Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU5433

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-11-2011
Datum publicatie
23-11-2011
Zaaknummer
201004293/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 februari 2010, kenmerk R08.0226, heeft de raad het bestemmingsplan "Zuidrand Linne" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.1
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2012/120

Uitspraak

201004293/1/R4.

Datum uitspraak: 23 november 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellanten sub 1] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 1]), wonend te Linne, gemeente Maasgouw,

2. [appellant sub 2], wonend te Maasbracht, gemeente Maasgouw,

3. de vennootschap onder firma Fruitbedrijf Ravenburg V.O.F. (hierna: Fruitbedrijf Ravenburg), gevestigd te Linne, gemeente Maasgouw,

4. [appellant sub 4], wonend te Linne, gemeente Maasgouw,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Maasgouw,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 februari 2010, kenmerk R08.0226, heeft de raad het bestemmingsplan "Zuidrand Linne" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 april 2010, [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 april 2010, Fruitbedrijf Ravenburg bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 april 2010, en [appellant sub 4] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 mei 2010, beroep ingesteld. [appellant sub 1] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 31 mei 2010. [appellant sub 2] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 31 mei 2010.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

[appellant sub 1], [appellant sub 2], Fruitbedrijf Ravenburg, en de raad hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 augustus 2011, waar [appellant sub 1], in persoon en bijgestaan door mr. Th.J.H.M. Linssen, advocaat te Tilburg, [appellant sub 2], in persoon en bijgestaan door mr. Th.J.H.M. Linssen, advocaat te Tilburg, Fruitbedrijf Ravenburg, vertegenwoordigd door E.C.M. Janssens en bijgestaan door mr. A.J. Likkel, [appellant sub 4], en de raad van de gemeente Maasgouw, vertegenwoordigd door mr. H.M.J.G. Neelis, C.G. Reumers-Hoeben en drs. O.A.M. Beckers, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Ruimte voor Ruimte Limburg Beheer B.V., vertegenwoordigd door mr. J.L. Stoop, advocaat te Roermond, gehoord.

Buiten bezwaren van partijen heeft Fruitbedrijf Ravenburg nog een stuk in het geding gebracht.

2. Overwegingen

Het plan

2.1. Het plan voorziet in de bouw van 26 Ruimte-voor-Ruimtewoningen ten zuidwesten van de kern van Linne. Het plangebied bestaat uit een gebied dat grenst aan de Ossenbergweg, waar zestien woningen zijn voorzien en uit een gebied dat grenst aan de Mergelweg, waar de overige woningen zijn voorzien. De plandelen in deze gebieden zijn bestemd voor "Wonen (W)" en "Verkeer (V)".

Belanghebbendheid

2.2. De raad stelt zich op het standpunt dat [appellant sub 2] en [appellant sub 4] geen belanghebbenden zijn bij het besluit. De afstand van de woning van [appellant sub 2] aan de [locatie A] te Maasbracht tot het plangebied bedraagt ongeveer 1000 meter en de afstand van de woning van [appellant sub 4] aan de [locatie B] te Linne tot het plangebied bedraagt ongeveer 240 meter. Deze afstanden zijn volgens de raad te groot om belanghebbendheid te kunnen aannemen.

2.3. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro), voor zover hier van belang, kan een belanghebbende bij de Afdeling beroep instellen tegen een besluit omtrent de vaststelling van een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

De wetgever heeft deze eis gesteld teneinde te voorkomen dat een ieder, in welke hoedanigheid ook, of een persoon met slechts een verwijderd of indirect belang als belanghebbende zou moeten worden beschouwd en beroep zou kunnen instellen. Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, dient een natuurlijk persoon een voldoende objectief en actueel, eigen, persoonlijk belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit.

2.3.1. De woning van [appellant sub 4] bevindt zich op een afstand van ruim 200 meter van het plangebied. Gelet op deze afstand en op het feit dat zich tussen zijn woning en het plangebied een woonwijk bevindt, waardoor zijn woning dus van het gebied waarop het plan betrekking heeft door bebouwing is afgeschermd, heeft hij geen zicht op het plangebied. Mede gelet op de aard en omvang van de ruimtelijke ontwikkelingen die in het door [appellant sub 4] bestreden plandeel mogelijk worden gemaakt is deze afstand naar het oordeel van de Afdeling te groot om een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang te kunnen aannemen. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat [appellant sub 4] geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat ondanks deze afstand een objectief en persoonlijk belang van hem rechtstreeks door het besluit zou worden geraakt. Een louter subjectief gevoel van betrokkenheid bij een besluit, hoe sterk dat gevoel ook is, is daarvoor niet voldoende.

