Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU5401

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-11-2011
Datum publicatie
23-11-2011
Zaaknummer
201007702/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 juni 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "De Bergen" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201007702/1/R3.

Datum uitspraak: 23 november 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellanten sub 1], allen wonend te Eindhoven,

2. [appellant sub 2], wonend te Eindhoven,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Eindhoven,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 juni 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "De Bergen" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellanten sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 augustus 2010, en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 augustus 2010, beroep ingesteld. [appellant sub 2] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 7 september 2010.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 1], [appellant sub 2] en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 oktober 2011, waar [appellant sub 1], bijgestaan door [gemachtigde], werkzaam bij BRO, [appellant sub 2] en de raad, vertegenwoordigd door A.A. Renwarin en mr. F. Spijkers, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het plan heeft betrekking op de in het centrum van het stedelijk gebied van Eindhoven gelegen wijk De Bergen. Het is een conserverend plan waarin de op 8 januari 2008 door de raad vastgestelde Ontwikkelingsvisie "De Bergen, Quartier Vivant" en het bijbehorende uitvoeringsprogramma juridisch zijn vertaald.

Het beroep van [appellanten sub 1]

2.2. [appellanten sub 1] voeren aan dat het plan ten onrechte de gebruiksmogelijkheden van de bij hen in eigendom zijnde panden aan het [locatie sub 1] beperkt, zodat zij ten onrechte hun voornemen om een restaurant te vestigen in het pand [locatie sub 2] niet kunnen realiseren.

2.3. Op bedoelde percelen rust ingevolge het plan de bestemming "Gemengd-1".

Ingevolge artikel 6, lid 6.1, aanhef en onder b, van de planregels, voor zover hier van belang, zijn de voor "Gemengd-1" aangewezen gronden bestemd voor horecabedrijven behorende tot de categorie 1 zoals aangegeven in de Lijst van horeca-activiteiten ter plaatse van bestaande horecabedrijven; indien de bestaande horecafunctie wordt gewijzigd in een andere toegelaten functie dan vervalt de bestemming bestaand horecabedrijf.

Ingevolge lid 6.6, aanhef en onder a, kan het college van burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van het bepaalde in lid 6.1 voor nieuwe horecabedrijven, behorende tot de categorie 1 zoals aangegeven in de Lijst van horeca-activiteiten, ter plaatse waar in de bestaande situatie geen sprake is van een gebruik ten behoeve van een horecabedrijf, mits hierdoor per straat niet meer dan een derde van het aantal adressen op de begane grond ten behoeve van een horecabedrijf in gebruik is; bij de beoordeling van een ontheffing voor een horecabedrijf als hier vermeld in een hoekpand wordt, voor het bepalen van het maximum aantal horecabedrijven per straat, zowel uitgegaan van de straat waar het hoekpand deel van uitmaakt als van de straat waar het hoekpand aan grenst.

2.4. Ingevolge het voorheen geldende bestemmingsplan "Eindhoven binnen de Ring" rustte op bedoelde percelen de bestemming "Woondoeleinden".

Ingevolge artikel 3, beschrijving in hoofdlijnen gemeenschappelijk aan het gehele plan, lid 3.42, van de voorschriften van dat plan wordt uitgegaan van handhaving van de bestaande bebouwingsstructuur, karakteristieken en functies; aanpassing en vervanging van woningen en andere bebouwing wordt daarbij niet uitgesloten.

Ingevolge lid 3.48, eerste volzin, mogen andere dan woonfuncties slechts worden gerealiseerd indien daardoor het woongenot niet onevenredig wordt aangetast en het evenwicht tussen onderscheiden functies niet zal worden verstoord.

