Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU5405

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-11-2011
Datum publicatie
23-11-2011
Zaaknummer
201004109/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 januari 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Bedrijventerrein 't Hopveld-Haaren" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201004109/1/R3.

Datum uitspraak: 23 november 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Falls Church (USA),

2. [appellant sub 2], wonend te Haaren,

3. [appellant sub 3], wonend te Haaren,

4. [appellant sub 4], wonend te Haaren,

5. [appellant sub 5], wonend te Haaren,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Haaren,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 januari 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Bedrijventerrein 't Hopveld-Haaren" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State per faxbericht ingekomen op 26 april 2010, [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 april 2010, [appellant sub 3] bij brief, bij de Raad van State per faxbericht ingekomen op 27 april 2010, [appellant sub 4] bij brief, bij de Raad van State per faxbericht ingekomen op 28 april 2010, en [appellant sub 5] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 april 2010, beroep ingesteld. [appellant sub 2] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 25 mei 2010. [appellant sub 3] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 8 juni 2010. [appellant sub 4] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 26 mei 2010. [appellant sub 5] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 26 mei 2010.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 2] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 augustus 2011, waar [appellant sub 1], vertegenwoordigd door [appellant sub 5], [appellant sub 2], bijgestaan door mr. T. van den Berk, advocaat te Eindhoven, [appellant sub 3], bijgestaan door mr. M.J.C. Mol, werkzaam bij ZLTO, [appellant sub 5], bijgestaan door mr. E.T. Stevens, werkzaam bij Achmea Rechtsbijstand, en de raad, vertegenwoordigd door G. Leeuw, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ter zitting heeft [appellant sub 2] zijn beroepsgrond die betrekking heeft op de strijdigheid van het plan met de Structuurvisie Plus van de gemeente, ingetrokken.

2.2. Het plan voorziet in een uitbreiding van bedrijventerrein 't Hopveld tot 3,5 ha.

2.3. [appellant sub 1] voert aan dat de raad met betrekking tot dit plan heeft nagelaten om een regionale beoordeling van de behoefte aan bedrijventerreinen op te stellen. Het uitwerkingsplan, dat samen met de gemeentebesturen van Sint-Michielsgestel en Boxtel is opgesteld, kan volgens hem niet worden aangemerkt als een regionale beoordeling. Bovendien is volgens [appellant sub 1] nog voldoende ruimte beschikbaar op leegstaande bedrijventerreinen in de buurgemeenten. Verder stelt hij dat het plan slechts zal leiden tot een verplaatsing van bedrijven zonder dat hierdoor de werkgelegenheid zal toenemen.

Verder stellen [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 5] dat de in opdracht van de raad gemaakte behoefteraming uit 2007 gedateerd is en een onbetrouwbaar beeld geeft van de werkelijk bestaande behoefte aan het bedrijventerrein. [appellant sub 1] voert in verband hiermee aan dat de enquête waarop de behoefteraming is gebaseerd en de actualisatie hiervan niet bindend zijn. Uit de enquête wordt volgens hem niet duidelijk of alle potentiële bedrijven in de enquête zich ook daadwerkelijk kunnen of willen vestigen op het beoogde bedrijventerrein. [appellant sub 5] voert aan dat de raad in de Nota van Inspraak heeft aangegeven dat het oppervlak van deelgebied A binnen het bedrijventerrein zal worden vergroot van 2,5 ha tot 3,5 ha, terwijl de raad in de Nota van Zienswijzen aangeeft dat op dat moment minder dan 3,5 ha grond beschikbaar is. Voorts heeft de raad volgens [appellant sub 1], [appellant sub 2], en [appellant sub 5] onvoldoende rekening gehouden met de economische crisis, waardoor de behoefte van met name crisisgevoelige bedrijven aan het bedrijventerrein zal afnemen.