De conclusie is dat [appellant sub 4] geen belanghebbende is bij het bestreden besluit als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb en dat hij daartegen geen beroep kan instellen.

Het beroep van [appellant sub 4] is niet-ontvankelijk.

2.3.2. [appellant sub 2] woont weliswaar op een afstand van 1000 meter van het plangebied, maar hij exploiteert een tuinbouwbedrijf op een afstand van ongeveer 40 meter van het plangebied. Anders dan de raad kennelijk meent volgt uit artikel 1:2, eerste lid, van de Awb niet dat slechts personen die dichtbij of in het plangebied wonen kunnen worden aangemerkt als belanghebbenden als bedoeld in dit artikel. [appellant sub 2] heeft een rechtstreeks belang nu hij zijn bedrijf op een afstand van ongeveer 40 meter van het plangebied exploiteert. [appellant sub 2] kan derhalve worden aangemerkt als belanghebbende bij het besluit als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.

Intrekken beroepsgronden

2.4. Ter zitting hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] de gronden over de procedurele gang van zaken en de aanduiding "milieuzone-spuitzone" ingetrokken.

Provinciaal beleid

2.5. [appellant sub 1], [appellant sub 2] en Fruitbedrijf Ravenburg betogen dat de raad het plan in strijd met het provinciaal ruimtelijk beleid, zoals neergelegd in het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2006 (hierna: POL), heeft vastgesteld. Zo wordt volgens hen in het POL op deze locatie verstening niet beoogd, moet een groenvoorziening zijn gegarandeerd en dient de bouw van compensatiewoningen aan te sluiten bij bebouwingsconcentraties. Het plan voorziet daar volgens hen ten onrechte niet in. Voorts bevat het POL een Ruimte-voor-Ruimte-regeling die niet in het plan is opgenomen, aldus [appellant sub 1], [appellant sub 2] en Fruitbedrijf Ravenburg.

2.5.1. Voor zover [appellant sub 1], [appellant sub 2] en Fruitbedrijf Ravenburg betogen dat het plan zich niet verdraagt met het POL, overweegt de Afdeling dat de raad bij vaststelling van een bestemmingsplan niet is gebonden aan provinciaal beleid. Wel dient de raad daarmee rekening te houden, hetgeen betekent dat dit beleid in de belangenafweging dient te worden betrokken.

2.5.2. In het POL is het plangebied aangewezen als perspectief 8 "Stedelijke ontwikkelingszone" (hierna: P8). Dat betekent dat woningbouw mogelijk is, mits de raad kan onderbouwen dat herstructurering, inbreiding of revitalisering van het bestaande stedelijke gebied geen oplossing kan bieden. De raad heeft in de plantoelichting uiteengezet dat deze mogelijkheden in de huidige kern van Linne niet of nauwelijks meer aanwezig zijn. Tevens heeft de raad toegelicht dat de in het plan beoogde woningbouw vooralsnog gedeeltelijk aansluit op de bestaande bebouwing, maar dat deze na uiteindelijke voltooiing van de nieuwe woonbuurt geheel zal aansluiten op de reeds bestaande bebouwing en dat rekening is gehouden met de Ruimte-voor-Ruimte-regeling in het POL. Met betrekking tot de groenvoorziening heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat het plan daarin weliswaar niet uitdrukkelijk voorziet, maar dat op de voor "Wonen" bestemde gronden tuinen en erven zijn toegestaan en aldus grote delen van de in het plangebied aanwezige kavels als tuin ingericht kunnen worden.

Uit de plantoelichting en de daarbij behorende bijlagen volgt verder dat in het voortraject van de totstandkoming van het plan overleg als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening heeft plaatsgevonden tussen het college van burgemeester en wethouders en de betrokken diensten van de provincie. De provincie heeft in een reactie te kennen gegeven - zo volgt uit bijlage 5 bij de plantoelichting - dat het plan geen aanleiding geeft tot het maken van opmerkingen. Gelet op het voorgaande is er geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in zoverre onvoldoende rekening heeft gehouden met het provinciaal beleid.

