Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU5402

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-11-2011
Datum publicatie
23-11-2011
Zaaknummer
201012824/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

j brief van 31 juli 2008 heeft het college een offerte voor de aanbesteding van sociale en maatschappelijke activeringsplekken van Stichting De Ruimte van 21 november 2007 afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAAN 2012/13

Uitspraak

201012824/1/H3.

Datum uitspraak: 23 november 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Bennebroek, gemeente Bloemendaal, voor zichzelf en naar hij stelt handelend namens genoemde stichtingen,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 november 2010 in zaak nr. 09/572 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.

1. Procesverloop

Bij brief van 31 juli 2008 heeft het college een offerte voor de aanbesteding van sociale en maatschappelijke activeringsplekken van Stichting De Ruimte van 21 november 2007 afgewezen.

Bij besluit van 11 september 2008 heeft het college het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard (hierna: besluit I).

Bij brief van 22 augustus 2008 heeft [appellant] op persoonlijke titel en namens Stichting De Ruimte, Stichting De Fietsdienst, Stichting W.I.A. De Fietsdienst, Stichting W.I.A. 1991, Stichting Projektburo Het Vliegwiel (hierna: de stichtingen) en Stichting FLEXaddress met een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) om de openbaarmaking van informatie met betrekking tot afschriften van documenten betreffende de afwijzing verzocht.

Bij besluit van 11 september 2008 heeft het college het Wob-verzoek afgewezen.

Bij besluit van 19 augustus 2009 heeft het college het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar, voor zover dit is ingediend namens de stichtingen, niet-ontvankelijk verklaard, het bezwaar, voor zover dit is ingediend op persoonlijke titel en voor zover gericht tegen de fictieve weigering te beslissen op het Wob-verzoek, niet-ontvankelijk verklaard en het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard (hierna: besluit II).

Bij uitspraak van 12 november 2010, verzonden op 15 november 2010, heeft de rechtbank het namens de stichtingen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Het door [appellant] tegen het besluit I ingestelde beroep is ongegrond verklaard. Het door [appellant] tegen het besluit II ingestelde beroep is gegrond verklaard, voor zover daarbij het namens de stichtingen ingediende bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard en voor zover daarbij het bezwaar van [appellant] tegen de afwijzing van het Wob-verzoek ongegrond is verklaard. Het beroep is voor het overige ongegrond verklaard. Het besluit II is vernietigd, voor zover daarbij het namens de stichtingen ingediende bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard en voor zover daarbij het bezwaar van [appellant] tegen de afwijzing van het Wob-verzoek ongegrond is verklaard. Voorts is bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit, voor zover daarbij het namens de stichtingen ingediende bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard, geheel in stand blijven. Ten slotte is het college opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van [appellant] gericht tegen de afwijzing van het Wob-verzoek. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Centrale Raad van Beroep ingekomen op 27 december 2010, hoger beroep ingesteld. Na doorzending door de Centrale Raad van Beroep is het hoger beroepschrift bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State ingekomen op 29 december 2010. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 24 januari 2011.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 24 februari 2011 heeft het college opnieuw beslist op het door [appellant] tegen het besluit van 11 september 2008 gemaakte bezwaar, dat bezwaar gegrond verklaard en de gevraagde documenten ter inzage gegeven en op verzoek van [appellant] deels verstrekt.

[appellant] heeft een reactie op dit besluit ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 oktober 2011, waar [appellant], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door mr. A.G.M. ter Laak, zijn verschenen.

2. Overwegingen

Ontvankelijkheid

2.1. De Afdeling ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of het beroep dat [appellant] namens de stichtingen en Stichting FLEXaddress heeft ingesteld ontvankelijk is.

2.2. Ingevolge artikel 8:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kunnen partijen zich door een gemachtigde laten vertegenwoordigen. Indien hoger beroep is ingesteld bij de Afdeling kan zij krachtens artikel 8:24, tweede lid, van de gemachtigde, niet zijnde een advocaat of procureur, een schriftelijke machtiging verlangen. Indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het hoger beroep, kan het hoger beroep ingevolge artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

Ingevolge artikel 6:13 kan geen beroep bij de administratieve rechter worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht, geen bezwaar heeft gemaakt of geen administratief beroep heeft ingesteld.

