Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU5427

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-11-2011
Datum publicatie
23-11-2011
Zaaknummer
201002481/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 december 2009 heeft de raad het bestemmingsplan "Kom Alphen 2009" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet geurhinder en veehouderij
Wet geurhinder en veehouderij 1
Wet geurhinder en veehouderij 3
Wet geurhinder en veehouderij 6
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2012/229
BR 2012/38

Uitspraak

201002481/1/R4.

Datum uitspraak: 23 november 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellante sub 1], gevestigd te Alphen, gemeente Alphen-Chaam,

2. [appellant sub 2], wonend te Alphen, gemeente Alphen-Chaam,

3. [appellante sub 3 A], [appellante sub 3 B] en [appellante sub 3 C], gevestigd onderscheidenlijk wonend te Alphen, gemeente Alphen-Chaam, (hierna gezamenlijk in enkelvoud: [appellante sub 3]),

appellanten,

en

de raad van de gemeente Alphen-Chaam,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 december 2009 heeft de raad het bestemmingsplan "Kom Alphen 2009" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellante sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 maart 2010, [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 maart 2010, en [appellante sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 maart 2010, beroep ingesteld. [appellante sub 1] en [appellant sub 2] hebben hun beroepen aangevuld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 2] en [appellante sub 3] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 september 2011, waar [appellante sub 1], vertegenwoordigd door mr. R. Huijgens, werkzaam bij Krijger Advies B.V., [appellant sub 2], bijgestaan door mr. R. Huijgens, voornoemd, [appellante sub 3], bijgestaan door mr. R.A.J. Zomer, advocaat te Oosterhout, en de raad, vertegenwoordigd door ing. M.M.W. Pijpers, werkzaam bij de gemeente, en H.J.M. Marcus, werkzaam bij Marcus Consultancy B.V, zijn verschenen. Tevens zijn als derde-belanghebbenden verschenen [belanghebbenden].

Desgevraagd heeft de raad een nader stuk overgelegd.

2. Overwegingen

2.1. Het plan voorziet in een actuele juridisch-planologische regeling voor de bebouwde kom van Alphen.

Het beroep van [appellante sub 1]

2.2. [appellante sub 1] exploiteert aan de [locatie 1] te Alphen een boekhoudbureau en wenst een deel van het kantoorgebouw als woning te laten gebruiken door één van de aandeelhouders. Volgens [appellante sub 1] was dit onder het vorige bestemmingsplan "Chaamseweg (partiële herziening Speelveld)" toegestaan, maar onder het voorliggende plan niet. Volgens [appellante sub 1] heeft de raad onvoldoende gemotiveerd waarom medegebruik voor bewoning van het kantoorgebouw niet aanvaardbaar is.

2.2.1. De raad stelt dat het vorige bestemmingsplan slechts een dienstwoning toestond op de gronden van de balletstudio die is gevestigd aan de [locatie 2] en niet op de naastgelegen gronden van [appellante sub 1]. Dit blijkt volgens de raad zowel uit de toelichting als uit de plankaart waarop voor het betreffende plandeel slechts één dienstwoning is aangeduid. De raad acht het toelaten van bewoning van de gebouwen van [appellante sub 1] ongewenst, omdat dit voor het boekhoudbureau vanuit bedrijfsmatig oogpunt niet noodzakelijk is. Daarnaast zou bewoning tot overlast kunnen leiden. Tevens dreigt een ongewenste precedentwerking. Voorts kan uitbreiding van het aantal woningen alleen in overeenstemming met de gemeentelijke beleidsnota "Woonvisie 2005" (hierna: de Woonvisie) plaatsvinden. Hiervan is in dit geval geen sprake, aldus de raad.

2.2.2. Blijkens de verbeelding van het plan is aan de gronden aan de [locatie 1] de bestemming "Dienstverlening" toegekend. Aan de gronden aan de [locatie 2] is de bestemming "Dienstverlening" toegekend, met de aanduiding "wonen".

Ingevolge artikel 12.1 van de regels van het plan, voor zover hiervan belang, zijn de voor "Dienstverlening" aangewezen gronden bestemd voor:

a. publiekgerichte en niet-publiekgerichte dienstverlening;

(…)

c. ter plaatse van de aanduiding "wonen", wonen met een maximum van één woning per aanduidingsvlak, tenzij specifiek anders aangeduid;

(…).