Verder wijst [appellant sub 2] op de verplaatsingsovereenkomst die het gemeentebestuur heeft gesloten met de heer [partij], die eigenaar is van een aantal bedrijven, op grond waarvan [partij] zich heeft verplicht ernaar te streven dat vier van zijn bedrijven uit de kern Haaren worden verplaatst naar 't Hopveld. [appellant sub 2] betwijfelt of deze vier bedrijven daadwerkelijk zullen worden verplaatst naar 't Hopveld, nu hiervoor volgens hem geen noodzaak bestaat, aangezien [partij] handelt in bedrijfsgronden en bestaande bedrijfsgronden verkoopt. Daarbij komt volgens hem dat [partij] inmiddels met instemming van het gemeentebestuur heeft besloten om een deel van zijn bedrijven te verplaatsen naar het terrein aan het Holleneind en een deel van zijn bedrijfsactiviteiten op te heffen.

2.3.1. De raad neemt het standpunt in dat de regionale afstemming van de behoefte heeft plaatsgevonden in het uitwerkingsplan.

Verder is volgens de raad de economische situatie sinds het behoefteonderzoek weliswaar gewijzigd, maar het gemeentebestuur heeft volgens hem reeds met een aantal lokale ondernemers afspraken gemaakt om uit te breiden of zich te vestigen op het nieuwe bedrijventerrein. Bovendien hebben diverse andere bedrijven bij de gemeente aangegeven op zoek te zijn naar bedrijfsruimte. De raad wijst erop dat, anders dan [appellant sub 5] aanvoert, het bedrijventerrein in het plan een oppervlak heeft van 3,5 ha, waarvan 2,5 ha binnen deelgebied A en 1 ha binnen deelgebied B.

Voorts neemt de raad het standpunt in dat door de verplaatsingsovereenkomst met [partij] de noodzaak voor bedrijfsruimte op het bedrijventerrein voor diens bedrijven is aangetoond. Dat [partij] eerder bedrijfsruimte heeft verhandeld is volgens hem in dit verband niet relevant. Indien de betreffende gronden niet door [partij] worden gebruikt, zullen volgens de raad andere lokale bedrijven zich hier vestigen.

2.3.2. Op grond van de provinciale "Interimstructuurvisie Noord-Brabant, Brabant in ontwikkeling", die gold ten tijde van het bestreden besluit, wordt voor elke stedelijke en landelijke regio een programma voor bedrijventerreinen opgesteld. Voor elke regio heeft het college van gedeputeerde staten een uitwerkingsplan opgesteld dat concreet aangegeven locaties bevat. Het Uitwerkingsplan Boxtel, Haaren en Sint-Michielgestel vermeldt dat in de gemeente Haaren binnen de planperiode ruimte is voor een bedrijventerrein voor kleinschalige bedrijven. Het gaat hier om bedrijven die in de huidige situatie binnen de bebouwde kom liggen of zijn gevestigd in een vrijgekomen agrarisch bedrijfsgebouw waarin zij geen mogelijkheden meer hebben om te groeien. Gelet hierop heeft de raad het standpunt kunnen innemen dat de regionale afstemming van de behoefte aan bedrijventerreinen reeds heeft plaatsgevonden in het uitwerkingsplan.

2.3.3. In het rapport "Onderbouwing behoefteraming bedrijventerrein 't Hopveld II te Haaren" van juni 2007 van het onderzoeksbureau Oranjewoud wordt vermeld dat bij diverse bedrijven behoefte bestaat aan nieuwe bedrijfsruimte elders, omdat zij op hun huidige locatie geen uitbreidingsruimte meer hebben. Verder heeft de gemeente met [partij] al een verplaatsingsovereenkomst gesloten op grond waarvan deze onderneming een inspanningsverplichting heeft om een viertal bedrijven uit de kern Haaren te verplaatsen naar de gronden ten noordoosten van het bestaande bedrijventerrein 't Hopveld.