2.3. Bij brief van 14 februari 2011 is [appellant] medegedeeld dat een ondertekende verklaring van degenen die hij vertegenwoordigt, waaruit blijkt dat hij gemachtigd is het hoger beroepschrift in te dienen, nog niet was toegezonden. [appellant] is de gelegenheid geboden de gevraagde informatie binnen twee weken te verstrekken. Deze termijn is verstreken zonder dat van die gelegenheid gebruik is gemaakt. Bij aangetekende brief van 22 september 2011 is [appellant] nogmaals in de gelegenheid gesteld zijn vertegenwoordigingsbevoegdheid aan te tonen. Daarbij is vermeld welke stukken daarvoor nodig zijn. Tevens is vermeld dat, indien geen gebruik wordt gemaakt van deze gelegenheid, er rekening mee moet worden houden dat het hoger beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard voor zover het beweerdelijk namens de stichtingen is ingediend. In reactie daarop heeft [appellant] een tweetal uittreksels uit het Handelsregister toegezonden.

Evenals de rechtbank, stelt de Afdeling vast dat [appellant] niet bevoegd is om de stichtingen te vertegenwoordigen, nu hij ontslagen is als bestuurslid dan wel als lid van de raad van toezicht van deze stichtingen. Om als gemachtigde op te treden namens de stichtingen diende [appellant] ingevolge artikel 8:24 van de Awb een volmacht over te leggen. Nu [appellant] geen volmacht heeft overgelegd en in zoverre geen gebruik heeft gemaakt van de geboden gelegenheid dit verzuim te herstellen, zal de Afdeling het hoger beroep voor zover dat is ingediend namens bovengenoemde stichtingen ingevolge artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk verklaren.

Voor wat betreft het hoger beroep namens de Stichting FLEXaddress merkt de Afdeling op dat deze stichting niet als partij is aangemerkt in de bezwaarprocedure en in de procedure bij de rechtbank.

Nu [appellant] in beroep niet heeft aangevoerd dat het college Stichting FLEXaddress ten onrechte niet als partij heeft aangemerkt, uit het beroepschrift niet duidelijk blijkt dat hij mede namens Stichting FLEXaddress beroep heeft ingesteld en hij in de procedure bij de rechtbank ook van deze stichting zijn vertegenwoordigingsbevoegdheid niet heeft aangetoond, kan niet worden geoordeeld dat de rechtbank Stichting FLEXaddress ten onrechte niet als partij heeft aangemerkt. Gelet hierop kan aan [appellant] worden verweten dat hij niet namens Stichting FLEXaddress bezwaar heeft gemaakt en beroep heeft ingesteld. De Afdeling zal daarom het hoger beroep voorzover dat is ingediend namens Stichting FLEXaddress ingevolge artikel 6:13 van de Awb eveneens niet-ontvankelijk verklaren.

Verder ziet de Afdeling geen aanleiding de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam inzake de ontslagprocedure van [appellant] als bestuurslid dan wel als lid van de raad van toezicht van de stichtingen af te wachten, reeds omdat [appellant] ten tijde van de beroepstermijn niet bevoegd was namens de stichtingen op te treden.

Afwijzing offerte maatschappelijke activeringsplekken

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het afwijzen van de offerte voor maatschappelijke activeringsplekken een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.

2.5. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het afwijzen van een offerte voor een aanbestedingsprocedure geen besluit in de zin van 1:3, eerste lid, van de Awb is. [appellant] zou zich moeten wenden tot de burgerlijke rechter, indien hij van mening is dat passages uit de brief jegens hem onrechtmatig zijn.

2.5.1. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het college het bezwaar van [appellant] tegen de brief van 31 juli 2008 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat het bezwaar niet gericht is tegen een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het afwijzen van een offerte in een aanbestedingsprocedure een handeling naar burgerlijk recht betreft. De afwijzing van de offerte van Stichting De Ruimte bij brief van 31 juli 2008 kan niet worden aangemerkt als een publiekrechtelijke rechtshandeling waartegen bezwaar en beroep openstaat. Deze brief behelst evenmin een besluit op een door deze stichting ingediend verzoek om subsidie op grond van de Wet werk en bijstand. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat de stelling van [appellant] dat het afwijzen van de offerte verweven is met andere bestuursrechtelijke procedures en dat de afwijzing door deze bijzondere omstandigheden dient te worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, niet kan worden gevolgd. Omdat de brief geen besluit op een subsidieverzoek behelst, heeft de Afdeling in haar procedurele beslissing van 20 januari 2011 ook terecht geen aanleiding gezien de zaak door te zenden aan de Centrale Raad van Beroep in het geval [appellant] zijn beroepsgronden met betrekking tot de Wob zou intrekken.