Ontwikkelingsvisie Linne-Zuid

2.6. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] stellen dat het bestreden besluit er toe zal leiden dat nagenoeg alle akkers in het deelgebied dat wordt aangeduid met "de akker" dienen plaats te maken voor woningbouw. Dat is volgens hen in strijd met de doelstelling van de Ontwikkelingsvisie Linne-Zuid 2006 (hierna: de ontwikkelingsvisie). [appellant sub 1], [appellant sub 2] en Fruitbedrijf Ravenburg zijn van mening dat de raad het plan in strijd met de ontwikkelingsvisie heeft vastgesteld.

2.6.1. Het deelgebied dat wordt aangeduid met "de akker" ligt ten noord-westen van de Maasbrachterweg en bestaat voor het grootste deel uit een aaneengesloten complex van akkers. Uit de ontwikkelingsvisie volgt onder meer een keuze voor het behouden en versterken van de bestaande kwaliteiten van "de akker" door de ruimte van de akkers als geheel te benadrukken en de bestaande groene randen te behouden. Een van de doelstellingen daarbij is dat de kwaliteit van het deelgebied "de akker" zoveel mogelijk behouden blijft. Daarbij wordt gekozen - uitgaand van toekomstige woningbouw en sanering van het kassencomplex - voor een ontwikkelingsconcept waarbij "de akker" voor een belangrijk deel open blijft. De bebouwing dient zoveel mogelijk te worden geconcentreerd waardoor veel ruimte overblijft. Het is volgens de ontwikkelingsvisie de bedoeling dat eerst de zogenoemde pit wordt gerealiseerd om "de akker" zoveel mogelijk rondom de pit te laten doorlopen, zodat deze zowel vanuit de bestaande als de nieuwe bebouwing beleefbaar blijft.

2.6.2. Uit de plantoelichting volgt dat BRO Adviseurs in 2008 in aanvulling op de ontwikkelingsvisie het advies "Randvoorwaarden voor inrichting van "de akker" Linne-Zuid" heeft uitgebracht. Daarin worden de uitgangspunten uit de ontwikkelingsvisie verder uitgewerkt en zijn randvoorwaarden omschreven die in acht kunnen worden genomen bij de ontwikkeling van het deelgebied "de akker". De raad zet in de plantoelichting uiteen dat de uitgangspunten van dit advies in het stedenbouwkundig ontwerp van het bestemmingsplan zijn meegenomen. Dat komt de Afdeling - gelet op het bestreden besluit in samenhang bezien met de doelstelling van de ontwikkelingsvisie met betrekking tot het deelgebied "de akker" - niet onjuist voor. [appellant sub 1], [appellant sub 2] en Fruitbedrijf Ravenburg hebben met hetgeen zij hebben aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat de kwaliteit van het deelgebied "de akker" onvoldoende behouden zal blijven. Gelet hierop faalt het betoog.

Verkeersbewegingen

2.7. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] vrezen dat het plan zal leiden tot een toename van het aantal verkeersbewegingen, hetgeen overlast tot gevolg zal hebben.

2.7.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het aantal verkeersbewegingen dat het plan tot gevolg heeft niet dusdanig zal zijn dat ten gevolge hiervan ernstige overlast is te verwachten.

2.7.2. Het beroep van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] met betrekking tot de verkeersbewegingen ziet op het westelijke plandeel nabij de Ossenbergweg, waar zestien woningen zijn voorzien.

Volgens het deskundigenbericht rijdt op de Ossenbergweg in de huidige situatie voornamelijk bestemmingsverkeer en is sprake van een zeer lage verkeersintensiteit. Uitgaande van kentallen van CROW zal het realiseren van zestien woningen volgens het deskundigenbericht maximaal 160 verkeersbewegingen per dag genereren. Het meeste verkeer zal zich in de richting van de zuidelijk gelegen Maasbrachterweg begeven, waardoor het verkeer slechts van de eerste 150 meter van de Ossenbergweg gebruik zal maken. De verkeerstoename kan volgens het deskundigenbericht derhalve zonder problemen worden opgevangen. De Afdeling ziet in hetgeen door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] is aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het deskundigenbericht op dit punt niet kan worden gevolgd. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen sprake is van een dusdanige toename van het aantal verkeersbewegingen dat hieraan doorslaggevend gewicht diende te worden toegekend.