De stelling van [appellant sub 1] dat het beoogde bedrijventerrein slechts zal leiden tot een verplaatsing van bedrijven en niet tot een toename van werkgelegenheid gaat voorbij aan de vraag of behoefte bestaat aan het bedrijventerrein. Dat de door de bedrijven in de enquête gegeven antwoorden niet bindend zouden zijn, betekent niet dat deze geen betrouwbaar beeld geven van de behoefte van bedrijven aan een nieuw bedrijventerrein in de omgeving. Weliswaar is sinds de enquête de economische situatie verslechterd, maar ter zitting heeft de raad voldoende aannemelijk gemaakt dat in de huidige situatie bij lokale bedrijven nog voldoende behoefte bestaat aan nieuwe bedrijfsgrond.

Niet betwist wordt dat [partij] met het gemeentebestuur bedoelde verplaatsingsovereenkomst heeft gesloten en dat hierin een beding is opgenomen op grond waarvan de eigendom van de door [partij] op het bedrijventerrein verworven bedrijfsgronden niet zonder toestemming van het gemeentebestuur kan worden overgedragen aan derden. Hiermee wordt voorkomen dat deze gronden worden verkocht aan derden die buiten de gemeente zijn gevestigd. Weliswaar is ter zitting gebleken dat [partij] inmiddels is overleden, maar niet in geschil is dat zijn rechtsopvolger eveneens gehouden is bedoelde verplichtingen uit deze overeenkomst na te komen. Gelet hierop heeft de raad mogen aannemen dat de gronden van [partij] op het bedrijventerrein uitsluitend voor lokale bedrijven beschikbaar zullen zijn.

2.4. [appellant sub 2] voert aan dat het nieuwe bedrijventerrein beter gerealiseerd kan worden aan de oostzijde van de Helvoirtseweg. Hier bevindt zich volgens hem veel bedrijfsbebouwing en wordt nu ook een paardrijhal gerealiseerd voor [partij].

2.4.1. De Afdeling overweegt dat de raad bij de keuze van de bestemming een afweging dient te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beoordelingsvrijheid. De voor- en nadelen van alternatieven dienen in die afweging te worden meegenomen. In de Nota van Zienswijzen brengt de raad naar voren dat om de gewenste nieuwe ruimte voor bedrijven te realiseren een uitbreiding van het bestaande bedrijventerrein 't Hopveld het meest voor de hand ligt. In het plan wordt aangesloten bij de bedrijfsruimte die al aanwezig is in het plangebied. Bovendien is het plangebied in het provinciale uitwerkingsplan aangegeven als concrete locatie waar nieuwe kleinschalige bedrijvigheid kan worden gerealiseerd. Verder staan in de bestaande situatie al enkele gebouwen op het bedrijventerrein, net zoals op de door [appellant sub 2] bedoelde locatie. Gelet op het vorenstaande is er geen grond voor het oordeel dat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet is gekozen voor het door [appellant sub 2] voorgestelde alternatief.

2.5. [appellant sub 2], [appellant sub 1] en [appellant sub 4] voeren aan dat het plan zal leiden tot een onaanvaardbare toename van verkeersbewegingen op de Kantstraat. Weliswaar zal een gedeelte van het bedrijventerrein worden ontsloten vanaf de Helvoirtseweg, maar het verkeer vanaf de N65 zal volgens hen via de Kantstraat rijden. Verder wordt het andere deel van het bedrijventerrein ontsloten vanaf de Kantstraat. De Kantstraat wordt volgens [appellant sub 1] en [appellant sub 4] voorts gebruikt als doorgaande route in de richting van de bedrijventerreinen in Oisterwijk en als ontsluiting voor de woonwijk Wijgaert III. Voorts voeren zij aan dat geen rekening is gehouden met de toename van verkeer als gevolg van het plan "Gemeentewerf/Brandweerkazerne/Milieustraat". Verder stelt [appellant sub 2] dat bij het onderzoek naar de te verwachten geluidhinder en luchtverontreiniging (zwevende deeltjes) geen rekening is gehouden met deze toename van verkeersbewegingen.

