Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU5431

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-11-2011
Datum publicatie
23-11-2011
Zaaknummer
201102586/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 januari 2009 heeft het college het verzoek van [appellant] om vergoeding van planschade afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 49
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2012/163

Uitspraak

201102586/1/H2.

Datum uitspraak: 23 november 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant sub 1] en [appellant sub 2] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), wonend te Vught,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 12 januari 2011 in zaak nr. 09/4401 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Vught.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 januari 2009 heeft het college het verzoek van [appellant] om vergoeding van planschade afgewezen.

Bij besluit van 3 september 2009 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 januari 2011, verzonden op 17 januari 2011, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 februari 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 28 maart 2011.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 oktober 2011, waar [appellant], bijgestaan door mevrouw mr. D. Heuker of Hoek, advocaat te Waalre, en het college, vertegenwoordigd door mr. P.W. Elfring en mevrouw L.P.M. Thijssen, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), zoals dit artikel luidde ten tijde hier van belang en voor zover hier van belang, kent het college, voor zover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van de bepalingen van een besluit omtrent vrijstelling krachtens artikel 17 of 19 van de WRO schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

2.2. [appellant] heeft verzocht om vergoeding van planschade die hij stelt te lijden door de krachtens artikel 19, eerste lid, van de WRO op 11 januari 2006 verleende vrijstelling van het bestemmingsplan "Vijverhof, herziening 1982" (hierna: het bestemmingsplan). Deze vrijstelling voorzag in de bouw van een verpleeg- en verzorgingsgebouw, waar zich op de begane grond een verpleegafdeling met algemene ruimtes bevindt en op de eerste en tweede verdieping 57 zorgwoningen. Het college heeft de aanvraag, overeenkomstig het advies van de stichting Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken van november 2008, bij besluit van 20 januari 2009, zoals gehandhaafd bij besluit van 3 september 2009, afgewezen, omdat, gelet op de Structuurvisie Vught 2005 (hierna: structuurvisie) van 21 mei 1992, deze planologische wijziging volgens het college ten tijde van de aankoop door [appellant] van de woning gelegen aan de [locatie] te Vught voorzienbaar was.

2.3. Niet in geschil is dat [appellant] ten gevolge van de vrijstelling in een planologisch nadeliger situatie is komen te verkeren waardoor hij schade lijdt. In geschil is de vraag of de door hem geleden schade voor zijn rekening dient te blijven, omdat de wijziging van het planologische regime voorzienbaar was.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de planologische wijziging ten westen van zijn perceel, bestemd voor de bouw van een vrijstaand woonhuis, ten tijde van de aankoop op 4 augustus 2000 voorzienbaar was.

[appellant] voert daartoe aan dat de structuurvisie niet kan worden aangemerkt als een concreet beleidsvoornemen waaruit de planologische wijziging in volle omvang kon worden afgeleid. Dit blijkt volgens hem ook uit de omstandigheid dat aan deze visie sinds 1992 geen uitvoering is gegeven. Voorts wijst [appellant] erop dat volgens deze visie reguliere gestapelde woningbouw was voorzien, hetgeen wezenlijk anders is dan een verpleeg- en verzorgingsgebouw.

2.4.1. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraak van 2 december 2009 in zaak nr. 200902002/1/H2) dient de voorzienbaarheid van een planologische wijziging te worden beoordeeld aan de hand van het antwoord op de vraag, of ten tijde van de aankoop van de onroerende zaak voor een redelijk denkend en handelend koper aanleiding bestond om rekening te houden met de kans dat de planologische situatie ter plaatse in ongunstige zin zou veranderen. Daarbij dient rekening te worden gehouden met concrete beleidsvoornemens die openbaar zijn gemaakt. Voor voorzienbaarheid is niet vereist dat een dergelijk beleidsvoornemen een formele status heeft.

2.4.2. Gelet op onder meer de mededeling in Het Klaverblad op 3 juli 1991, is aannemelijk dat de structuurvisie ter inzage heeft gelegen in het gemeentelijk informatiecentrum en aldus ter openbare kennis is gebracht. De stelling van [appellant] dat aan de structuurvisie ten tijde van de aankoop van zijn woning geen uitvoering was gegeven, zodat hij ervan uit mocht gaan dat het een slapend plan was waarmee hij tijdens de aankoop van zijn perceel geen rekening hoefde te houden, is onjuist, reeds omdat de structuurvisie gelet op de naamgeving van deze visie zag op een periode tot en met 2005. Derhalve diende [appellant] rekening te houden met een planologisch ongunstiger situatie.

2.4.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 9 augustus 2006 in zaak nr. 200509420/1) dient een redelijk denkende en handelende koper in het kader van voorzienbaarheid van een planologische verslechtering bij de aanduiding 'woningen' en 'woongebied' rekening te houden met alle woonvormen die in een enigszins omvangrijke woonwijk denkbaar zijn. Dit is slechts anders als de bestemming wonen nader is uitgewerkt in specifieke planvoorschriften.

2.4.4. Op de kaarten Structuurvisie gemeente Vught en Schets ruimtelijke ontwikkeling Vught 2005, behorende bij de structuurvisie, staat het gebied ten westen van het perceel van [appellant] concreet aangeduid als 'toekomstig woongebied' onderscheidenlijk 'woningbouwlokatie'. In de structuurvisie is niet omschreven wat onder deze begrippen moet worden verstaan. Anders dan in de uitspraak van 11 augustus 2010 in zaak nr. 201000154/1/H2 waren ten tijde van de aankoop van het perceel door [appellant] op de gronden ten westen van zijn perceel geen planvoorschriften van kracht waarmee een nadere invulling aan deze begrippen is gegeven. In de structuurvisie en de toelichting daarop is gewezen op de toenemende vergrijzing, met name in de oudere leeftijdscategorie├źn, binnen de gemeente Vught. Daardoor had een redelijk denkend en handelend koper er mede rekening mee moeten houden dat voor bewoners in dit toekomstige woongebied woningen zouden worden gerealiseerd waaraan in meer of mindere mate een zorg- of verpleegfunctie is gekoppeld. De rechtbank heeft terecht overwogen dat [appellant], hoewel het woonzorgcomplex op zichzelf niet voorzienbaar was, er rekening mee had moeten houden dat onder 'toekomstig woongebied' en 'woningbouwlocatie' ook wonen in een woonzorgcomplex zou kunnen worden begrepen. Daarbij is van belang dat gestapelde woningbouw en gestapelde woningen met daarin een zorgfunctie wat betreft hun ruimtelijke uitstraling niet wezenlijk verschillen.

Het betoog faalt.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. J.H. van Kreveld en mr. A. Hammerstein, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, ambtenaar van staat.

w.g. Slump w.g. Poot

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 november 2011

362-705.