Ingevolge artikel 1, eenennegentigste lid, wordt onder woning verstaan een (gedeelte van een) gebouw dat dient voor de zelfstandige huisvesting van maximaal één huishouden.

2.2.3. Blijkens de plankaart van het bestemmingsplan "Chaamseweg (partiële herziening Speelveld)" was aan de gronden waar [appellante sub 1] en de naastgelegen balletstudio zijn gevestigd, voor zover hier van belang, de bestemming "Dienstverlening" toegekend. Op de plankaart is één bouwvlak ingetekend met daarin opgenomen de aanduiding "dienstwoning toegestaan".

Ingevolge artikel 3, eerste lid, onder a en b, van de voorschriften van dat plan zijn de voor "Dienstverlening" aangewezen gronden bestemd voor:

a. zakelijke en maatschappelijke dienstverlening (…);

b. het wonen in een dienstwoning, doch uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ter zake op de kaart;

(…).

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder 13, wordt onder dienstwoning verstaan een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de bestemming noodzakelijk is.

2.2.4. Anders dan de raad veronderstelt blijkt uit de kaart van het bestemmingsplan "Chaamseweg (partiële herziening Speelveld)" en de onder 2.2.3 aangehaalde voorschriften niet dat de aanduiding "dienstwoning toegestaan" slechts betrekking had op de balletstudio aan de [locatie 2]. Immers, op de plankaart noch in de voorschriften werd een onderscheid gemaakt tussen de gronden van de balletstudio aan de [locatie 2] en de gronden van [appellante sub 1] aan de [locatie 1]. Dat uit de toelichting valt af te leiden dat was beoogd alleen bij de balletstudio een dienstwoning toe te staan, zoals de raad stelt, maakt dit niet anders, aangezien aan de toelichting geen bindende betekenis toekomt.

2.2.5. Het plan kent, anders dan het bestemmingsplan "Chaamseweg (partiële herziening Speelveld)", geen onderscheid tussen dienst- en burgerwoningen. In de planregels is tevens in tegenstelling tot het vorige plan niet het vereiste opgenomen dat de huisvesting noodzakelijk dient te zijn voor de bestemming "Dienstverlening". De raad heeft niet inzichtelijk gemaakt waarom een goede ruimtelijke ordening zich verzet tegen het op de gronden van [appellante sub 1] toestaan van bewoning. Dit klemt temeer nu de gronden van de naastgelegen balletstudio en de gronden van andere bedrijven met de bestemming "Dienstverlening" wel tevens voor woondoeleinden mogen worden gebruikt. Daarbij neemt de Afdeling mede in aanmerking dat de raad niet heeft onderbouwd waarom de Woonvisie in de weg staat aan het toestaan van de door [appellante sub 1] gewenste bewoning en de raad niet aannemelijk heeft gemaakt dat als gevolg van deze bewoning overlast zal ontstaan. Voor zover de raad ongewenste precedentwerking vreest, overweegt de Afdeling dat het plan reeds voorziet in een uitbreiding van de mogelijkheid te wonen bij een bedrijf, zodat niet valt in te zien dat het toestaan van bewoning op de gronden van [appellante sub 1] ongewenste precedentwerking tot gevolg zal hebben.

Gelet op het voorgaande heeft de raad niet deugdelijk gemotiveerd waarom het toestaan van bewoning op de gronden van [appellante sub 1] niet in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Het plan is in zoverre in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht vastgesteld. Het betoog slaagt.

Het beroep van [appellant sub 2]

2.3. De Afdeling begrijpt het beroep van [appellant sub 2], gelet op het verhandelde ter zitting, aldus dat hij van mening is dat bij de meest noordelijke woning op de zuidwestelijke hoek van de Goedentijd en de Beukenlaan geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gerealiseerd als gevolg van de geurbelasting veroorzaakt door zijn veehouderij. Hiertoe stelt [appellant sub 2] dat bij de desbetreffende woning de geurbelasting hoger is dan de op grond van de gemeentelijke Verordening geurhinder en veehouderij (hierna: de Geurverordening) toegestane 4 odour units per kubieke meter lucht (hierna: OU/m3).

