Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU5404

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-11-2011
Datum publicatie
23-11-2011
Zaaknummer
201102528/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 april 2010 heeft het college de aanvraag van [wederpartij] voor een bewonersparkeervergunning afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201102528/1/H3.

Datum uitspraak: 23 november 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 19 januari 2011 in zaak nr. 10/6825 in het geding tussen:

[wederpartij], wonende te Den Haag,

en

het college.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 april 2010 heeft het college de aanvraag van [wederpartij] voor een bewonersparkeervergunning afgewezen.

Bij besluit van 26 augustus 2010 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 januari 2011, verzonden op 21 januari 2011, heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 26 augustus 2010 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 februari 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 24 maart 2011.

Bij besluit van 18 mei 2011 heeft het college aan [wederpartij] een bewonersparkeervergunning verstrekt tot en met 31 oktober 2011.

Tegen dit besluit heeft [wederpartij] bezwaar gemaakt bij brief van 1 juni 2011. Deze brief is door het college met toepassing van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) aan de Afdeling doorgezonden ter behandeling als beroepschrift.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 oktober 2011, waar het college, vertegenwoordigd door W.G.C. Wijsman, werkzaam bij de gemeente Den Haag, en [wederpartij], bijgestaan door mr. M.E. Jendsen, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de Verordening op het gebruik van parkeerplaatsen en de verlening van vergunningen voor het parkeren 1992 (hierna: de Parkeerverordening) kan het college een vergunning verlenen aan de eigenaar of houder van een voertuig, wanneer deze woont in een gebied waar het bij besluit van burgemeester en wethouders aan houders van de vergunning geldig in de straten binnen dat gebied, is toegestaan om onder gebruikmaking van die vergunning te parkeren op parkeerapparatuur- en/of belanghebbendenplaatsen, te noemen bewonersvergunning.

Volgens artikel 1.4 van de door het college vastgestelde Beleidsregels Parkeervergunningen is het aantal te verlenen bewonersvergunningen gelijk aan het aantal voertuigen waarvan de aanvrager eigenaar of houder is, met dien verstande, dat het aantal te verlenen vergunningen wordt verminderd met het aantal parkeerplaatsen op eigen terrein.

Volgens artikel 7.1 wordt onder een parkeerplaats op eigen terrein (POET) verstaan:

1. Een parkeerplaats op een terrein of in een garage, uitgegeven in erfpacht, verhuurd of in gebruik gegeven aan de aanvrager, dan wel in eigendom bij de aanvrager;

2. Een parkeerplaats - huur of koop - op het terrein of in de garage van een complex waarvan in de bouwvergunning, de huur- of koopovereenkomst of de erfpachtvoorwaarden is vastgelegd dat deze bedoeld is als parkeergelegenheid voor het adres van aanvrager;

3. Een parkeerplaats die vermeld staat in het namens burgemeester en wethouders door het hoofd Parkeren vastgestelde overzicht van POET-plaatsen, dat ter inzage ligt bij het bedrijfsonderdeel Parkeren.

2.2. Het college heeft de aanvraag van [wederpartij] om een parkeervergunning afgewezen omdat hij kan beschikken over een parkeerplaats op eigen terrein, namelijk in de parkeergarage aan de [locatie].

2.3. De rechtbank heeft overwogen dat hoewel de bouwvergunning van 21 november 1994 voorziet in de bouw van 42 woningen, waaronder de woning van [wederpartij], en de parkeergarage, daaruit niet blijkt dat deze garage uitsluitend of bij voorkeur is bestemd voor de bewoners van de in die vergunning genoemde woningen. Het enkele feit dat één bouwvergunning is afgegeven voor de woningen en de garage tezamen is onvoldoende voor een dergelijke conclusie. Het college heeft volgens de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat de bewoners van deze woningen bijzondere aanspraken kunnen doen gelden op een plaats in de parkeergarage. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat niet valt in te zien waarom sommige overburen van [wederpartij], die zelfs dichter bij de parkeergarage wonen, wel een parkeervergunning hebben.

