Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU5408

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-11-2011
Datum publicatie
23-11-2011
Zaaknummer
201104422/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 april 2008 heeft de minister de rijksbijdrage middelbaar beroepsonderwijs voor het Noorderpoortcollege voor het jaar 2008 definitief vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2012/93

Uitspraak

201104422/1/H2.

Datum uitspraak: 23 november 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 28 februari 2011 in zaken nrs. 10/682,10/683,10/684 en 10/685 in het geding tussen:

het college van bestuur van het Noorderpoortcollege gevestigd te Groningen, gemeente

en

de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, thans de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de minister)

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 april 2008 heeft de minister de rijksbijdrage middelbaar beroepsonderwijs voor het Noorderpoortcollege voor het jaar 2008 definitief vastgesteld.

Bij besluit van 25 september 2008 heeft de minister de bij besluit van 17 april 2008 vastgestelde rijksbijdrage aangepast, in verband met een aantal maatregelen.

Bij besluit van 1 oktober 2008 heeft de minister de rijksbijdrage middelbaar beroepsonderwijs voor het Noorderpoortcollege voor het jaar 2009 definitief vastgesteld.

Bij besluit van 14 november 2008 heeft de minister, onder intrekking van het besluit van 1 oktober 2008, de rijksbijdrage middelbaar beroepsonderwijs voor het Noorderpoortcollege voor het jaar 2009 opnieuw vastgesteld.

Bij besluit van 19 december 2008 heeft de minister de rijksbijdrage middelbaar beroepsonderwijs voor het Noorderpoortcollege voor het jaar 2008 nader aangepast. Bij brief van dezelfde datum heeft de minister het besluit nader gemotiveerd.

Bij onderscheiden besluiten van 26 mei 2010 heeft de minister de door het Noorderpoortcollege tegen voormelde besluiten gemaakte bezwaren opnieuw deels gegrond en voor het overige ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 februari 2011, verzonden op 8 maart 2011, heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, de door het Noorderpoortcollege tegen de besluiten van 26 mei 2010 ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat de minister opnieuw dient te beslissen op de door het Noorderpoortcollege gemaakte bezwaren met inachtneming van deze uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 april 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 10 mei 2011.

Ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank heeft de minister bij besluiten van 21 april 2011 de door het Noorderpoortcollege tegen de besluiten van 17 april 2008, 25 september 2008, 1 oktober 2008, 14 november 2008 en 19 december 2008 gemaakte bezwaren gegrond verklaard.

Het Noorderpoortcollege heeft een verweerschrift ingediend.

Het Noorderpoortcollege heeft beroepen ingesteld bij de rechtbank tegen de besluiten van 21 april 2011.

Bij brief van 18 juli 2011 heeft het Noorderpoortcollege te kennen gegeven dat hij zich niet met de besluiten van 21 april 2011 kan verenigen.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 oktober 2011, waar de minister, vertegenwoordigd door mrs. H.J. Minkhorst, B.J. de Koning en M.D. Cossee-Gosschalk, allen werkzaam bij de Dienst Uitvoering Onderwijs van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, en het Noorderpoortcollege, vertegenwoordigd door mr. J.J.J. Heeringa en J. Greijdanis, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 9a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet verzelfstandiging Informatiseringsbank, voor zover hier van belang, is er een basisregister onderwijs (hierna: het Bron), dat ten doel heeft de minister gegevens te verstrekken ten behoeve van de bekostiging van scholen en instellingen.

Ingevolge artikel 9b, eerste lid, aanhef en onder e, zijn in het Bron de persoonsgebonden nummers van de deelnemers aan een beroepsopleiding die zijn ingeschreven of ingeschreven zijn geweest aan een uit 's Rijks kas bekostigde instelling als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs (hierna: de Web), tezamen met de andere gegevens, genoemd in artikel 2.5.5a, tweede en zevende lid, van de Web opgenomen.