2.3.1. De raad erkent dat de geurbelasting bij de desbetreffende woning hoger is dan op grond van de Geurverordening is toegestaan, maar stelt zich op het standpunt dat desondanks een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gerealiseerd. Hierbij verwijst de raad naar de geurgebiedsvisie en de daarin opgenomen tabel, waaruit volgens de raad volgt dat de geurbelasting bij de desbetreffende woning afweegbaar is. Volgens de raad is een verdere afweging of onderbouwing overbodig, waarbij hij verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 13 april 2011, zaaknr. 201004917/1/R3.

2.3.2. Blijkens de verbeelding van het plan is aan de op de zuidwestelijke hoek van de Goedentijd en de Beukenlaan gelegen gronden de bestemming "Woningen" toegekend met de aanduiding "vrijstaand". Niet in geschil is dat deze gronden zijn gelegen binnen de bebouwde kom in een concentratiegebied.

2.3.3. Ingevolge artikel 1 van de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: Wgv), zoals dat luidde ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, wordt als een geurgevoelig object aangemerkt een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, zoals dat luidde ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, wordt een vergunning voor een veehouderij geweigerd indien de geurbelasting van die veehouderij op een geurgevoelig object, gelegen binnen een concentratiegebied, binnen de bebouwde kom meer bedraagt dan 3,0 OU/m3.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, zoals dat luidde ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, kan bij gemeentelijke verordening worden bepaald dat binnen een deel van het grondgebied van de gemeente een andere waarde van toepassing is dan de desbetreffende waarde, genoemd in artikel 3, eerste lid, met dien verstande dat deze andere waarde binnen een concentratiegebied, binnen de bebouwde kom niet minder bedraagt dan 0,1 OU/m3 en niet meer dan 14,0 OU/m3.

2.3.4. Op 8 mei 2008 heeft de raad krachtens artikel 6, eerste lid, van de Wgv de Geurverordening vastgesteld waarin de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij voor geurgevoelige objecten in de bebouwde kom van Alphen is vastgesteld op 4 OU/m3 lucht. Aan de Geurverordening ligt de geurgebiedsvisie van de gemeente Alphen-Chaam van 2 april 2008 ten grondslag.

2.3.5. Zoals de Afdeling in de uitspraak van 7 oktober 2009, zaaknr. 200900801/1/R3, heeft overwogen, volgt uit het feit dat de voor veehouderijen toepasselijke norm wordt overschreden niet dat ter plaatse geen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

2.3.6. Tussen partijen is niet in geschil dat ter plaatse van de meest noordelijke woning op de zuidwestelijke hoek van de Goedentijd en de Beukenlaan zowel de achtergrondbelasting als de voorgrondbelasting ten gevolge van het bedrijf van [appellant sub 2] 5,5 OU/m3 bedraagt. Aldus wordt de op grond van de Geurverordening maximaal toegelaten geurbelasting overschreden.

2.3.7. De raad heeft ter onderbouwing van het standpunt dat ter plaatse desondanks een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gerealiseerd niet kunnen volstaan met de enkele verwijzing naar de geurgebiedsvisie. Hieruit blijkt namelijk niet van een beoordeling van het woon- en leefklimaat ter plaatse van het bestreden plandeel waarbij de geurbelasting veroorzaakt door het bedrijf van [appellant sub 2] is betrokken. Bovendien heeft de raad ten onrechte aangenomen dat de geurbelasting ter plaatse zodanig is dat volgens de geurgebiedsvisie sprake is van een afweegbaar geurniveau. De op de bijlagen 6 en 7 van de Handreiking bij de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: de Handreiking) gebaseerde tabel in de geurgebiedsvisie, waarnaar de raad verwijst, heeft alleen betrekking op de achtergrondbelasting. Volgens deze tabel is binnen de bebouwde kom het geurniveau acceptabel bij 0-6 OU/m3 en 0-8% geurgehinderden, afweegbaar bij 6-10 OU/m3 en 8-12% geurgehinderden en slecht vanaf 10 OU/m3 en 12% geurgehinderden. Volgens tabel B van bijlage 6 van de Handreiking hoort bij een voorgrondbelasting van 5,5 OU/m3 in een concentratiegebied een percentage geurgehinderden tussen de 12% en 14%. Bij een dergelijk percentage geurgehinderden is volgens de geurgebiedsvisie het geurniveau slecht en niet afweegbaar, zoals de raad heeft aangenomen. Anders dan de raad stelt, volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 13 april 2011, zaaknr. 201004917/1/R3, niet dat de raad ter onderbouwing van de mogelijkheid in een concrete situatie een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te realiseren, kan volstaan met de enkele verwijzing naar een geurgebiedsvisie, zonder dat daaruit blijkt van een beoordeling van de omstandigheden van het concrete geval.