2.4. Het college betoogt dat uit de bouwvergunning blijkt dat artikel 2.5.30 van de Bouwverordening van toepassing is, hetgeen betekent dat voorzien moest worden in parkeerruimte op eigen terrein. De gerealiseerde parkeerplaatsen zijn aldus bestemd voor de woningen die onderdeel uitmaken van het vergunde bouwproject. De rechtbank heeft miskend dat de woningen en de parkeergarage aan elkaar zijn verknocht. Volgens het college mag de garage, die gelijktijdig met het wooncomplex is gebouwd, tot hetzelfde bouwblok als het complex behoort en door bewoners van het complex als parkeervoorziening wordt gebruikt, in redelijkheid als parkeervoorziening behorend bij het complex worden beschouwd. Hiervoor verwijst het college naar twee uitspraken van de Afdeling van 1 december 2010 in zaak nr. 200908650/1/H3 en 20 oktober 2010 in zaak nr. 201002947/1/H3.

Het college wijst erop dat de loopafstand van de woning van [wederpartij] tot de ingang van de parkeergarage ongeveer 110 meter bedraagt, wat neerkomt op twee minuten lopen. Wanneer de parkeerdruk op straat hoog is, moet men regelmatig een langere afstand afleggen, aldus het college.

Het college stelt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat de overburen van [wederpartij] wonen aan de even zijde van de Wateringsestraat. De woningen daar maken geen onderdeel uit van het op 21 november 1994 vergunde bouwproject en de parkeergarage is niet voor deze woningen bestemd. Het zijn daarom geen aan dat van [wederpartij] gelijke gevallen.

Dat er ook parkeerplaatsen zouden worden verhuurd aan buitenstaanders, doet volgens het college niet af aan het feit dat het gaat om een parkeervoorziening die bij dit wooncomplex hoort. Een huur van €35,00 per maand is niet onredelijk hoog. Hiervoor verwijst het college naar een uitspraak van de Afdeling van 19 maart 2008 in zaak nr. 200703887/1.

2.4.1. Het beroep van het college op de uitspraken van de Afdeling van 20 oktober 2010 en 1 december 2010 leidt niet tot het daarmee beoogde resultaat. Die uitspraken betreffen de toepassing van een verordening van een andere gemeente waarin maatstaven voor verlening van een parkeervergunning zijn opgenomen die afwijken van de maatstaven in de Beleidsregels Parkeervergunningen van de gemeente Den Haag. Genoemde uitspraken hebben daarom geen betekenis voor de beslissing van dit geschil.

Uit de gemeentelijke Bouwverordening volgt dat voor het complex, waarin de woning van [wederpartij] is gelegen, op eigen terrein een parkeervoorziening diende te worden gerealiseerd. De voor het complex verleende bouwvergunning voorziet in de bouw van 42 woningen en een parkeergarage. Deze parkeergarage is gerealiseerd in hetzelfde complex als de 42 woningen en is, zoals onbestreden vaststaat, gelijktijdig met de woningen gebouwd.

Bij de beoordeling of de garage van een complex ingevolge de bouwvergunning is bedoeld als parkeergelegenheid voor woningen in dat complex moet worden betrokken de in de Bouwverordening neergelegde verplichting tot realisering van een parkeervoorziening op eigen terrein. Nu voor het betrokken complex geen ontheffing van die verplichting is verleend en geen andere parkeervoorziening op eigen terrein is gerealiseerd, moet ervan worden uitgegaan dat de parkeergarage is vergund ter voldoening aan die verplichting. Gelet hierop heeft het college op goede gronden aangenomen dat in de bouwvergunning, gelezen in samenhang met de uit de Bouwverordening volgende verplichting, is vastgelegd dat de parkeergarage is bedoeld als parkeergelegenheid voor het adres van [wederpartij], als bedoeld in artikel 7.1, onder 2, van de beleidsregels en dient te worden aangemerkt als parkeerplaats op eigen terrein als bedoeld in artikel 1.4 van de beleidsregels. Dat het adres van [wederpartij] niet uitdrukkelijk in de bouwvergunning is vermeld, acht de Afdeling niet doorslaggevend, reeds omdat op het moment van verlening van die vergunning dat adres nog niet bekend was. Huisnummers zijn pas nadien toegekend.