Geur

2.8. [appellant sub 1] en Fruitbedrijf Ravenburg exploiteren fruitteeltbedrijven en [appellant sub 2] exploiteert een tuinbouwbedrijf in de directe nabijheid van het plangebied. Zij stellen dat de mogelijke gevolgen van geurhinder - met name door het uitrijden van mest - voor het woon- en leefklimaat van de toekomstige bewoners van de woningen in het plangebied onvoldoende is bezien. De raad heeft volgens hen bovendien bij de vaststelling van het plan onvoldoende rekening gehouden met hun bedrijfsbelangen. [appellant sub 1], [appellant sub 2] en Fruitbedrijf Ravenburg vrezen als gevolg van de realisering van het plan in hun bedrijfsvoering te worden beperkt.

2.8.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het uitrijden van mest een incidentele activiteit is en dat de gevolgen daarvan met betrekking tot geurhinder niet zodanig zijn dat voor de toekomstige bewoners van de woningen in het plangebied geen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

2.8.2. Het uitrijden van mest is volgens het deskundigenbericht voor fruitboomkwekers een incidentele activiteit die plaatsvindt bij aanplant van nieuwe bomen. Wanneer de percelen voor tuinbouw worden aangewend, zal vaker mest worden geïnjecteerd. Dat is het geval op het perceel van [appellant sub 2], waar hij onder meer asperges verbouwt, maar niet op de percelen van [appellant sub 1] en Fruitbedrijf Ravenburg. De geurhinder vanwege de bedrijven is volgens het deskundigenbericht niet zodanig dat deze gevolgen heeft voor het woon- en leefklimaat van de toekomstige bewoners van de te realiseren woningen in het plangebied. Het is volgens het deskundigenbericht evenmin aannemelijk dat realisering van het plan tot beperking van de bedrijfsvoering van betrokkenen zal leiden. In hetgeen [appellant sub 1], [appellant sub 2] en Fruitbedrijf Ravenburg hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het deskundigenbericht op dit punt niet kan worden gevolgd. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de geurhinder vanwege de bedrijven niet zodanig is dat geen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor de toekomstige bewoners van de woningen in het plangebied en dat realisering van het plan niet tot beperking van de bedrijfsvoering van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en Fruitbedrijf Ravenburg zal leiden.

Geluid

2.9. [appellant sub 1], [appellant sub 2] en Fruitbedrijf Ravenburg vrezen ook anderszins in hun bedrijfsvoering te worden beperkt, omdat als gevolg van het plan woningen dichtbij hun bedrijven zullen komen te staan. De activiteiten op hun percelen, zoals het laden en afvoeren van fruit, het gebruik van knalapparatuur voor het verjagen van vraatschade veroorzakende dieren en een beregeningsinstallatie, zullen volgens hen door de korte afstand tot de voorziene woningen leiden tot een hoge geluidbelasting. De raad had volgens hen doorslaggevende betekenis moeten toekennen aan hun bedrijfsbelangen.

2.9.1. De woning aan de Ossenbergweg 16 en een aantal woningen aan de Linnerweg en aan de Mergelweg zijn volgens de raad maatgevend voor de geluidbelasting vanwege de bedoelde activiteiten. Het realiseren van de woningen die in het nabijgelegen plangebied zijn voorzien, zal daar volgens de raad geen verandering in brengen, omdat deze woningen op gelijke afstand of verder weg zullen liggen dan voornoemde maatgevende woningen. De raad stelt zich op het standpunt dat de gevolgen van het plan niet zodanig zijn dat een belemmering in de bedrijfsvoering van de bedrijven in de nabijheid van het plangebied is te verwachten. Bovendien zijn volgens de raad stille alternatieven denkbaar voor het verjagen van vraatschade veroorzakende dieren.

2.9.2. In de gemeente Maasgouw wordt voor het gebruik van knalapparatuur het beleid zoals weergegeven in de notitie "verantwoord gebruik van geluidsapparatuur ter voorkoming van schade aan vruchten en gewassen" van april 2010 (hierna: het beleid) gehanteerd. Aan de hand van dit beleid kan de gemeente bepalen of een bedrijf een ontheffing krijgt als bedoeld in artikel 4.6 van de Algemene plaatselijke verordening Maasgouw 2010 (hierna: de APV).

2.9.3. Ter zitting is gebleken dat onbetwist is dat in 2010 alleen een eenmalige ontheffing voor het gebruik van knalapparatuur is aangevraagd en verleend aan [appellant sub 1]. Fruitbedrijf Ravenburg maakt geen gebruik van knalapparatuur, maar zet het jagen in als middel tegen vraatschade. Gelet op het voorgaande, en mede in aanmerking genomen dat er stille alternatieven bestaan voor het verjagen van vraatschade veroorzakende dieren, zoals onder meer het plaatsen van netten, het inzetten van een valkenier en het plaatsen van plastic roofvogels, is er geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het gebruik van knalapparatuur niet een zodanig bedrijfsbelang betreft dat hieraan doorslaggevend gewicht diende te worden toegekend.