Ingevolge artikel 1.3.1, tweede lid, van de Web, zoals die gold vanaf 1 oktober 2008, heeft het regionaal opleidingencentrum dat daarvoor op grond van artikel 2.1.3, eerste en tweede lid, in aanmerking komt, aanspraak op bekostiging uit 's Rijks kas voor het verzorgen van beroepsopleidingen die op de voet van artikel 2.1.1 voor bekostiging in aanmerking komen.

Ingevolge artikel 2.1.1, eerste lid, komt, onverminderd de artikelen 1.3.2a en 1.3.3 een beroepsopleiding van een instelling voor bekostiging in aanmerking indien de minister voor die opleiding eindtermen heeft vastgesteld en de rechten, genoemd in artikel 1.3.1, ten aanzien van die opleiding niet zijn ontnomen op grond van artikel 6.1.4.

Ingevolge artikel 2.2.1, eerste lid, voor zover thans van belang, wordt de rijksbijdrage voor het beroepsonderwijs waarop de in artikel 1.3.1 bedoelde aanspraak betrekking heeft, binnen het raam van de door de begrotingswetgever beschikbaar gestelde middelen, per instelling berekend aan de hand van een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgestelde berekeningwijze.

Ingevolge artikel 2.2.2, eerste lid, bevat de in artikel 2.2.1 bedoelde berekeningswijze voor elke instelling en elke opleiding gelijke geldende maatstaven.

Ingevolge het tweede lid voorzien de maatstaven in bekostiging aan de hand van:

a. de instroom van deelnemers, en

b. het aantal deelnemers en examendeelnemers dat een diploma als bedoeld in artikel 7.4.6 heeft behaald.

Ingevolge artikel 2.2.4, eerste lid, voor zover thans van belang, maakt de minister aan elke instelling jaarlijks in september bekend welke rijksbijdrage voor het daarop volgende jaar wordt verstrekt.

Ingevolge het vierde lid worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere voorschriften gegeven met betrekking tot de uitvoering van paragraaf 1 'Bekostiging' van titel 2 'Bekostiging beroepsonderwijs'. Deze voorschriften hebben in elk geval betrekking op aard, inrichting en wijze van verstrekking van gegevens met betrekking tot de deelnemers.

Ingevolge het vijfde lid gaan de in het vierde lid bedoelde gegevens die op enigerlei wijze een rol spelen in de berekeningswijze, bedoeld in artikel 2.2.2, vergezeld van een verklaring omtrent de getrouwheid, afgegeven door een door het bevoegd gezag aangewezen accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Deze gegevens en de verklaring worden ingediend voor een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen tijdstip.

Ingevolge artikel 2.5.5a, eerste lid, kan het bevoegd gezag het persoonsgebonden nummer van een deelnemer aan een beroepsopleiding gebruiken in het verkeer met de deelnemer op wie het nummer betrekking heeft, of, indien de deelnemer minderjarig is, met de ouders, voogden of verzorgers van deze deelnemer.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder d, verstrekt het bevoegd gezag het persoonsgebonden nummer van iedere deelnemer aan een beroepsopleiding aan de Informatie Beheer Groep (hierna: de IBG), tezamen met de leerweg.

Ingevolge het derde lid, voor zover thans van belang, kunnen bij ministeriële regeling regels worden gesteld omtrent de wijze van verstrekking van de gegevens bedoeld in het tweede lid.

Ingevolge artikel 2.5.5b, eerste lid, voor zover thans van belang, neemt de IBG de door het bevoegd gezag verstrekte persoonsgebonden nummers en andere gegevens, bedoeld in artikel 2.5.5a, tweede en zevende lid, op in het Bron nadat zij deze gegevens heeft getoetst op juistheid en volledigheid. De IBG verstrekt de gegevens, inclusief de gegevens, bedoeld in artikel 9b, eerste lid, onderdeel g, van de Wet verzelfstandiging Informatiseringsbank, zoals zij voornemens is die gegevens in het Bron op te nemen, aan het bevoegd gezag. Onverminderd de derde volzin van artikel 2.5.5c, eerste lid, kan de IBG de door het bevoegd gezag verstrekte gegevens uitsluitend met instemming van het bevoegd gezag wijzigen.