Het betoog faalt.

Afwijzing van het Wob-verzoek

2.6. De rechtbank heeft ten aanzien van de gevraagde gespreksverslagen geoordeeld dat er geen grond bestaat te twijfelen aan de juistheid van de mededeling van het college dat er geen aanvullende documenten kunnen worden verstrekt. De door het college hieromtrent gedane mededelingen zijn consistent en naar het oordeel van de rechtbank niet ongeloofwaardig. Derhalve is het aan [appellant] om aannemelijk te maken dat de gespreksverslagen, voor zover zijn verzoek zich daarop zou richten, wel bij het college berusten, aldus de rechtbank.

2.6.1. Voor zover [appellant] heeft betoogd dat de rechtbank heeft miskend dat de gevraagde gespreksverslagen bestaan, kan in de gestelde omstandigheid dat hij na de uitspraak van de rechtbank een aantal gespreksverslagen heeft ingezien, grond worden gevonden voor het oordeel dat hetgeen de rechtbank omtrent de gespreksverslagen heeft overwogen niet geheel juist is. Dit leidt evenwel niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak, nu de rechtbank het besluit II heeft vernietigd, voor zover het bezwaar van [appellant] tegen de afwijzing van het Wob-verzoek ongegrond is verklaard en hij met dit betoog niet meer dan dat kan bereiken.

2.7. Hetgeen voor het overige in hoger beroep is aangevoerd, behoeft geen bespreking. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd, voor zover aangevallen, met verbetering van de gronden waarop deze rust.

Het besluit van 24 februari 2011 op het Wob-verzoek

2.8. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wob kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Wob, vermeldt de verzoeker bij zijn verzoek de bestuurlijke aangelegenheid of het daarop betrekking hebbend document, waarover hij informatie wenst te ontvangen.

Ingevolge artikel 3, vierde lid, van de Wob, verzoekt het bestuursorgaan de verzoeker zo spoedig mogelijk om zijn verzoek te preciseren en is het hem daarbij behulpzaam, indien een verzoek te algemeen geformuleerd is.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, verstrekt het bestuursorgaan informatie met betrekking tot de documenten die de verlangde informatie bevatten door:

a. kopie ervan te geven of de letterlijke inhoud ervan in andere vorm te verstrekken,

b. kennisneming van de inhoud toe te staan,

c. een uittreksel of een samenvatting van de inhoud te geven, of

d. inlichtingen daaruit te verschaffen.

Ingevolge artikel 7, tweede lid, verstrekt het bestuursorgaan de informatie in de door de verzoeker verzochte vorm, tenzij:

a. het verstrekken van de informatie in die vorm redelijkerwijs niet gevergd kan worden;

b. de informatie reeds in een andere, voor de verzoeker gemakkelijk toegankelijke vorm voor het publiek beschikbaar is.

2.9. Bij besluit van 24 februari 2011 heeft het college, gevolg gevend aan de aangevallen uitspraak, opnieuw beslist op het door [appellant] gemaakte bezwaar tegen het besluit van 11 september 2008. Dit besluit wordt gelet op artikel 6:24 van de Awb, gelezen in verbinding met artikel 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van die wet, geacht eveneens voorwerp te zijn van dit geding.

In dit besluit is het bezwaar van [appellant] gegrond verklaard en is besloten het ter hoorzitting gedane verzoek om verstrekking van de gearchiveerde procesdossiers in het kader van de procedures bij de rechtbank, de Afdeling en de Centrale Raad van Beroep, waarin uitspraak is gedaan in de periode van 21 juli 2004 tot 10 januari 2007, in te willigen. [appellant] is de gelegenheid geboden om deze dossiers in te zien en daaruit afschriften te ontvangen.