Ingevolge lid 3.50, tweede, derde en vierde volzin, wordt met betrekking tot nieuwe horecavestigingen een terughoudend beleid gevoerd. Primaire en doorslaggevende toets zal daarbij zijn of zij de woonfunctie bedreigen. Bij medewerking aan nieuwe vestigingen alsmede wijziging van het gebruik van bestaande horecavestigingen wordt - zulks mede in relatie tot mogelijke hinder voor de (woon)omgeving - een onderscheid gemaakt tussen de volgende categorieën van horeca: hotel, pension, restaurant, café, snackbar, koffiehuis en afhaalcentrum.

Ingevolge artikel 4, beschrijving in hoofdlijnen voor de kaart Centrum, lid 4.10.2.1, voor zover hier van belang, wordt in het gebied De Bergen tussen Willemstraat en Grote Berg gestreefd naar het in grote lijnen handhaven van de bestaande functiemenging. Aan de Willemstraat, Kleine Berg en Grote Berg wordt een beperkte doorgroeimogelijkheid gezien van de winkel- en publieksfuncties; aan de Willemstraat ook in beperkte mate van de horecafunctie. Met het oog op mogelijke overlast voor de woningen dient het aantal horecavestigingen zo beperkt mogelijk te worden gehouden.

Ingevolge artikel 12, lid 12.1, aanhef en onder a en g, zijn de op de kaart voor woondoeleinden aangewezen gronden primair bestemd voor wonen met de daarbij behorende erven en (parkeer)voorzieningen en secundair voor horeca, met een accent op inrichtingen voor het verstrekken van eet- en/of drinkwaren.

2.5. [appellanten sub 1] voeren aan dat de raad zich bij de beantwoording van hun zienswijze ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat op grond van het voorgaande planologische regiem geen nieuwe horecavestigingen mogelijk waren. Weliswaar gold voorheen een terughoudend beleid, maar primair werd getoetst of een nieuwe horecavestiging de woonfunctie zou bedreigen. Zij willen in het pand [locatie sub 2] een restaurant in de categorie 1 vestigen, dat voor weinig overlast zal zorgen. De raad heeft onvoldoende gemotiveerd waarom het met het oog op een goede ruimtelijke ordening nodig is de horecafunctie op het [locatie sub 1] te beperken op de in het plan geregelde wijze. In de ontwikkelingsvisie waarnaar in de toelichting bij het plan wordt verwezen, is ten onrechte geen onderscheid gemaakt tussen woonstraten en het [locatie sub 1], dat een eigen ruimtelijke functie als plein heeft. Ook is het in de ontwikkelingsvisie genoemde globaal vergelijkend onderzoek ten onrechte niet ter inzage gelegd.

Ook betogen [appellanten sub 1] dat zij, nu ingevolge het plan slechts nieuwe horecabedrijven zijn toegestaan op grond van een ontheffing en het ingevolge de planregels hiervoor geldende maximum reeds is bereikt, schade zullen leiden ten gevolge van het plan. De raad heeft hun belangen dan ook onvoldoende meegewogen, te meer omdat reeds geruime tijd overleg werd gevoerd over hun plannen. Anders dan de raad in de beantwoording van de zienswijze stelt, is in dat overleg niet duidelijk te kennen gegeven dat nieuwe horeca in het pand [locatie sub 2] niet zou worden toegelaten.

Voorts betogen [appellanten sub 1] dat de ontheffingsmogelijkheid die in het plan is opgenomen arbitrair is en in strijd met de rechtszekerheid omdat de gebruiksmogelijkheden van hun panden erdoor afhankelijk worden gesteld van andere horeca-activiteiten in de straat.

