Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU5430

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-11-2011
Datum publicatie
23-11-2011
Zaaknummer
201103214/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 mei 2010 heeft de burgemeester bepaald dat de demonstratie die een groep krakers op 18 mei 2010 wenste te houden op het Plein te Den Haag diende te worden gehouden op de Koekamp in Den Haag.

Wetsverwijzingen
Wet openbare manifestaties
Wet openbare manifestaties 5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2012/24

Uitspraak

201103214/1/H3.

Datum uitspraak: 23 november 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Utrecht,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 1 februari 2011 in zaak nr. 10/6840 in het geding tussen:

[appellant]

en

de burgemeester van Den Haag.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 mei 2010 heeft de burgemeester bepaald dat de demonstratie die een groep krakers op 18 mei 2010 wenste te houden op het Plein te Den Haag diende te worden gehouden op de Koekamp in Den Haag.

Bij besluit van 17 augustus 2010 heeft de burgemeester het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 1 februari 2011, verzonden op 2 februari 2011, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 maart 2011, hoger beroep ingesteld.

De burgemeester heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 november 2011, waar [appellant], bijgestaan door mr. M.J.F. Stelling, advocaat te Zeist, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. A.S. Imanse en drs. J.B. Ludwig, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 10, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM), voor zover thans van belang, heeft een ieder recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen.

Ingevolge het tweede lid kan de uitoefening van deze vrijheden, daar zij plichten en verantwoordelijkheden met zich brengt, worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, territoriale integriteit of openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, heeft een ieder recht op vrijheid van vreedzame vergadering en op vrijheid van vereniging, met inbegrip van het recht met anderen vakverenigingen op te richten en zich bij vakverenigingen aan te sluiten voor de bescherming van zijn belangen.

Ingevolge het tweede lid, voor zover thans van belang, mag de uitoefening van deze rechten aan geen andere beperkingen worden onderworpen dan die, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, voor de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

Ingevolge artikel 13 heeft een ieder wiens rechten en vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld, zijn geschonden, recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel voor een nationale instantie, ook indien deze schending is begaan door personen in de uitoefening van hun ambtelijke functie.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Wet openbare manifestaties kan de burgemeester naar aanleiding van een kennisgeving voorschriften en beperkingen stellen of een verbod geven.

2.2. [appellant] heeft bij e-mail van 14 mei 2010 kennis gegeven van een betoging op 18 mei 2010 op het Plein te Den Haag vanwege de plenaire behandeling van het wetsvoorstel inzake de Wet kraken en leegstand door de Eerste Kamer.

Bij het besluit van 17 mei 2010 heeft de burgemeester bepaald dat deze demonstratie op de Koekamp diende te worden gehouden. Aan de niet-ontvankelijkverklaring van het daartegen gemaakte bezwaar heeft de burgemeester ten grondslag gelegd dat [appellant] geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het bezwaar, nu het wetsvoorstel inzake de Wet kraken en leegstand inmiddels door de Eerste Kamer is aangenomen en [appellant] te kennen heeft gegeven bij demonstraties van krakers niet meer als contactpersoon te zullen optreden. Verder heeft de burgemeester zich op het standpunt gesteld dat gestelde principiële onjuistheid van een besluit onvoldoende is om belang aan te nemen. Voorts heeft hij zich op het standpunt gesteld dat [appellant] door de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar niet een daadwerkelijk rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 van het EVRM wordt onthouden, aangezien de opgelegde beperking voorafgaand aan de demonstratie door de voorzieningenrechter is getoetst.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat artikel 13 van het EVRM niet is geschonden door de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar. Hij voert aan dat hij belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het bezwaar, omdat dat zou kunnen leiden tot vaststelling van een schending van de door de artikelen 10 en 11 van het EVRM beschermde rechten, waarmee wordt bijgedragen aan bescherming van die rechten en aan rechtsherstel. Verder voert hij aan dat de rechtbank heeft miskend dat de behandeling van een verzoek om voorlopige voorziening in dit geval niet voldoet aan artikel 13 van het EVRM, nu de voorzieningenrechter slechts een voorlopig oordeel kan geven.