2.5.1. De raad neemt het standpunt in dat het merendeel van de verkeersbewegingen ten behoeve van het bedrijventerrein zal verlopen via de Helvoirtseweg in de richting van de N65. Daarbij zal het gemeentebestuur volgens hem verkeersmaatregelen nemen om te zorgen voor een logische routering van het verkeer in de richting van de N65. Ontsluiting op de Kantstraat zal worden tegengegaan door middel van verkeersmaatregelen. Slechts één bedrijfsperceel zal, uitsluitend voor personenauto's, worden ontsloten op de Kantstraat, terwijl de overige bedrijven hiervoor een ontheffing nodig hebben. Verder stelt de raad dat bij het onderzoek naar de verkeersbewegingen op de Kantstraat eveneens rekening is gehouden met de ontwikkelingen die voortvloeien uit het plan "Gemeentewerf/Brandweerkazerne/Milieustraat". Voorts zal volgens de raad het aantal verkeersbewegingen als gevolg van het plan relatief weinig toenemen, waardoor het plan niet zal leiden tot een onevenredige toename van de luchtverontreiniging en geluidhinder.

2.5.2. In de Nota van zienswijzen wordt vermeld dat het aantal motorvoertuigen per etmaal op de Kantstraat zal toenemen van 870 naar 1000. Bij deze schatting is eveneens rekening gehouden met de ontwikkelingen als gevolg van het bestemmingsplan "Gemeentewerf/Brandweerkazerne/Milieustraat". Daarnaast vermeldt de plantoelichting dat de Helvoirtseweg zal dienen als ontsluiting van het bedrijventerrein. In het plan is slechts op één plaats in een ontsluiting van een bedrijfsperceel op de Kantstraat voorzien. Op andere plaatsen is ontsluiting op de Kantstraat niet mogelijk, behoudens ontheffing van het college van burgemeester en wethouders. Indien de verkeersintensiteit op de Kantstraat in onaanvaardbare mate toeneemt, zal het gemeentebestuur nader te bepalen verkeersmaatregelen treffen, zoals een verbod voor vrachtverkeer op de Kantstraat. Gelet hierop heeft de raad zich op het standpunt kunnen stellen dat het verkeer van en naar het bedrijventerrein 't Hopveld hoofdzakelijk van de Helvoirtseweg gebruik zal maken en niet van de Kantstraat.

2.5.3. In de onderzoeksrapporten "Rapport luchtkwaliteit Bedrijventerrein 't Hopveld te Haaren" en "Rapport Akoestisch onderzoek, Uitbreiding bedrijventerrein 't Hopveld te Haaren", die zijn opgesteld door bureau Oranjewoud in juni 2008, is uitgegaan van de eerder door dit bureau geschatte verkeersbewegingen, waarin ook de cumulatieve effecten als gevolg van het bestemmingsplan "Gemeentewerf/Brandweerkazerne/Milieustraat" zijn meegenomen. [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 4] hebben niet aannemelijk gemaakt dat deze onderzoeken ondeugdelijk zijn.

2.6. [appellant sub 1], [appellant sub 5] en [appellant sub 4] stellen dat de in het plan voorziene ontwikkelingen de landschappelijke waarde van het gebied en de landelijke uitstraling van de Kantstraat, Oude Baan en de wijk De Kant aantasten. Daarbij komt volgens hen dat in deze wijk slechts in beperkte mate groene ruimte aanwezig is. Bovendien maakt het gebied volgens [appellant sub 1] en [appellant sub 5] in de Nota Ruimte deel uit van het Nationaal Landschap Het Groene Woud, waarbinnen waardevolle groengebieden dienen te worden behouden.

2.6.1. De raad stelt dat het plan weliswaar voorziet in de uitbreiding van het bedrijventerrein binnen het Nationaal Landschap Het Groene Woud, maar dat op grond van het provinciaal beleid ruimte bestaat voor een kleinschalige stedelijke ontwikkeling, mits landschappelijke, cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten behouden blijven. De raad stelt dat een goede landschappelijke inpassing van het plan wordt bereikt door aan de randen van het plangebied te voorzien in representatieve zones. Hiermee blijven volgens hem de structuur en het groene karakter van de Kantstraat behouden. Verder is met het oog op het plan een landschapsplan opgesteld waarin is voorzien in de aanleg van nieuwe groenwallen en het vergroten van bestaande groenwallen. Hierdoor wordt de kleinschalige openheid van het gebied versterkt, aldus de raad.