2.5.1. De raad betoogt dat op grond van het bestemmingsplan "Eindhoven binnen de Ring" op het perceel [locatie sub 2] nieuwe horecafuncties niet zonder meer waren toegelaten. In het gebied De Bergen diende het aantal horecavestigingen met het oog op mogelijke overlast voor de woningen zo beperkt mogelijk te worden gehouden. Omdat het plan onvoldoende zekerheid bood dat ongewenste ontwikkelingen, zoals functiewijziging, werden tegen gegaan, is als tijdelijke maatregel de Algemene Leefmilieuverordening Eindhoven opgesteld, waaraan bouwvergunningen getoetst moesten worden. Nadat de verordening is vervallen, is voor De Bergen nieuw beleid vastgelegd in de Ontwikkelingsvisie. Daarin is voor gebieden met een functiemix, waaronder het [locatie sub 1], onder meer een maximum gesteld aan het aantal horecavestigingen. De mogelijkheid om nieuwe horeca te vestigen is dus steeds ingeperkt geweest en die inperking is met het oog op een goede ruimtelijke ordening toelaatbaar. Voorts is het plan op dit punt voldoende gemotiveerd omdat met name het beleid ten aanzien van de horecafunctie in gebieden met een functiemix in de Ontwikkelingsvisie duidelijk is gemotiveerd en verwoord. Een van de uitgangspunten bij het actualiseren van bestemmingsplannen is dat daarin het bestaande beleid dient te worden verwerkt.

Voorts betoogt de raad dat het plan niet in strijd is met het rechtszekerheidbeginsel omdat het verbod op nieuwe horeca duidelijk is en de ontheffingsregels voldoende concreet zijn. De voorwaarden voor een ontheffing zijn toetsbaar.

2.5.2. In het algemeen kunnen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen. Dit brengt mee dat, ook indien er vanuit moet worden gegaan dat op grond van het voorgaande planologische regiem vestiging van nieuwe horeca in het pand [locatie sub 2] was toegestaan, die enkele omstandigheid niet meebrengt dat het onderhavige plan dat ook zou moeten toestaan. Dat geldt temeer nu, gelet op de bij het bestemmingsplan "Eindhoven binnen de Ring" behorende beschrijving in hoofdlijnen, ook op grond van het voorgaande planologische regiem functiewijzing naar horeca slechts onder voorwaarden wenselijk werd geacht.

2.5.3. Volgens de toelichting geldt in het plangebied conform de uitgangspunten die zijn neergelegd in de Ontwikkelingsvisie in de straten met een mix van functies een beperking ten aanzien van de horecafunctie. Daarbij wordt uitgegaan van een maximum van een derde van de panden voor horeca per straat, welke mix is vastgelegd voor een aantal straten, waaronder het [locatie sub 1]. Met het oog op dit beleid is voor die straten voor de horecafunctie de bestaande situatie als uitgangspunt genomen en zijn behoudens op grond van een ontheffing geen nieuwe horecafuncties toegelaten, waarbij een belangrijk ontheffingscriterium het maximum aantal horecabedrijven per straat is. In de Ontwikkelingsvisie staat dat dit beleid is ingegeven door de omstandigheid dat indien een gebied te veel of te geconcentreerd horeca krijgt, andere partijen, bijvoorbeeld detailhandelaren, terughoudender worden om in De Bergen te investeren. Daarom wordt gestreefd naar het vastleggen van menging van publieksgerichte functies in het plan, met name voor de straten die helemaal met centrumfuncties gevuld mogen worden. Op basis van globaal vergelijkend onderzoek, waarbij succesvolle referenties, waaronder Stegenkwartier in Arnhem, Wyk in Maastricht, Torenstraat-Ververstraat en omstreken in Den Bosch en Ledig Erf-Twijnstraat en omstreken in Utrecht zijn bekeken, is als richtinggevend voor de straten met een publieksgerichte functie in het plangebied, waaronder het [locatie sub 1], aangemerkt: een mix van functies bestaande uit de helft van de panden detailhandel, een derde van de panden horeca en de rest van de panden overige publieksgerichte functies.