Dat ook anderen dan bewoners van de parkeervoorziening gebruik kunnen maken, leidt niet tot het oordeel dat een parkeerplaats in de garage van een complex waarvan in de bouwvergunning is vastgelegd dat deze bedoeld is als parkeergelegenheid voor het adres van aanvrager geen parkeerplaats op eigen terrein is. Ter zitting heeft het college uiteengezet dat aan de exploitant wegens leegstand toestemming is gegeven plaatsen aan buitenstaanders te verhuren doch aan bewoners moet daarbij voorrang worden verleend.

De omstandigheid dat de kosten van het huren van parkeerruimte hoger zijn dan die verbonden aan een permanente bewonersvergunning, is niet dusdanig zwaarwegend dat dit tot het oordeel moet leiden dat het college in afwijking van het beleid een permanente bewonersvergunning had moeten verlenen.

De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt. Uit de bouwvergunning, in samenhang gelezen met het huisnummeringsbesluit, blijkt dat de even huisnummers aan de overzijde van de Wateringsestraat niet bij het complex behoren. Het college heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat de parkeergarage niet voor deze woningen is bestemd.

Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de gronden van het beroep van [wederpartij] tegen het besluit van 26 augustus 2010 beoordelen, voor zover deze in het licht van het voorgaande nog bespreking behoeven.

2.5. [wederpartij] betoogt dat de parkeergarage aan de [locatie] slecht bereikbaar is, hetgeen hem tijd en benzine kost. Ook worden aldaar geparkeerde auto's met grote regelmaat vernield. Ter zitting van de Afdeling heeft [wederpartij] nader toegelicht dat hij vanaf zijn huis ongeveer 500 meter moet rijden om bij de garage te komen, omdat voor alle straten in de wijk eenrichtingsverkeer geldt. Aangezien hij sportleraar is, heeft hij veel materiaal in de auto. Voorts heeft hij betoogd dat de garage niet veilig is en dat buurtbewoners daarover klachten hebben geuit. Op grond van deze omstandigheden zou hij in aanmerking moeten komen voor een bewonersparkeervergunning, aldus [wederpartij].

2.5.1. Het college heeft ter zitting gesteld dat geen klachten over vernielingen bekend zijn en dat het permanent contact onderhoudt met beheerder Q-park over de veiligheid van de garage.

De Afdeling is van oordeel dat hetgeen [wederpartij] heeft aangevoerd niet blijk geeft van zodanig zwaarwegende omstandigheden dat het college op grond hiervan tot een afwijking van het beleid ten gunste van hem had moeten besluiten. De omstandigheid dat [wederpartij] niet voor zijn huis kan parkeren en met de auto een afstand van 500 meter en te voet een afstand van 110 meter moet afleggen tot de garage is daartoe onvoldoende. Nu van de vernielingen geen aangifte is gedaan en de stelling dat met regelmaat vernielingen plaatsvinden in de garage ook anderszins niet is onderbouwd, leidt ook dit niet tot een ander oordeel.

Het betoog faalt.

2.6. Ter zitting heeft het college betoogd dat met het besluit van 18 mei 2011 beoogd is een nieuw besluit op bezwaar te nemen. De Afdeling ziet daarom aanleiding dit besluit te beschouwen als een besluit zoals bedoeld in artikel 6:18, eerste lid, van de Awb en zal dit besluit op voet van artikel 6:19, eerste lid, gelezen in verbinding met artikel 6:24 van die wet, in de beoordeling betrekken.

2.7. Uit het voorgaande volgt dat aan dit besluit, dat ter uitvoering van de vernietigde uitspraak is genomen, de grondslag is komen te ontvallen. De Afdeling zal dat besluit daarom vernietigen.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 19 januari 2011 in zaak nr. 10/6825;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

IV. verklaart het beroep tegen het besluit van 18 mei 2011 gegrond;

V. vernietigt dat besluit.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van staat.

w.g. Vlasblom w.g. Klein

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 november 2011

176-721.