2.9.4. Ter zitting is gebleken dat, hoewel [appellant sub 1] en [appellant sub 2] beschikken over een put voor het onttrekken van grondwater, voor het gebruik van een beregeningsinstallatie tot nu toe geen ontheffing, als bedoeld in artikel 4.6 van de APV, is aangevraagd. Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat ook aan dit aspect geen doorslaggevend gewicht behoefde te worden toegekend.

2.9.5. Voorts geeft hetgeen [appellant sub 1], [appellant sub 2] en Fruitbedrijf Ravenburg hebben gesteld over het laden en afvoeren van fruit geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat in zoverre voldoende rekening is gehouden met de bedrijfsbelangen van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en Fruitbedrijf Ravenburg.

Spuitzone

2.10. [appellant sub 1], [appellant sub 2] en Fruitbedrijf Ravenburg vrezen voor beperking van hun bedrijfsvoering en een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat voor toekomstige bewoners vanwege het gebruik van bestrijdingsmiddelen op hun nabij het westelijke deel van het plangebied gelegen percelen. Daartoe voeren zij onder meer aan dat in het plan ten onrechte een spuitzone wordt gehanteerd van slechts tien meter, hetgeen betekent dat het plan op een afstand van tien meter vanaf een fruitboomgaard de aanleg van tuinen en bebouwing mogelijk maakt. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 15 augustus 2007 in zaaknr. 200605022/1 betogen zij dat de raad het vaststellen van de spuitzone niet had mogen baseren op het onderzoek van MWH van 2 januari 2009, "Vaststelling veilige zone", kenmerk M08AO462 (hierna: onderzoek van MWH), omdat in dat onderzoek ten onrechte het zogenoemde Gaussisch pluimmodel is gehanteerd. Verder menen zij dat bij het onderzoek naar de gevolgen van de spuitactiviteiten in de fruitboomgaarden ten onrechte geen rekening is gehouden met onder meer het bestrijdingsmiddel dat wordt gebruikt bij appelteelt en dat evenmin rekening is gehouden met de cumulatieve effecten van verschillende bestrijdingsmiddelen, zodat in zoverre niet is uitgegaan van een zogenoemd 'worst-case'-scenario. Tevens heeft de raad miskend dat ook in tuinen bij woningen sprake moet zijn van een goed woon- en leefklimaat, aldus Fruitbedrijf Ravenburg. Fruitbedrijf Ravenburg heeft ter onderbouwing van haar beroepsgronden het rapport "Vaststellen veilige zone rondom de fruitpercelen van [fruitteler] in Linne" van 13 juli 2009, opgesteld door Fruitconsult, overgelegd.

2.10.1. De raad stelt zich op het standpunt dat een afstand van tweeëndertig meter vanaf de betrokken fruitboomgaarden tot de in het plan voorziene woningen, of een afstand van tien meter vanaf de betrokken fruitboomgaarden tot de in het plan voorziene woningen, op voorwaarde dat de fruitboomgaarden zijn afgeschermd door een (winter)groene windhaag, in dit geval voldoende is om het risico van blootstelling aan bestrijdingsmiddelen tot een aanvaardbaar niveau te beperken.

2.10.2. Er zijn geen wettelijke bepalingen inzake de minimaal aan te houden afstanden tussen boomgaarden waarin met bestrijdingsmiddelen kan worden gespoten en nabijgelegen burgerwoningen en tuinen. Dit neemt niet weg dat in het kader van een bestemmingsplan de aan te houden afstand tussen fruitteeltbedrijven en gevoelige bestemmingen zodanig dient te worden gekozen dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van die bestemmingen kan worden gegarandeerd.

2.10.3. De beroepsgronden met betrekking tot de spuitzone zien op het westelijk deel van het plangebied, dat grenst aan de Ossenbergweg. Het plan maakt het mogelijk woningen en tuinen te realiseren op een afstand van tien meter van de fruitboomgaard van [appellant sub 1]. Ook de gronden waarop [appellant sub 2] en Fruitbedrijf Ravenburg hun bedrijf uitoefenen bevinden zich dichtbij dit deel van het plangebied.