Gelet op het voorgaande heeft de raad niet inzichtelijk gemaakt waarom ter plaatse van de meest noordelijke woning op de zuidwestelijke hoek van de Goedentijd en de Beukenlaan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gerealiseerd. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. Het betoog slaagt.

Het beroep van Sportcentrum [appellante sub 3]

2.4. [appellante sub 3] exploiteert aan [locatie 3] te Alphen een overdekt sportcentrum met tennis-, squash- en badmintonbanen, een zaalvoetbalveld, volleybalvelden en een ballet- en sportstudio. [appellante sub 3] wenst het sportcentrum op termijn te vervangen door woningen en heeft de raad verzocht hiervoor een regeling in het plan op te nemen. De raad heeft dit verzoek volgens [appellante sub 3] ten onrechte afgewezen. Verder betoogt [appellante sub 3] dat de raad handelt met een oneigenlijk oogmerk, omdat hij door op deze wijze zijn bevoegdheid te gebruiken overheidsgerelateerde bouwprojecten beschermt tegen concurrentie. Daarnaast is het plan in strijd met de rechtszekerheid, nu de gemeente, gelet op de brief van 22 oktober 2009, [appellante sub 3] in onzekerheid laat over het verlenen van medewerking aan de realisering van woningen op haar gronden. Ten slotte hanteert de raad volgens [appellante sub 3] jegens haar voor de planning van woningen maatstaven die afwijken van de maatstaven die de raad hanteert voor de naast het sportcentrum gelegen gronden waar nu een gymzaal is gevestigd.

2.4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat met het plan slechts is beoogd de bestaande situatie vast te leggen en geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk te maken. De raad acht woningbouw op de locatie van het sportcentrum momenteel niet wenselijk, omdat deze locatie stedenbouwkundig gezien vooral geschikt is voor woningen in het duurdere segment. Deze passen niet in de woningbouwplanning van de gemeente. Ten slotte weerspreekt de raad dat op de gronden gelegen naast het sportcentrum woningbouw gepland zou zijn.

2.4.2. Blijkens de verbeelding van het plan is aan de gronden van [appellante sub 3] de bestemming "Recreatie" toegekend.

Ingevolge artikel 17.1 van de planregels, kort weergegeven en voor zover hier van belang, zijn de voor "Recreatie" aangewezen gronden bestemd voor intensieve recreatie, sportvoorzieningen en vrijetijdsvoorzieningen.

Ingevolge artikel 1, dertigste lid, wordt onder extensieve recreatie verstaan die vormen van recreatie die in hoofdzaak zijn gericht op natuur- en landschapsbeleving.

Ingevolge het zevenenveertigste lid wordt onder intensieve recreatie verstaan vormen van recreatie die niet worden begrepen onder extensieve recreatie.

Ingevolge het zesenzeventigste lid wordt onder sportvoorzieningen verstaan voorzieningen ten behoeve van de uitoefening van sporten.

Ingevolge het zesentachtigste lid wordt onder vrijetijdsvoorzieningen verstaan voorzieningen ten behoeve van de besteding van de vrije tijd, niet zijnde horeca.

Ingevolge artikel 17.2 mogen op de in artikel 17.1 bedoelde gronden uitsluitend bouwwerken ten dienste van de genoemde bestemmingsomschrijving worden gebouwd.

2.4.3. [appellante sub 3] heeft ter onderbouwing van haar stelling dat de raad handelt met een oneigenlijk oogmerk, door zijn bevoegdheid om het bestemmingsplan vast te stellen te gebruiken om overheidsgerelateerde bouwprojecten te beschermen tegen concurrentie, slechts verwezen naar het standpunt van de raad dat het soort woningen waarvoor de raad de locatie van het sportcentrum geschikt acht op dit moment niet goed kan worden ingepast in de woningbouwplanning van de gemeente. Niet valt in te zien dat uit dit standpunt van de raad blijkt dat hij zijn bevoegdheid tot het vaststellen van het bestemmingsplan heeft gebruikt voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is verleend en zo heeft gehandeld in strijd met artikel 3:3 van de Algemene wet bestuursrecht. Immers, de Wet ruimtelijke ordening kent aan de raad de bevoegdheid toe ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening de bestemmingen van gronden aan te wijzen en de planning van de woningbouw in de gemeente is een omstandigheid die in het kader van een goede ruimtelijke ordening van belang is bij de besluitvorming over het al dan niet toestaan van woningbouw.

