Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU5424

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-11-2011
Datum publicatie
23-11-2011
Zaaknummer
201100480/1/H4
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBUTR:2010:BO8359, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 september 2008 heeft het college aan [vergunninghouder] bouwvergunning verleend voor het oprichten van een machineberging en hooi- en stro-opslag op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201100480/1/H4.

Datum uitspraak: 23 november 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant sub 1] en [appellant sub 2] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellanten]), wonend te [woonplaats], gemeente Wijk bij Duurstede,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 2 december 2010 in zaak nr. 09/1224 in het geding tussen:

[appellanten]

en

het college van burgemeester en wethouders van Wijk bij Duurstede.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 september 2008 heeft het college aan [vergunninghouder] bouwvergunning verleend voor het oprichten van een machineberging en hooi- en stro-opslag op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 23 maart 2009 heeft het college het door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 december 2010, verzonden op 9 december 2010, heeft de rechtbank het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 23 maart 2009 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 januari 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 9 februari 2011.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft [vergunninghouder] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellanten] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 september 2011, waar [appellanten], in persoon en bijgestaan door mr. M.J.G.H. Verviers, advocaat te IJsselstein, en het college, vertegenwoordigd door mr. A.E.G. Sanders en S. Meeusen, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghouder] verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied 2003" rust op het perceel de bestemming "agrarisch gebied met landschapswaarden". Het perceel heeft de nadere aanduiding "P" (paardenhouderij).

Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn de op de plankaart als zodanig aangewezen gronden bestemd voor:

a. de bedrijfsuitoefening van grondgebonden agrarische bedrijven;

c. de bedrijfsuitoefening van een paardenhouderij, zonder rijhal of kantine;

met de daarbij behorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouw zijnde en andere werken.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder 6, wordt onder "agrarisch bedrijf" verstaan: een bedrijf dat geheel of overwegend gericht is op het bedrijfsmatig voortbrengen van producten door het telen van gewassen en/of het fokken of houden van dieren, met uitzondering van paardenhouderijen.

2.2. [appellanten] betoogt dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand heeft gelaten. Daartoe voert hij aan de rechtbank ten onrechte voldoende aannemelijk heeft geacht dat het bouwplan ten dienste staat van een agrarisch bedrijf.

Hij stelt in dit verband dat rechtbank haar oordeel onder meer heeft gebaseerd op een veetelling van het college, die het college zelf niet aan het besluit van 23 maart 2009 ten grondslag heeft gelegd.

2.2.1. Dit betoog faalt. Geen rechtsregel verzet zich ertegen dat de rechtbank aan haar oordeel dat het bedrijf van [vergunninghouder] een agrarisch bedrijf in de zin van de planvoorschriften is, en dat in verband daarmee de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen blijven, andere gegevens ten grondslag heeft gelegd dan die aan het vernietigde besluit ten grondslag zijn gelegd.

2.3. [appellanten] betoogt voorts dat de rechtbank onvoldoende heeft onderzocht of het bedrijf van [vergunninghouder] geheel of overwegend is gericht op agrarische activiteiten, zodat het als agrarisch bedrijf in de zin van de planvoorschriften kan worden aangemerkt. Volgens [appellanten] heeft de rechtbank ten onrechte niet bezien of de op het perceel plaatsvindende handel in haardhout de hoofdactiviteit vormt en de agrarische activiteiten daaraan ondergeschikt zijn. [appellanten] stelt in dit verband dat de agrarische activiteiten de afgelopen jaren zijn verminderd en de handel in haardhout is toegenomen en dat deze handel thans de hoofdactiviteit vormt.

2.3.1. [appellanten] heeft de juistheid van de veetellingen en landbouwtellingsgegevens, die de rechtbank ten grondslag heeft gelegd aan haar oordeel, niet inhoudelijk betwist. De rechtbank is er terecht van uitgegaan dat op het perceel bedrijfsmatig dieren worden gehouden of gefokt en in zoverre agrarische activiteiten worden uitgevoerd.

Verder is ter zitting onweersproken door het college gesteld dat ten behoeve van de handel in haardhout op het perceel een oppervlakte van circa 50 m2 is gebruik is. Daargelaten de vraag of deze activiteit van betekenis is bij het bepalen of de agrarische activiteiten kunnen worden gekwalificeerd als agrarisch bedrijf in de zin van de planvoorschriften, moet de handel in haardhout, reeds gelet op deze oppervlakte en de ruimtelijke uitstraling, ondergeschikt worden geacht aan de agrarische activiteiten die op het perceel plaatsvinden.

De rechtbank heeft aldus met juistheid geoordeeld dat het bedrijf van [vergunninghouder] overwegend is gericht op het bedrijfsmatig houden of fokken van dieren als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder 6, van de planvoorschriften. Nu voorts geen aanleiding bestaat om aan te nemen dat het bouwplan niet ten dienste staat van de agrarische activiteiten, kon in artikel 6, eerste lid, van de planvoorschriften geen grond worden gevonden om de bouwvergunning te weigeren.

Het betoog faalt.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Van der Maesen de Sombreff

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 november 2011

190-727.