2.5.4. Artikel 6, lid 6.6, aanhef en onder a, van de planregels is in overeenstemming met de toelichting en het in de Ontwikkelingsvisie opgenomen beleid. Gelet hierop faalt het betoog dat de raad zijn standpunt dat een goede ruimtelijke ordening vergt dat nieuwvestiging van horecafuncties op het [locatie sub 1] op de in het plan geregelde wijze wordt beperkt, onvoldoende heeft gemotiveerd. Mede in aanmerking genomen dat het plein in de Ontwikkelingsvisie uitdrukkelijk wordt genoemd als een van de locaties waar het beleid voor zou moeten gelden, vormt het enkele feit dat in de ontwikkelingsvisie geen onderscheid wordt gemaakt tussen woonstraten en het [locatie sub 1] geen grond voor een ander oordeel. Hetzelfde geldt voor de stelling van [appellanten sub 1] dat veel buurtbewoners het plan om in dat pand een horecavestiging te openen ondersteunen. Voorts hoefde het in de ontwikkelingsvisie genoemde globaal vergelijkend onderzoek niet ter inzage te worden gelegd nu dat onderzoek, zoals door de raad ter zitting is bevestigd, niet dragend is geweest voor de in de ontwikkelingsvisie opgenomen keuze voor functiemenging. Gelet daarop is het onderzoek geen op het ontwerp van het plan betrekking hebbend stuk dat redelijkerwijs nodig is voor de beoordeling van het ontwerp, als bedoeld in artikel 3:11 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

2.5.5. Dat de raad de belangen van [appellanten sub 1] onvoldoende heeft meegewogen omdat reeds geruime tijd overleg werd gevoerd over hun plannen met het pand [locatie sub 2] valt niet in te zien. De stelling van [appellanten sub 1] dat het overleg met de gemeente werd gekenmerkt door onduidelijkheid en een afwachtende houding van de gemeente en dat hen nooit is meegedeeld dat hun plan niet kon worden toegelaten - wat daar van zij - vormt onvoldoende grond voor het oordeel dat onvoldoende rekening is gehouden met hun belangen. Het vormt evenmin grond voor het oordeel dat de raad het belang bij het behoud van de door hem voorgestane functiemenging niet in redelijkheid zwaarder heeft kunnen laten wegen dan het belang van [appellanten sub 1] bij de realisering van hun - nog niet in een concreet stadium verkerende - plannen. Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de panden van [appellant sub 1] betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn.

2.5.6. Wat betreft het betoog van [appellanten sub 1] over de ontheffingsbevoegdheid overweegt de Afdeling dat ingevolge artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) - zoals dat luidde ten tijde van de vaststelling van het plan - bij een bestemmingsplan kan worden bepaald dat het college van burgemeester en wethouders met inachtneming van de bij het plan te geven regels ontheffing kan verlenen van bij het plan aan te geven regels. Mede gelet op de rechtszekerheid van belanghebbenden dient in een ontheffingsregeling in voldoende mate te worden bepaald in welke gevallen en onder welke voorwaarden hiervan gebruik mag worden gemaakt. Een op artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wro berustende ontheffingsregeling dient dus door voldoende objectieve normen te worden begrensd. Aan dat vereiste is in dit geval voldaan, nu in artikel 6, lid 6.6, aanhef en onder a, is bepaald dat ontheffing kan worden verleend mits hierdoor per straat niet meer dan een derde van het aantal adressen op de begane grond ten behoeve van een horecabedrijf in gebruik is en tevens is bepaald hoe daarbij rekening moet worden gehouden met hoekpanden. Deze regeling biedt naar het oordeel van de Afdeling voldoende duidelijkheid en waarborgen voor (toekomstige) gebruikers en eigenaren in het gebied. Anders dan in de uitspraak van de Afdeling van 19 januari 2005, zaak nr. 200308242/1, waarop [appellanten sub 1] zich beroepen, dient bij de toepassing van de bepaling immers steeds een slechts relatief klein gebied in aanmerking te worden genomen en is voor eenieder kenbaar of in de betrokken straat al dan niet meer dan een derde van het aantal adressen op de begane grond ten behoeve van een horecabedrijf in gebruik is. Het betoog faalt.