2.10. [appellant] betoogt, zo begrijpt de Afdeling het beroep, dat het besluit op bezwaar van 24 februari 2011 niet in zijn geheel tegemoet komt aan het door hem gedane verzoek om openbaarmaking van stukken. [appellant] stelt dat niet alle gevraagde gespreksverslagen zijn overgelegd. Voorts stelt hij dat het college niet de nodige kopieën heeft verstrekt van stukken uit de procesdossiers. Verder stelt hij dat de bijlagen bij het besluit van 24 februari 2011 niet zijn overgelegd. Ten slotte stelt [appellant] dat het hoorverslag feitelijk toetsbaar moet zijn, zodat de inhoud van het hoorverslag op juistheid kan worden gecontroleerd. Hiertoe verzoekt hij om verstrekking van de aantekeningen behorende bij de hoorzitting van de bezwaarschriftencommissie van 9 december 2010.

2.11. Het college stelt zich op het standpunt dat aan het Wob-verzoek inmiddels geheel tegemoet is gekomen. Het ter hoorzitting gedane verzoek om verstrekking van de gearchiveerde procesdossiers in het kader van de procedures bij de rechtbank, de Afdeling en de Centrale Raad van Beroep is ingewilligd. [appellant] heeft inzage gehad in deze stukken op 14 maart 2011. Daarbij heeft hij de gelegenheid gekregen te kennen te geven van welke stukken hij een kopie wenste. Deze stukken zijn hem kosteloos ter beschikking gesteld. Tijdens de hoorzitting is hem medegedeeld dat de rechtbank ten aanzien van de gevraagde gespreksverslagen heeft geoordeeld dat er geen grond is te twijfelen aan de juistheid van de mededeling van het college dat deze documenten niet bestaan. Deze gespreksverslagen zijn buiten beschouwing gelaten bij het besluit op bezwaar van 24 februari 2011.

2.11.1. De Afdeling ziet geen aanleiding te twijfelen aan het standpunt van het college dat aan het Wob-verzoek inmiddels geheel tegemoet is gekomen. Het ter hoorzitting gedane verzoek tot verstrekking van de gevraagde procesdossiers heeft het college ingewilligd door [appellant] de gelegenheid te bieden deze in te zien en hem de gewenste kopieën te verstrekken.

Voorts kan in het aangevoerde geen grond worden gevonden te twijfelen aan de juistheid van de mededeling van het college dat er geen aanvullende documenten kunnen worden verstrekt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 22 augustus 2007 in zaak nr. 200701417/1) is het, wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer bij hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, in beginsel aan degene die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, een bepaald document toch bij dat bestuursorgaan berust.

In hetgeen [appellant] daartoe heeft aangevoerd bestaat geen aanleiding te twijfelen aan de mededeling van het college dat andere gespreksverslagen dan die [appellant] heeft ingezien niet bestaan. De mededeling van het college dat alle relevante stukken aan [appellant] zijn verstrekt, komt de Afdeling niet ongeloofwaardig voor. Met de enkele stelling van [appellant] dat niet alle gevraagde stukken zijn overgelegd, is niet aannemelijk gemaakt dat deze stukken ook daadwerkelijk bestaan, noch dat deze stukken bij het college berusten. Op grond hiervan heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat alle relevante stukken aan [appellant] zijn verstrekt.

Voor zover [appellant] betoogt dat bijlagen behorende bij het besluit van 24 februari 2011 niet zijn overgelegd, overweegt de Afdelng dat deze bijlagen processtukken betreffen, die aan de Afdeling zijn toegezonden bij brief van het college van 24 maart 2011. Daarvan heeft [appellant] afschriften ontvangen.

Het verzoek van [appellant] om verstrekking van de aantekeningen van het hoorverslag betreft een nieuw Wob-verzoek en valt derhalve buiten de omvang van dit geding.

Het betoog faalt.

2.12. Het beroep tegen het besluit van 24 februari 2011 is ongegrond.

2.13. [appellant] verzoekt de Afdeling het college op grond van artikel 8:73 van de Awb te veroordelen tot vergoeding van de schade die hij heeft geleden.

2.13.1. Het op artikel 8:73 van de Awb gebaseerde verzoek om schadevergoeding dient te worden afgewezen, reeds omdat het hoger beroep en het beroep tegen het besluit van 24 februari 2011 ongegrond worden verklaard.

2.14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het namens Stichting De Ruimte, Stichting De Fietsdienst, Stichting W.I.A. De Fietsdienst, Stichting W.I.A. 1991, Stichting Projektburo Het Vliegwiel en Stichting FLEXaddress ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk;

II. bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen;

III. verklaart het beroep tegen het besluit van 24 februari 2011 ongegrond;

IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. de Leeuw-van Zanten, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. De Leeuw-van Zanten

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 november 2011

97-721.