2.3.1. Onder verwijzing naar de uitspraak van 26 januari 2011 in zaak nr. 201005335/1/H3 overweegt de Afdeling dat uit het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) van 11 januari 2007 in de zaak Salah Sheekh tegen Nederland, nr. 1948/04 (AB 2007, 76), kan worden afgeleid dat in beginsel aan de vereisten van artikel 13 van het EVRM is voldaan wanneer een vermeende schending van het EVRM is voorgelegd aan de voorzieningenrechter en hij daarover tijdig een beslissing heeft genomen. In de door [appellant] aangevoerde omstandigheden is geen grond gelegen voor het oordeel dat die zaak een zodanig uitzonderlijk geval betreft dat het vorenoverwogene daaruit niet kan worden afgeleid. [appellant] heeft de mogelijkheid gehad om een rechterlijk oordeel te verkrijgen over het besluit van de burgemeester dat de demonstratie die volgens zijn kennisgeving op 18 mei 2010 zou plaatsvinden op het Plein te Den Haag plaats diende te vinden op de Koekamp te Den Haag. Hiertoe kon hij na het indienen van een bezwaarschrift de voorzieningenrechter verzoeken een voorlopige voorziening te treffen. Van deze mogelijkheid heeft [appellant] ook gebruik gemaakt. De voorzieningenrechter heeft in zijn uitspraak van 18 mei 2010 materieel getoetst of de door de burgemeester opgelegde beperking van het recht op vrijheid van meningsuiting en het recht op vrijheid van vergadering gerechtvaardigd was. Artikel 13 van het EVRM is dan ook niet geschonden door het bezwaar van [appellant] nadien wegens het ontbreken van belang bij een inhoudelijke beoordeling daarvan niet-ontvankelijk te verklaren.

Het beroep op de uitspraak van het EHRM in de zaak Hasan en Chaush tegen Bulgarije, arrest van 26 oktober 2000, nr. 30985/96 (AB 2001, 183), leidt niet tot een ander oordeel, omdat in die zaak het Hooggerechtshof van Bulgarije weigerde de door Hasan en Chaush aangebrachte zaak te beoordelen omdat de ministerraad van Bulgarije ter zake volledige beslissingsvrijheid genoot, terwijl in deze zaak, zoals hiervoor uiteen is gezet, wel de mogelijkheid bestond om een rechterlijk oordeel te verkrijgen over het besluit van de burgemeester.

Artikel 13 van het EVRM staat er niet aan in de weg dat wordt geëist dat een partij nog enig reëel belang heeft bij de beoordeling van zijn bezwaa[appellant] kon, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, met zijn bezwaar niet meer bereiken dat alsnog op 18 mei 2010 op het Plein te Den Haag mocht worden gedemonstreerd. Daarnaast heeft de rechtbank terecht overwogen dat een belang gelegen kan zijn in de omstandigheid dat een soortgelijk geschil zich tussen dezelfde partijen in de toekomst kan voordoen en daarbij verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 25 februari 2009 in zaak nr. 200806587/1. [appellant] heeft evenwel niet aannemelijk gemaakt dat hij in de nabije toekomst wederom betrokken zal zijn bij een vergelijkbare demonstratie en dat daarbij eveneens dezelfde maatregelen zullen worden genomen. Daarbij heeft de rechtbank terecht in aanmerking genomen dat het wetsvoorstel inzake de Wet kraken en leegstand inmiddels door zowel de Tweede Kamer als de Eerste Kamer is aangenomen.

Het betoog faalt.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.A. Offers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. de Vries, ambtenaar van staat.

w.g. Offers w.g. De Vries

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 november 2011

582-640.