2.6. In hetgeen [appellanten sub 1] hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellanten sub 1] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 2]

2.7. [appellant sub 2] kan zich niet verenigen met de toekenning van bestemming "Wonen 1" aan zijn perceel [locatie sub 3] (hierna: het perceel) en met het parkeerbeleid dat ingevolge artikel 29 van de planregels in het plangebied van toepassing is.

2.8. [appellant sub 2] betoogt dat zijn zienswijze over het in het plan opgenomen parkeerbeleid ten onrechte ongegrond is verklaard.

2.8.1. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro kan door een belanghebbende bij de Afdeling beroep worden ingesteld tegen een besluit als het aan de orde zijnde.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Ingevolge artikel 29, lid 29.1, van de planregels moet, indien de omvang of de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het parkeren of stallen van motorvoertuigen op meer dan twee wielen, in, op of onder dat gebouw dan wel op het bij het gebouw horende perceel, afhankelijk van de bestemming, grootte en bereikbaarheid per openbaar vervoer, een door burgemeester en wethouders conform de Parkeernormen en met in achtneming van de Uitvoeringsregels bij de parkeernormen te bepalen aantal parkeerplaatsen aanwezig zijn.

Ingevolge lid 29.2, onder a, kunnen burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van het bepaalde in lid 29.1 indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit of voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingsruimte wordt voorzien.

Ingevolge lid 29.2, onder b, kunnen burgemeester en wethouders aan het verlenen van een ontheffing als vermeld onder a een financiële voorwaarde verbinden.

2.8.2. Ter zitting heeft [appellant sub 2] toegelicht dat hij bezwaar heeft gemaakt tegen het parkeerbeleid omdat hij als lid van de werkgroep Parkeren De Bergen jarenlang met de gemeente heeft overlegd over het parkeerbeleid in de wijk en de in artikel 29, lid 29.2 van de planregels opgenomen ontheffingsregeling de resultaten van dat overleg doorkruist. Dit kan echter niet worden aangemerkt als een omstandigheid in verband waarmee moet worden geoordeeld dat een objectief en persoonlijk belang van [appellant sub 2], dat hem onderscheidt van anderen, rechtstreeks door de ontheffingsregeling wordt geraakt. [appellant sub 2] heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat hij op grond van andere feiten of omstandigheden rechtstreeks door deze bepaling in zijn belangen wordt getroffen. Een louter subjectief gevoel van betrokkenheid bij een besluit, hoe sterk dat gevoel ook is, is daarvoor niet voldoende.

De conclusie is dat [appellant sub 2] geen belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2 van de Awb is bij de in artikel 29, lid 29.2 opgenomen ontheffingsregeling en dat hij daartegen ingevolge artikel 8.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro geen beroep kan instellen. Het beroep is in zoverre niet-ontvankelijk.

2.9. [appellant sub 2] betoogt dat aan het perceel de bestemming "Gemengd 1" had moeten worden toegekend, die ook geldt voor de in de directe nabijheid gelegen panden, zoals die aan de Kleine Berg. De bestemming "Wonen 1" legt beperkingen op die niet passen bij de bestaande situatie. Zo is ten onrechte geen splitsing toegestaan, nu in 2008 een tweede huisnummer is toegewezen aan het bijgebouw bij de woning en dat bijgebouw separaat bereikbaar en bruikbaar is. Tevens beperkt het plan de uitbreidingsmogelijkheden van de in het bijgebouw gevestigde bedrijfsruimte en is verhuur aan derden ingevolge het plan ten onrechte niet toegestaan.

2.9.1. Niet in geschil is dat [appellant sub 2] het perceel in 1995 heeft aangekocht, het hoofdgebouw op het perceel sindsdien in gebruik heeft als woning, en naar behoefte kantoor heeft gehouden in het hoofdgebouw en/of het bijgebouw. Voorts staat vast dat het plan voorzetting van dit gebruik toelaat.