2.10.4. De raad heeft zich bij zijn besluitvorming met betrekking tot de spuitzone gebaseerd op het onderzoek van MWH. In dat onderzoek is uitgegaan van het spuiten met één standaard bestrijdingsmiddel dat door de meeste kwekers in de kersenteelt wordt gebruikt. In het onderzoek van MWH is vermeld dat het plan het telen van andere fruitsoorten weliswaar mogelijk maakt, maar dat de mogelijke gevolgen daarvan met betrekking tot het gebruik van andere bestrijdingsmiddelen niet zijn onderzocht. In het onderzoek van MWH is derhalve geen rekening gehouden met bestrijdingsmiddelen die worden gebruikt bij de teelt van appels, terwijl evenmin rekening is gehouden met de cumulatieve effecten van het gebruik van verschillende bestrijdingsmiddelen. In zoverre is in het onderzoek van MWH niet uitgegaan van een 'worst-case'-scenario.

2.10.5. Verder volgt uit de uitspraak van 15 augustus 2007 in zaaknr. 200605022/1 dat tuinen bij woningen beschermenswaardig zijn. Ook dit heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling miskend.

2.10.6. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de raad zijn standpunt, dat het in dit geval voldoende is een afstand aan te houden van tweeëndertig meter vanaf de betrokken fruitboomgaarden tot de in het plan voorziene woningen, of van tien meter tussen de dichtst bij het plangebied gelegen boomgaard waarop mag worden gespoten, onder de voorwaarde dat de fruitboomgaarden zijn afgeschermd door een (winter)groene windhaag van de gronden waarop de aanleg van tuinen en woonbebouwing mogelijk wordt gemaakt, niet heeft gebaseerd op toereikend onderzoek. Bovendien merkt de Afdeling op dat, nog daargelaten of volgens recent onderzoek door het aanbrengen van afschermende voorzieningen, zoals een (winter)groene windhaag, kan worden gewaarborgd dat zich geen schadelijke effecten voor de volksgezondheid voordoen, het plan niet voorziet in een waarborg dat deze voorzieningen worden aangebracht. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 1], [appellant sub 2] en Fruitbedrijf Ravenburg hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat het westelijk deel van het plangebied nabij de Ossenbergweg met de bestemmingen "Wonen" en Verkeer" betreft, is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.

Conclusie

2.11. Het beroep van [appellant sub 4] is niet-ontvankelijk. De beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en Fruitbedrijf Ravenburg zijn gedeeltelijk gegrond, zodat het bestreden besluit voor zover dat ziet op het westelijk gebied nabij de Ossenbergweg met de bestemmingen "Wonen" en "Verkeer", wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb dient te worden vernietigd.

In hetgeen [appellant sub 1], [appellant sub 2], en Fruitbedrijf Ravenburg voor het overige hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bestreden besluit, voor zover dat ziet op het oostelijk deel van het plangebied, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Hun beroepen zijn voor het overige ongegrond.

2.12. De raad van de gemeente Maasgouw dient ten aanzien van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en Fruitbedrijf Ravenburg op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van [appellant sub 4] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 4] niet-ontvankelijk;

II. verklaart de beroepen van [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] en de vennootschap onder firma Fruitbedrijf Ravenburg V.O.F. gedeeltelijk gegrond;

III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Maasgouw van 4 februari 2010, kenmerk R08.0226, voor zover dat ziet op het westelijk deel van het plangebied nabij de Ossenbergweg met de bestemmingen "Wonen" en "Verkeer";

IV. verklaart de beroepen van [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] en de vennootschap onder firma Fruitbedrijf Ravenburg V.O.F. voor het overige ongegrond;

V. veroordeelt de raad van de gemeente Maasgouw tot vergoeding aan appellanten van in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van:

a. € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro) voor [appellanten sub 1], geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan de een bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

b. € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro) voor [appellant sub 2], geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

c. € 3474,00 (zegge: vierendertighonderdvierenzeventig euro), voor firma Fruitbedrijf Ravenburg V.O.F., waarvan € 874,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat de raad van de gemeente Maasgouw aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van:

a. € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellanten sub 1], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

b. € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 2];

c. € 298,00 (zegge: tweehonderdachtennegentig euro) voor de vennootschap onder firma Fruitbedrijf Ravenburg V.O.F.

Aldus vastgesteld door mr. J.G.C. Wiebenga, voorzitter, en drs. W.J. Deetman en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van staat.

w.g. Wiebenga w.g. Klein Nulent

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 november 2011

218-632.