2.6.2. De voorzitter heeft in zijn uitspraak van 12 augustus 2010, nr. 201004109/2/R3, waarbij het verzoek om voorlopige voorziening van [appellant sub 1] tegen het bestreden besluit is afgewezen en waarbij is ingegaan op deze beroepsgronden, geoordeeld dat de raad het beleid in de Nota Ruimte ter zake van Het Groene Woud en de landschappelijke inpassing van het plan voldoende in zijn belangenafweging heeft betrokken. De Afdeling ziet geen aanleiding om hierover thans anders te oordelen.

2.7. [appellant sub 1] stelt dat door de aanleg van het bedrijventerrein een verstoring plaats zal vinden van de rust- en verblijfplaatsen van steenuilen en inbreuk wordt gemaakt op de landelijke flora met veel groen en oude bomen in het gebied. Ondanks de door het gemeentebestuur te nemen maatregelen is het plan in strijd met de Flora- en faunawet (hierna: Ffw), aldus [appellant sub 1].

2.7.1. De raad stelt dat buiten het plangebied twee broedparen van de steenuil voorkomen. Met het oog hierop zal het gemeentebestuur mitigerende maatregelen nemen in de omgeving van het plangebied, aldus de raad.

2.7.2. Het onderzoeksrapport "Uitbreiding bedrijventerrein 't Hopveld, nader onderzoek steenuil" van 26 januari 2008 van het onderzoeksbureau Oranjewoud vermeldt dat het plangebied behoort tot het leefgebied van steenuilen. Volgens het rapport liggen in het plangebied zelf geen vaste verblijfplaatsen van de steenuilen, maar liggen deze wel in de nabije omgeving van het plangebied. Volgens het rapport zullen deze echter geen nadelige invloed ondervinden van het plan. Verder volgt uit het rapport dat als gevolg van het plan weliswaar foerageergebied zal verdwijnen, maar dat dit foerageergebied niet cruciaal is voor de broedparen in de omgeving. Volgens het rapport is geen ontheffing ingevolge de Ffw nodig voor de voorziene ontwikkelingen. Bovendien zullen volgens de plantoelichting mitigerende maatregelen worden getroffen, zoals de aanleg van geschikt foerageergebied in de omgeving. [appellant sub 1] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het voorgaande onjuist is. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de Ffw in zoverre in de weg zal staan aan de uitvoerbaarheid van het plan.

Voorts is in de plantoelichting aangegeven dat uit een veldinspectie is gebleken dat zich in het plangebied geen strikt beschermde plantensoorten bevinden die de voorgenomen bestemmingswijziging en bouwplannen wezenlijk kunnen belemmeren. Nu [appellant sub 1] niet onderbouwt waarom deze conclusie onjuist is, kan de beroepsgrond ook voor het overige niet slagen.

2.8. [appellant sub 5] en [appellant sub 4] stellen dat het plan in verband met de toegestane bouwhoogte van de voorziene bedrijfsgebouwen, met een goothoogte van 6 m en nokhoogte van 10 m, ertoe zal leiden dat hun woon- en leefklimaat zal worden aangetast, omdat de toetreding van zonlicht in hun woningen zal worden belemmerd. Verder zullen de gebouwen gelet op hun grootte volgens [appellant sub 1] en [appellant sub 4] de omgeving domineren en zo het landschappelijk karakter van het gebied aantasten. [appellant sub 2] stelt dat als gevolg van het plan het uitzicht vanuit zijn woning zal worden aangetast. In dit verband voert hij aan dat in het plan weliswaar een groenstrook is opgenomen tussen de Kantstraat en de voorziene bebouwing, maar dat deze groenstrook, anders dan de raad in de Nota van Zienswijzen heeft toegezegd, geen 8 m breed is. Bovendien is volgens hem niet gebleken dat met het oog op de realisering van deze groenstrook al privaatrechtelijke afspraken zijn gemaakt. Verder betwist hij het standpunt van de raad dat verschillende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, passend zijn binnen deze groenbestemming.