Ingevolge het tweede lid verstrekt het bevoegd gezag de IBG alle inlichtingen die zij nodig acht voor de uitvoering van de taak bedoeld in het eerste lid. Het bevoegd gezag werkt eraan mee dat de in het Bron opgenomen gegevens juist en volledig zijn.

Ingevolge artikel 2.5.5c, eerste lid verstrekt de IBG uit het Bron aan de minister de gegevens inzake beroepsonderwijs die de minister nodig heeft voor de bekostiging van instellingen en de begrotings- en beleidsvoorbereiding. Voor zover de door het bevoegd gezag aan de IBG verstrekte gegevens naar het oordeel van de minister onjuist of onvolledig zijn, kan de minister ten behoeve van de vaststelling van de bekostiging van deze gegevens afwijken. De IBG neemt in dat geval de door de minister vastgestelde gewijzigde gegevens op in het Bron, nadat het desbetreffende besluit tot vaststelling van de bekostiging onherroepelijk is geworden.

De ministeriële regeling, bedoeld in artikel 2.5.5a, derde lid, van de Web is de Regeling gegevensverstrekking met persoonsgebonden nummer BVE (Stcrt. 15 december 2006, nr. 245, blz. 23; hierna: de Regeling).

Ingevolge artikel 2, voor zover hier van belang, verstrekt de instelling de gegevens bedoeld in artikel 2.2.5a, tweede lid, van de Web, overeenkomstig de nadere specificatie zoals opgenomen in de bijlage bij deze regeling.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, verstrekt het bevoegd gezag de gegevens, bedoeld in artikel 2, via elektronische weg aan de IBG.

Ingevolge het tweede lid, maakt het bevoegd gezag bij de verstrekking van de gegevens gebruik van de technische specificaties, zoals opgenomen in het Programma van Eisen.

Ingevolge het derde lid bepaalt de IBG, indien het bevoegd gezag door de IBG niet in staat wordt geacht de gegevens langs elektronische weg te verstrekken, in overleg met het bevoegd gezag op welke wijze de verstrekking kan plaatsvinden.

2.2. De minister heeft, voor zover thans nog van belang, bij het vaststellen van de rijksbijdragen 2008 en 2009 geweigerd om over de betreffende jaren, deelnemers die stonden ingeschreven voor de opleiding Horeca Ondernemer Café / Bar en Fastfood, met code 10386 in het Centraal register beroepsopleidingen (crebo) (hierna ook: de deelnemers), voor bekostiging in aanmerking te laten komen.

Bij besluiten van 11 december 2008, 23 december 2008, 25 februari 2009 en 30 maart 2009 heeft de minister, voor zover thans nog van belang, de door het Noorderpoortcollege gemaakte bezwaren tegen het niet voor bekostiging in aanmerking brengen van de deelnemers, ongegrond verklaard. Hij heeft daaraan ten grondslag gelegd dat de voor bekostiging benodigde gegevens niet op de juiste wijze elektronisch zijn aangeleverd, nu de gegevens van de deelnemers niet zijn aangeleverd voor de gecombineerde opleidende leerweg en gecombineerde begeleidende leerweg (COL/CBL), in welk geval zij wel voor bekostiging in aanmerking zouden zijn gekomen, maar voor de beroepsopleidende leerweg en beroepsbegeleidende leerweg (BOL/BBL). Dat het niet mogelijk was om in het door het Noorderpoortcollege gebruikte automatiseringssysteem Peoplesoft SA versie 7.6 de gegevens van de deelnemers elektronisch aan te leveren voor de leerweg COL/CBL, komt volgens de minister voor rekening en risico van het Noorderpoortcollege, nu in versie 8.9 van Peoplesoft, dat toen reeds beschikbaar was, de gegevens wel konden worden aangeleverd, maar het Noorderpoortcollege er zelf voor heeft gekozen het automatiseringssysteem niet tijdig aan te passen.

