Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU5429

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-11-2011
Datum publicatie
23-11-2011
Zaaknummer
201104987/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 december 2008 heeft het college een verzoek van [verzoeker] om vergoeding van planschade afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 49
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:2
Algemene wet bestuursrecht 2:1
Algemene wet bestuursrecht 6:6
Algemene wet bestuursrecht 6:7
Algemene wet bestuursrecht 6:11
Algemene wet bestuursrecht 8:1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2012/162
OGR-Updates.nl 2011-12-13
ABkort 2011/455

Uitspraak

201104987/1/H2.

Datum uitspraak: 23 november 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante] en de erven [verzoeker], wonend te Epen, gemeente Gulpen-Wittem, en Mheer, gemeente Margraten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 21 maart 2011 in zaak nr. 09/616 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Gulpen-Wittem.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 december 2008 heeft het college een verzoek van [verzoeker] om vergoeding van planschade afgewezen.

Bij besluit van 10 maart 2009 heeft het college het door [verzoeker] en [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 maart 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het door [appellante] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 10 maart 2009 vernietigd voor zover daarbij [appellante] ontvankelijk is verklaard in haar bezwaar, het door [appellante] gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat de uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellante] en de erven [verzoeker], bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 april 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 30 mei 2011.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 november 2011, waar [appellante] en [één der erven verzoeker] in persoon, bijgestaan door mr. drs. H.M.G. Duijsters, advocaat te Maastricht, en het college, vertegenwoordigd door mr. A.M.A.J. Heijens-Ackermans, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. [appellante] betoogt dat de rechtbank, door te overwegen dat zij als huurder en bewoner van de woning [locatie] geen rechtstreeks belang heeft bij het besluit van 2 december 2008, heeft miskend dat volgens vaste rechtspraak van de Afdeling het begrip belanghebbende ruim moet worden uitgelegd. Onder verwijzing naar twee uitspraken van de Afdeling van 19 juli 2006 in de zaken nr. 200508584/1 en nr. 200510441/1 voert zij aan dat degene die een zakenrechtelijke of verbintenisrechtelijke relatie heeft met het perceel waarop een verzoek om vergoeding van planschade betrekking heeft, belanghebbende is bij het besluit op dat verzoek. Volgens haar volgt uit deze rechtspraak dat onder meer pachters en huurders belanghebbende zijn bij een dergelijk besluit.

2.1.1. Dit betoog faalt. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat [appellante] als huurder en bewoner van de woning [locatie] geen rechtstreeks belang heeft bij dat besluit. Daarbij is in aanmerking genomen dat alleen een eigenaar rechtstreeks in zijn belang kan worden getroffen door waardedaling van zijn woning ten gevolge van een planologische verandering. [verzoeker] heeft als eigenaar van de woning [locatie] in zijn aanvraag gesteld ten gevolge van een planologische verandering dergelijke schade te lijden. Anders dan [appellante] betoogt, geven de uitspraken van 19 juli 2006 geen blijk van een andere rechtsopvatting, reeds omdat in die zaken geen vergoeding van planschade is gevraagd door een huurder van een woning, maar door een exploitant van gehuurde bedrijfsbebouwing onderscheidenlijk een pachter van grond en in die zaken vergoeding is gevraagd voor onder meer inkomens- en omzetschade.

2.2. De erven [verzoeker] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat [appellante] in haar hoedanigheid van executeur-testamentair mede namens hen beroep heeft ingesteld tegen het besluit van 10 maart 2009. Zij voeren aan dat de rechtbank ten onrechte de mededeling hiervan door [appellante] tijdens de tweede zitting op 26 januari 2011 in strijd heeft gevonden met de goede procesorde, omdat deze te laat is gedaan, en daarom aan die mededeling voorbij is gegaan. Zij wijzen erop dat zij reeds bij schrijven van 28 januari 2010 en 8 april 2010 documenten hebben overgelegd waaruit de hoedanigheid van [appellante] als executeur-testamentair van de erfenis van [verzoeker] blijkt.

2.2.1. Ook dit betoog faalt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraken van 29 augustus 2000 in zaak nr. 199903225/1, JB 2000/296, en 14 december 2005 in zaak nr. 200505203/1) brengt de in de artikelen 8:1 in samenhang met 6:7 en 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) neergelegde regeling van de beroepstermijn met zich dat de identiteit van degene voor wie beroep wordt ingesteld voor afloop van de beroepstermijn kenbaar moet zijn. Daarbij is overwogen dat de omstandigheid dat beroep wordt ingesteld namens een persoon van wie tijdens de beroepstermijn de identiteit niet kenbaar is, niet kan worden beschouwd als een vormverzuim dat op grond van artikel 6:6 van de Awb kan worden hersteld. In het beroepschrift van 21 april 2009 is vermeld dat mr. drs. H.M.G. Duijsters als gemachtigde van [appellante] beroep instelt tegen het besluit van 10 maart 2009, omdat eiseres zich met dit besluit niet kan verenigen. Daarin is de hoedanigheid van [appellante] als erfgenaam en executeur-testamentair niet vermeld en is evenmin vermeld dat mede beroep wordt ingesteld namens de erven [verzoeker]. Dit betekent dat de hoedanigheid van [appellante] als erfgenaam en executeur-testamentair niet tijdens de beroepstermijn is komen vast te staan. De bij de rechtbank in januari en april 2010 overgelegde documenten zijn in dit verband niet relevant, reeds omdat deze na afloop van de beroepstermijn zijn overgelegd.

2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. J.C. Kranenburg en mr. A. Hammerstein, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Oranje, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Oranje

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 november 2011

507.