2.8.1. De raad neemt het standpunt in dat de voorziene gebouwen, gelet op de maximaal toegestane bouwhoogte en de afstand tot de woningen in de omgeving, niet zullen leiden tot een onevenredige verstoring van het woongenot. Verder stelt hij dat in het plan beeldkwaliteitseisen zijn opgenomen waar de voorziene gebouwen aan dienen te voldoen. Aan de rand van het bedrijventerrein zal volgens de raad een representatieve zone worden ingericht met representatieve bebouwing waar een lagere maximaal toegestane bouwhoogte geldt. Voorts neemt hij het standpunt in dat bouwwerken, geen gebouwen zijnde, passend zijn binnen de groenstrook tussen het bedrijventerrein en de woningen aan de Kantstraat.

2.8.2. Uit de verbeelding blijkt dat bedrijfsgebouwen in een zone van ongeveer 25 m achter de woonpercelen aan de oostelijke zijde van de Oude Baan, niet hoger mogen zijn dan 5 m. De afstand tussen de bestaande woningen van [appellant sub 5] en [appellant sub 4] aan de westelijke zijde van de Oude Baan en deze bedrijfsgebouwen bedraagt ongeveer 50 m. Gelet hierop acht de Afdeling het standpunt van de raad dat de bedrijfsgebouwen geen ernstige gevolgen zullen hebben voor de toetreding van zonlicht op de percelen van [appellant sub 5] en [appellant sub 4], niet onredelijk. Voorts heeft de raad, gelet op het voorgaande, in redelijkheid het standpunt kunnen innemen dat het plan het landschappelijk karakter van het gebied niet onevenredig zal aantasten.

Uit de verbeelding blijkt voorts dat de afstand tussen de woning van [appellant sub 2] aan de [locatie sub 2] en de voorziene bedrijfsgebouwen ongeveer 35 m bedraagt en dat de bedrijfsgebouwen niet hoger dan 10 m mogen zijn. Tegenover zijn woning is voorzien in een groenstrook van ongeveer 5 m die de mogelijkheid biedt de voorziene bedrijfsgebouwen af te schermen. Niet gebleken is dat de raad heeft toegezegd dat de breedte van de groenstrook in het plan 8 m zou bedragen. Ter zitting heeft de raad verklaard dat de gronden waarop deze groenstrook is voorzien grotendeels in eigendom zijn van de gemeente en dat het gemeentebestuur dus zelf deze groenstrook kan laten aanleggen. Weliswaar zijn ingevolge het plan binnen deze groenstrook bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan, maar deze mogen, gelet op artikel 5, lid 5.2.2, van de planregels, slechts een beperkte hoogte hebben. Gelet hierop behoefde de raad in redelijkheid geen doorslaggevende betekenis toe te kennen aan het bezwaar van [appellant sub 2] dat ten gevolge van het plan het uitzicht vanuit zijn woning wordt aangetast.

2.9. [appellant sub 3] betoogt dat als gevolg van de vaststelling van het plan de ingevolge de geurverordening van de gemeente Haaren in acht te nemen afstand vanaf de woning aan de [locatie sub 3] tot zijn veehouderij wordt vergroot van 50 m tot 100 m, waardoor zijn uitbreidingsmogelijkheden worden beperkt. Hij stelt dat de ontwikkeling en uitbreiding van de bestaande gebouwen binnen zijn bouwblok slechts mogelijk zijn voor zover het hier gaat om aanpassingen aan de rundveestal en een jongveestal en het aantal dierplaatsen hierdoor niet wordt vergroot. Hierdoor wordt het volgens hem praktisch onmogelijk om deze bedrijfsgebouwen te moderniseren, zelfs al zou dit wettelijk gezien noodzakelijk zijn. Daarnaast stelt hij dat de bouw van een kalverenstal, ter vervanging van de bestaande stalruimte tegen het woonhuis, onmogelijk wordt. Weliswaar zou het bedrijf kunnen uitbreiden indien het bouwblok wordt verplaatst, maar een verplaatsing van het bouwblok is volgens [appellant sub 3] niet economisch verantwoord vanwege de hoge kosten en voorts ongewenst, omdat hierdoor de afstand tussen de stallen en de bedrijfswoning toeneemt. De raad heeft daarom ten onrechte nagelaten om een nieuw bouwblok en een passende compensatieregeling aan te bieden, aldus [appellant sub 3].