De rechtbank heeft bij uitspraak van 8 maart 2010 de daartegen door het Noorderpoortcollege ingestelde beroepen gegrond verklaard en de besluiten op bezwaar wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht vernietigd, omdat deze onzorgvuldig waren voorbereid. Zij heeft daaraan ten grondslag gelegd dat de IBG de verstrekte gegevens in het Bron opneemt na deze te hebben getoetst op juistheid en volledigheid en nadat ze zijn voorgelegd aan het bevoegd gezag. De IBG is bevoegd tot wijziging van de op te nemen gegevens na toestemming van het bevoegd gezag. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank onverenigbaar dat de enkele onjuiste elektronische aanlevering van de gegevens, terwijl de IBG wist dat die onjuist waren, ook moet leiden tot een vastlegging van onjuiste gegevens in het Bron. De rechtbank wijst voorts op artikel 3, derde lid, van de Regeling, dat voorziet in de mogelijkheid om gegevens niet elektronisch aan te leveren, wanneer het bevoegd gezag daartoe niet in staat wordt geacht. Nu uit het dossier niet blijkt dat de IBG conform artikel 3, derde lid, van de Regeling heeft onderzocht of het Noorderpoortcollege niet in staat geacht moest worden om de gegevens elektronisch aan te leveren en evenmin welke criteria daarbij moesten worden gehanteerd, had de minister, naar het oordeel van de rechtbank, zich ervan moeten vergewissen of de IBG de door het Noorderpoortcollege verstrekte gegevens op juiste wijze heeft vastgesteld.

Bij besluiten van 26 mei 2010 heeft de minister, voor zover thans nog van belang, de door het Noorderpoortcollege gemaakte bezwaren tegen het bij de vaststelling van de rijksbijdragen 2008 en 2009 niet voor bekostiging in aanmerking brengen van de deelnemers, opnieuw ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij uitspraak van 28 februari 2011 de daartegen door het Noorderpoortcollege ingestelde beroepen gegrond verklaard en de besluiten van 26 mei 2010 vernietigd wegens strijd met artikel 3, derde lid, van de Regeling. Zij heeft daaraan ten grondslag gelegd dat het aan de IBG, en in bezwaar de minister, is om te beoordelen of het Noorderpoortcollege goede redenen had om de gegevens van de deelnemers niet elektronisch aan te leveren, waarbij de minister beoordelingsruimte toekomt. De rechtbank komt tot de slotsom dat de minister niet in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat het Noorderpoortcollege geen goede redenen heeft gehad om de gegevens van de deelnemers niet elektronisch aan te leveren. Zij heeft daarbij van belang geacht dat het Noorderpoortcollege tijdig aan de IBG te kennen heeft gegeven dat was gebleken dat hun software niet in staat was om de crebo-code voor één opleiding op de juiste wijze aan te leveren, nu de opleiding bestond uit een uitzonderlijke combinatie van opleidend en begeleidend onderwijs. Verder heeft de rechtbank van belang geacht dat het slechts één van de ongeveer driehonderd opleidingen betrof, die voor het overige allemaal wel met de aanwezige software correct konden worden aangeleverd, dat het vervangen van de bestaande software van het Noorderpoortcollege door een nieuwere versie een grote investering in tijd en geld met zich mee zou brengen en het een tijdelijk probleem betrof. Tot slot heeft zij van belang geacht dat is gebleken dat het voor de minister en de IBG niet op problemen zou stuiten om voor deze ene opleiding de crebo-code op een juiste wijze te implementeren in de gegevens die aan de financiering ten grondslag zouden worden gelegd. Het vorenstaande betekent volgens de rechtbank dat de minister artikel 3, derde lid, van de Regeling gebruikt om een beleid te voeren dat moet resulteren in een optimale verspreiding van de meest recente software onder de betrokken onderwijsinstellingen. Door op het niet conformeren aan dit beleid door de onderwijsinstelling de meest zware sanctie te zetten die denkbaar is, namelijk het niet bekostigen van de betrokken opleiding, heeft de minister volgens de rechtbank de bevoegdheid die hem in artikel 3, derde lid, van de Regeling is gegeven overschreden.