2.4.4. Voor zover in het plan woningen zijn toegestaan op de gronden gelegen in de omgeving van [appellante sub 3] betreft het vrijstaande woningen met tuinen. Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de gronden van [appellante sub 3] uit stedenbouwkundig oogpunt met name daarvoor geschikt zijn. [appellante sub 3] heeft onvoldoende weersproken dat de woningbouwplanning van de gemeente niet in een toename van dergelijke woningen voorziet. Aldus bestaat geen grond voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen afzien van het opnemen van een regeling in het plan die woningbouw op de gronden van [appellante sub 3] mogelijk maakt.

2.4.5. Uit de onder 2.5.2 aangehaalde planregels blijkt ondubbelzinnig dat op de gronden van [appellante sub 3] geen woningbouw is toegestaan, zodat niet valt in te zien dat het plan op dit punt onvoldoende rechtszekerheid biedt. Overigens is de brief van 22 oktober 2009, wat van de inhoud daarvan ook zij, afkomstig van het college en kan deze niet aan de raad worden toegerekend. Aldus bestaat geen grond voor het oordeel dat de raad het bestemmingsplan heeft vastgesteld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.

2.4.6. Blijkens de verbeelding van het plan is aan de ten westen van het sportcentrum gelegen gronden de bestemming "Maatschappelijk" toegekend, zonder nadere aanduiding.

Ingevolge artikel 16.1 van de planregels, kort weergegeven, zijn de als "Maatschappelijk" aangewezen gronden bestemd voor maatschappelijke voorzieningen, wonen voor zover op de plankaart de aanduiding "woning" is opgenomen, met een maximum van één woning binnen het bouwvlak en een school, uitsluitend ter plaatse van de nadere aanduiding "onderwijs".

Ingevolge artikel 16.2 mogen op de in artikel 16.1 bedoelde gronden uitsluitend bouwwerken ten dienste van de genoemde doeleinden worden gebouwd.

2.4.6.1. Op de gronden gelegen ten westen van het sportcentrum is een gymzaal gevestigd. Uit de verbeelding en de aangehaalde planregels volgt dat op deze gronden geen woningbouw is toegestaan. Het betoog van [appellante sub 3] dat de raad afwijkende maatstaven hanteert voor de planning van woningen op deze gronden mist feitelijke grondslag en kan reeds om deze reden niet slagen.

Algemene conclusie

2.5. De beroepen van [appellante sub 1] en [appellant sub 2] zijn gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Dienstverlening" aan de [locatie 1], en met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Wonen" aan de zuidwestelijke hoek van de Goedentijd en de Beukenlaan zoals nader aangeduid op de bij deze uitspraak horende kaart.

Het beroep van [appellante sub 3] is ongegrond.

2.6. De raad dient ten aanzien van [appellante sub 1] en [appellant sub 2] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van [appellante sub 3] bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen van [appellante sub 1] en [appellant sub 2] gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Alphen-Chaam van 17 december 2009 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Kom Alphen 2009", voor zover dat ziet op:

a. het plandeel met de bestemming "Dienstverlening", voor zover die bestemming is toegekend aan de gronden aan de [locatie 1];

b. het plandeel met de bestemming "Wonen", voor zover die bestemming is toegekend aan de gronden aan de zuidwestelijke hoek van de Goedentijd en de Beukenlaan zoals nader aangeduid op de bij deze uitspraak horende kaart;

III. verklaart het beroep van [appellante sub 3 A], [appellante sub 3 B] en [appellante sub 3 C] ongegrond;

IV. veroordeelt de raad van de gemeente Alphen-Chaam tot vergoeding van bij [appellante sub 1] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro);

veroordeelt de raad van de gemeente Alphen-Chaam tot vergoeding van bij [appellant sub 2] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro);

V. gelast dat de raad van de gemeente Alphen-Chaam aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 297,00 (zegge: tweehonderdzevenennegentig euro) voor [appellante sub 1] en € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 2] vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins-de Vin en mr. E. Helder, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.L.J. Drouen, ambtenaar van staat.

w.g. Drupsteen w.g. Drouen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 november 2011

375-717.

<HR>

Plankaart