2.9.1. De raad neemt het standpunt in dat in de bestaande situatie geen uitbreidingsmogelijkheden meer bestaan voor de veehouderij in de richting van het plangebied vanwege de bestaande overbelasting op woningen en bedrijfspanden in de omgeving. Volgens de raad is het gezien de grootte van het bouwblok nog mogelijk om uit te breiden, maar niet in de richting van het plangebied. Voorts voert de raad aan dat op grond van het Besluit landbouw milieubeheer (hierna: Blm) renovatie van de gebouwen van [appellant sub 3] mogelijk blijft, mits het aantal dieren per diercategorie niet toeneemt en de afstand tot de woning van derden niet afneemt.

2.9.2. Niet in geschil is dat de veehouderij in de huidige situatie valt onder de werking van het Blm, maar dat bij een uitbreiding van het aantal dierplaatsen een omgevingsvergunning in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht dient te worden aangevraagd, die wordt getoetst aan de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: de Wgv).

2.9.3. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Wgv bedraagt de afstand tussen een veehouderij waar dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld, en een geurgevoelig object:

a. ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en

b. ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.

Ingevolge het derde lid wordt een omgevingsvergunning indien de afstand, bedoeld in het eerste lid, kleiner is dan hierin is aangegeven, in afwijking hiervan niet geweigerd indien de afstand tussen de veehouderij en het geurgevoelig object niet afneemt en het aantal dieren van één of meer diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld niet toeneemt.

Ingevolge artikel 6, derde lid, onder a, van de Wgv kan bij gemeentelijke verordening worden bepaald dat binnen een deel van het grondgebied van de gemeente een andere afstand van toepassing is dan de afstand, genoemd in artikel 4, eerste lid, met dien verstande dat deze ten minste 50 meter bedraagt indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen.

Op grond van artikel 6, derde lid, en in afwijking van artikel 4, eerste lid, van de Wgh geldt ingevolge artikel 3 van de Verordening geurhinder en veehouderij van de gemeente Haaren (hierna: de verordening), voor zover hier van belang, binnen de bebouwde kom van de gemeente de volgende andere afstand: de afstand tussen een veehouderij waar dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld en een geurgevoelig object bedraagt 100 m voor bedrijven vanaf een omvang van 126 stuks dieren waarvoor vaste afstanden gelden.

2.9.4. De raad heeft niet aannemelijk gemaakt dat de stelling van [appellant sub 3] dat zijn bedrijf in de huidige situatie op grond van het Blm nog uitbreidingsmogelijkheden heeft binnen het bouwblok in de nabijheid van de woning aan de [locatie sub 3], onjuist is. In verband hiermee is aannemelijk dat deze uitbreidingsmogelijkheden zullen worden belemmerd, omdat de woning, gelet op het voorgaande, na de uitvoering van het plan binnen de bebouwde kom komt te liggen. De Afdeling is echter van oordeel dat de raad hieraan geen doorslaggevende betekenis behoefde toe te kennen, in aanmerking genomen dat het plan geen belemmering vormt voor de huidige bedrijfsvoering en de renovatie van bestaande gebouwen. Van enige andere bij de gemeente bekende bouwplannen is niet gebleken.

Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat [appellant sub 3] ingevolge het plan onevenredig in de uitoefening van zijn bedrijf zal worden beperkt.

2.10. In hetgeen [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 5] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover bestreden, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. De beroepen zijn ongegrond.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. F.W.M. Kooijman, ambtenaar van staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Kooijman

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 november 2011

177-656.