2.3. In hoger beroep is nog slechts in geschil of het Noorderpoortcollege verweten kan worden de vereiste gegevens betreffende de deelnemers aan de opleiding Horeca Ondernemer Café / Bar en Fastfood, met crebo-code 10386 in de jaren 2008 en 2009 niet op de door de minister verlangde wijze langs elektronische weg te hebben aangeleverd.

2.4. De minister betoogt dat de rechtbank ten onrechte geoordeeld heeft dat hij zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het Noorderpoortcollege verweten kan worden de vereiste gegevens niet op de door hem verlangde wijze langs elektronische weg te hebben aangeleverd en dat hij de in artikel 3, derde lid, van de Regeling neergelegde bevoegdheid overschreden heeft. Hij voert daartoe aan dat, samengevat weergegeven, het Noorderpoortcollege er zelf voor gekozen heeft niet te investeren in versie 8.9 van Peoplesoft, zodat het voor haar eigen rekening en risico komt dat hij de gegevens van de deelnemers niet op de juiste wijze elektronisch kon aanleveren. Een situatie als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Regeling doet zich volgens hem dan ook niet voor.

2.4.1. Het betoog slaagt. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 2.5.5a van de Web (Kamerstukken II 1997/98, 25 828, nr. 3, blz. 4) volgt dat het in het onderwijs ingevoerde persoonsgebonden nummer dient als basis voor de verstrekking van bekostigingsgegevens door scholen. Het bevoegd gezag verstrekt ingevolge artikel 2.5.5a, tweede lid, van de Web dit nummer, tezamen met een groot aantal gegevens van de deelnemer, aan de IBG. Deze verstrekking dient ingevolge artikel 3, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 2 van de Regeling, langs elektronische weg te gebeuren. Verstrekking op andere wijze kan slechts plaatsvinden, indien het bevoegd gezag door de IBG niet in staat wordt geacht tot verstrekking langs elektronische weg. De Afdeling is, anders dan de rechtbank heeft overwogen, van oordeel dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het Noorderpoortcollege verweten kan worden de voor bekostiging van de deelnemers vereiste gegevens niet op de door hem verlangde wijze langs elektronische weg te hebben aangeleverd en derhalve geen grond bestaat voor het oordeel dat het Noorderpoortcollege niet in staat moet worden geacht de in artikel 2.5.5a bedoelde gegevens langs elektronische weg te verstrekken. Daartoe wordt in aanmerking genomen dat de op grond van artikel 2.5.5a, tweede lid, van de Web verstrekte gegevens met ingang van 2006 zijn gebruikt om de hoogte van de bekostiging waar instellingen voor beroepsonderwijs voor in aanmerking komen, te kunnen vaststellen. Aan de invoering van het persoonsgebonden nummer is een periode van schaduwdraaien vooraf gegaan. In die periode dienden de voor bekostiging vereiste gegevens reeds langs elektronische weg te worden verstrekt. Naar het Noorderpoortcollege ter zitting heeft verklaard, heeft hij in die periode zelf ondervonden dat per 1 oktober 2005 het aanleveren van de gegevens van de deelnemers aan de opleiding Horeca Ondernemers Café/Bar en Fastfood, met crebo-code 10386, voor de leerweg COL/CBL door middel van de door haar gebruikte versie van Peoplesoft, niet lukte. Desondanks is er, naar eigen zeggen uit kostenoverweging, voor gekozen de gebruikte software toen niet aan te passen. Dat betekent dat het voor rekening en risico van het Noorderpoortcollege komt dat hij de gegevens van de deelnemers niet - op om voor bekostiging in aanmerking te komen juiste wijze - elektronisch kon aanleveren. Dat het Noorderpoortcollege, naar hij ter zitting uiteen heeft gezet, aanvankelijk niet wist dat het niet op juiste wijze aanleveren van de gegevens van de deelnemers aan de opleiding Horeca Ondernemers Café/Bar en Fastfood, met als crebo-code 10386, voor de leerweg COL/CBL ertoe zou leiden dat die deelnemers niet voor bekostiging in aanmerking kwamen, doet daaraan niet af. Evenmin leidt het gegeven dat met het aanpassen van de software veel tijd zou zijn gemoeid tot het oordeel dat het Noorderpoortcollege niet in staat zou zijn geweest de gegevens langs elektronische weg te verstrekken. Niet gebleken is immers, dat het Noorderpoortcollege bij een tijdig aanwenden van financiële middelen voor de vereiste aanpassing van de software, niet in staat zou zijn geweest de gegevens op de vereiste wijze aan te leveren. Daarbij zij er op gewezen dat die aanpassing naderhand ook heeft plaatsgevonden.

