan in gebruik wordt genomen.

2.4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal het door [wederpartij] bij de rechtbank ingestelde beroep tegen het besluit van 23 september 2010 beoordelen.

2.5. Mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen staat vast dat is voldaan aan de in artikel 4.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro gestelde voorwaarden voor toepassing van artikel 3.23 van de Wro. Het college is bevoegd tot het verlenen van een ontheffing.

2.5.1. Het college heeft ten aanzien van de aanwending van deze bevoegdheid het "Ontheffingenbeleid 3.23 Wro" vastgesteld. Voor zover hier van belang, is in die nota vermeld dat voor het uitoefenen van een beroep of bedrijf aan huis ontheffing kan worden verleend, wanneer aan acht in paragraaf 13 van die nota vermelde bepalingen wordt voldaan, waaronder de bepalingen vermeld onder 13.3 en 13.6.

Onder 13.3 is de bepaling opgenomen dat ten hoogste 25% van de aanwezige vloeroppervlakte van de woning en bijgebouwen tot een maximum van 40 m2 mag worden aangewend ten behoeve van het beroep aan huis.

Onder 13.6 is bepaald dat het gebruik geen onevenredige parkeerdruk met zich mag meebrengen.

2.6. Ter zitting van de Afdeling heeft [wederpartij] verklaard niet langer te betwisten dat het college, voor de berekening van de vloeroppervlakte die wordt aangewend ten behoeve van de praktijkruimte, is uitgegaan van een juiste uitleg van het begrip 'vloeroppervlakte'. [wederpartij] betoogt dat het college bij die berekening echter ten onrechte de in het gebouw aanwezige vliering buiten beschouwing heeft gelaten. Met inachtneming van die vliering bedraagt de vloeroppervlakte volgens hem meer dan 40 m2.

2.6.1. Dit betoog faalt. Blijkens het besluit tot verlening van ontheffing is de ontheffing niet van toepassing op het gehele gebouw, maar uitsluitend op de oppervlakte zoals aangegeven op de bij het besluit behorende plattegrond. De vliering maakt daarvan geen deel uit.

2.7. [wederpartij] betoogt dat het college de bij het besluit betrokken belangen niet zorgvuldig heeft afgewogen, nu het beoogde gebruik als praktijkruimte niet nader is geconcretiseerd. [wederpartij] wijst er hierbij op dat aan de ontheffing geen beperkingen of voorwaarden zijn verbonden, zodat het college er niet vanuit mocht gaan dat in de praktijkruimte slechts één maal per week een bijeenkomst van maximaal tien personen plaatsvindt. [wederpartij] vreest aantasting van zijn woongenot en een toename van de parkeerdruk.

2.7.1. Ingevolge artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht handelt het bestuursorgaan overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.

2.7.2. Gelet op aard van het beoogde gebruik en de kleinschaligheid die voortvloeit uit de beperkte omvang van de daarvoor te benutten vloeroppervlakte, is een nadere concretisering of beperking van het gebruik niet vereist. Ook indien wordt uitgegaan van een optimaal gebruik binnen de grenzen van de ontheffing, bestaat geen grond voor het oordeel dat het gebruik tot een onevenredige parkeerdruk zal leiden. Ook overigens kan de door [wederpartij] gestelde hinder in de vorm van aantasting van het woongenot niet leiden tot het oordeel dat zich bijzondere omstandigheden voordoen, die meebrengen dat er door de ontheffing voor [wederpartij] gevolgen ontstaan, die in verhouding tot de met de onderhavige beleidsregel te dienen doelen, onevenredig zijn.

2.8. Het beroep is ongegrond.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

2.10. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de voorzieningenrechter zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [wederpartij] tegen het besluit van 23 september 2010 van het college alsnog ongegrond verklaren.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 14 december 2010 in zaak nrs. 10/1843 en 10/1844;

III. verklaart het door wederpartij] bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. van Hulst, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Van Hulst

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 november 2011

190-727.