Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU5417

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-11-2011
Datum publicatie
23-11-2011
Zaaknummer
201106540/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 april 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Kom Beneden-Leeuwen" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201106540/1/R2.

Datum uitspraak: 23 november 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Beneden-Leeuwen, gemeente West Maas en Waal,

appellant,

en

de raad van de gemeente West Maas en Waal,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 april 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Kom Beneden-Leeuwen" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 juni 2011, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 15 juni 2011.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 oktober 2011, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. J.H. Hartman, en de raad, vertegenwoordigd door H.T.M. den Boer, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. [appellant] kan zich er niet mee verenigen dat het gebied met daarin zijn perceel, dat grenst aan het plangebied, buiten het plan is gelaten. Hij voert hiervoor aan dat zijn belangen zijn geschaad en zijn rechtszekerheid in het geding is nu de raad van plan was om meer gebruiksmogelijkheden toe te kennen ten aanzien van zijn perceel. De motivering om bedoelde gronden buiten het plan te houden acht [appellant] onvoldoende. Hij stelt voorts dat ten onrechte artikel 20 (lees: 21) van de planregels is aangepast ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan. Verder betoogt [appellant] dat het opnemen van de bedrijvenlijst 2009 in het vastgestelde plan in plaats van de lijst van 2007 waarschijnlijk negatieve gevolgen voor hem heeft.

2.2. De raad heeft naar voren gebracht dat aan het plan het uitgangspunt ten grondslag ligt gronden te bestemmen overeenkomstig de geldende bestemmingsplannen en dat, waar het feitelijk gebruik afwijkt van de geldende bestemming, een belangenafweging dient plaats te vinden of overeenkomstig dit feitelijke gebruik bestemd kan worden. De raad heeft zich in zijn vaststellingsbesluit op het standpunt gesteld dat over het gebied dat ten opzichte van het ontwerpplan buiten het plangebied is gelaten onder meer door ingediende zienswijzen zodanige onduidelijkheden zijn gerezen dat het wenselijk is om meer onderzoek te doen naar de mogelijkheden van dit gebied. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat dit onderzoek mede nodig is vanwege een in de nabijheid gelegen Natura 2000 gebied, zodat rekening gehouden moet worden met de cumulatieve effecten van ontwikkelingen in de nabijheid daarvan. In zijn verweerschrift geeft de raad voorts aan dat de voorbereidingen voor een afzonderlijke herziening voor het betreffende gebied reeds een aanvang hebben genomen, zodat het mogelijk is om op relatief korte termijn een afgewogen bestemmingsplan vast te stellen. De planning is om in 2012 de procedure hiervoor te starten.

2.3. Het beroep van [appellant] moet worden opgevat als zijnde gericht tegen de begrenzing van het plan. Dienaangaande wordt overwogen dat gelet op de systematiek van de Wet ruimtelijke ordening de raad in beginsel een grote mate van beleidsvrijheid toekomt bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening of anderszins in strijd met het recht. In hetgeen [appellant] aanvoert ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Zij neemt daarbij in aanmerking dat tussen het buitendijkse gebied dat buiten het plan gehouden is en de aangrenzende gronden binnen het plangebied niet een zodanige ruimtelijke samenhang bestaat dat dit gebied hierom in het plan opgenomen had moeten worden. Voorts is niet in geschil dat de geldende bestemming van het perceel van [appellant] niet meer op haar plaats is. De door de raad genoemde onduidelijkheden maken het echter aannemelijk dat het wenselijk is om nader onderzoek te doen alvorens over te gaan tot het vaststellen van een nieuw bestemmingsplan voor het betreffende gebied.

Gelet hierop kan het niet opnemen van het perceel van [appellant] in het plan in overeenstemming met het voor dit plan gehanteerde uitgangspunt geacht worden en kan [appellant] dan ook niet worden gevolgd in zijn betoog dat de raad zijn besluit in zoverre ondeugdelijk heeft gemotiveerd. Verder heeft de raad aannemelijk gemaakt dat de belangen van [appellant] niet onevenredig zijn geschaad nu het gemeentebestuur reeds begonnen is met de voorbereidingen van een afzonderlijke planherziening voor het betreffende gebied.

2.4. Voor zover [appellant] heeft willen betogen dat het vertrouwensbeginsel geschonden is, overweegt de Afdeling dat de raad de bevoegdheid heeft om een bestemmingsplan in afwijking van het ontwerp vast te stellen. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat door of namens de raad verwachtingen zijn gewekt dat het plan in een bestemming voor het buitendijkse gebied zou voorzien. De raad heeft het plan op dit punt derhalve niet in strijd met het vertrouwensbeginsel vastgesteld.

2.5. Waar [appellant] aanvoert dat artikel 21 van de planregels ten onrechte is aangepast en een verkeerde bedrijvenlijst aan het plan is toegevoegd, overweegt de Afdeling dat dit betoog uitgaat van de veronderstelling dat het buitendijkse gebied in het plan is of dient te worden opgenomen. Nu uit bovenstaande overwegingen blijkt dat deze veronderstelling onjuist is, kan aan dit betoog voorbijgegaan worden.

2.6. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de plangrens strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.W.L. Simons-Vinckx, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.P. de Rooy, ambtenaar van staat.

w.g. Simons-Vinckx w.g. De Rooy

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 november 2011

59-723.