Bij de beoordeling of een instelling niet in staat kan worden geacht de deelnemersgegevens langs elektronische weg aan te leveren is, anders dan de rechtbank heeft overwogen, niet van belang dat het gaat om een tijdelijk probleem dat zich bovendien slechts voordoet bij één enkele opleiding van één instelling. Dit is hier te minder het geval, nu, naar ter zitting is gebleken, de opleiding Horeca Ondernemers Café/Bar en Fastfood, met als crebo-code 10386, voor de leerweg COL/CBL door ten minste één andere instelling wordt verzorgd en die instelling, naar de minister ter zitting onweersproken heeft gesteld, in staat is gebleken haar software tijdig aan te passen en de gegevens op de juiste manier elektronisch aan de IBG te verstrekken.

2.5. Hetgeen de minister voor het overige heeft aangevoerd behoeft, gelet op het vorenstaande geen bespreking meer.

2.6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de beroepen tegen het besluiten van 26 mei 2010 van de minister, gelet op het vorenstaande, alsnog ongegrond verklaren.

2.7. Bij besluiten van 21 april 2011 heeft de minister, gevolg gevend aan de uitspraak van de rechtbank van 28 februari 2011, de door het Noorderpoortcollege gemaakte bezwaren tegen de besluiten van 17 april 2008, 25 september 2008, 1 oktober 2008, 14 november 2008 en 19 december 2008 gemaakte bezwaren gegrond verklaard en voor 2008 35 deelnemers van de opleiding Horeca Ondernemer Café / Bar en Fastfood met crebo-code 10386 en voor 2009 32 deelnemers van die opleiding alsnog voor bekostiging in aanmerking gebracht. Bij brief van 18 juli 2011 heeft het Noorderpoortcollege te kennen gegeven zich niet met de besluiten van 21 april 2011 te kunnen verenigen. De besluiten van 21 april 2011 worden, gelet op artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht, gelezen in samenhang met de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van die wet, geacht eveneens onderwerp te zijn van dit geding.

2.7.1. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen kan de Afdeling slechts tot het oordeel komen dat aan die besluiten de grondslag is komen te ontvallen. Om die reden zal de Afdeling de daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaren en die besluiten vernietigen.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Groningen van 28 februari 2011 in zaken nrs. 10/682,10/683,10/684 en 10/685;

III. verklaart de bij de rechtbank ingestelde beroepen ongegrond;

IV. verklaart de beroepen tegen de besluiten van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 21 april 2011, kenmerken DUO/OND-2011/25386M en DUO/OND-2011/25387M gegrond;

V. vernietigt die besluiten.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, voorzitter, en mr. C.J.M. Schuyt en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Wieland, ambtenaar van staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Wieland

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 november 2011

502.