2.9.2. Wat betreft het betoog dat aan het perceel dezelfde bestemming had moeten worden toegekend als aan de percelen aan de Kleine Berg heeft de raad aangevoerd dat het plangebied een tweedeling kent tussen randgebieden die zich kenmerken door een verscheidenheid aan functies en binnengebieden met hoofdzakelijk een woonfunctie. In het binnengebied, waartoe de Prins Hendrikstraat behoort, is teneinde de woonfunctie te behouden, gekozen voor een woonbestemming, behoudens ter plaatse van bestaande zakelijke of maatschappelijke functies, aldus de raad. Gelet hierop heeft de raad bij de vaststelling van het plan in redelijkheid aansluiting kunnen zoeken bij het ten tijde van de vaststelling bestaande gebruik van het perceel. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat [appellant sub 2] nooit gebruik heeft gemaakt van andere gebruiksmogelijkheden die het vorige plan ter plaatse bood - wat daar van zij - en dat hij geen concrete plannen heeft om het gebruik van zijn perceel te wijzigen. Nu de Kleine Berg behoort tot het randgebied, faalt voorts het betoog van [appellant sub 2] dat zijn perceel ten onrechte een andere bestemming heeft dan de percelen aan de Kleine Berg. Hetzelfde geldt voor het betoog van [appellant sub 2] dat andere percelen in de Prins Hendrikstraat geen woonbestemming hebben gekregen. Deze percelen zijn, evenals het perceel van [appellant sub 2], bestemd in overeenstemming met het bestaande gebruik, hetgeen voor die percelen heeft geresulteerd in de bestemming "Gemengd 1".

2.9.3. Het betoog van [appellant sub 2] dat het plan separaat gebruik van het bijgebouw als woning, kantoor of praktijkruimte had moeten toelaten omdat aan dat gebouw een huisnummer is toegekend, faalt eveneens. Aan het toekennen van een huisnummer kan niet het belang worden gehecht dat [appellant sub 2] daaraan gehecht wil zien omdat, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 24 februari 2010 in zaak nr. 200904021/1R3), aan een huisnummer geen rechten of verwachtingen kunnen worden ontleend met betrekking tot het planologische regime dat op de desbetreffende bebouwing van toepassing is.

2.9.4. Wat betreft het betoog van [appellant sub 2] dat de bestaande bebouwing op zijn perceel in strijd is met het plan omdat het plan voorziet in een te klein bouwvlak, wordt overwogen dat ter zitting is komen vast te staan dat de bestaande bebouwing in overeenstemming is met het plan, nu ingevolge artikel 16, lid 16.2.2, van de planregels uitbouwen - zoals de serre van [appellant sub 2] - en bijgebouwen op zijn perceel ook buiten het bouwvlak mogen worden opgericht en de omvang van het hoofdgebouw overeenstemt met het bouwvlak.

2.9.5. Gelet op het vorenoverwogene heeft [appellant sub 2] niet aannemelijk gemaakt dat hij door de toekenning van de bestemming "Wonen 1" aan zijn perceel onevenredig wordt belemmerd in het gebruik van zijn perceel. Voor zover [appellant sub 2] heeft beoogd te betogen dat hij door het plan schade leidt omdat hem bouw- of gebruiksmogelijkheden worden ontnomen, wordt overwogen dat wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van het perceel betreft, geen grond bestaat voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn.

2.10. [appellant sub 2] voert voorts aan dat zijn pand op de bij het plan behorende beleidskaart ten onrechte is aangemerkt als "beeldondersteunend/kenmerkend". Hij stelt dat de beantwoording van zijn zienswijze over dit punt niet klopt met de werkelijkheid.

2.10.1. Aan het pand [locatie sub 3] is in het rapport "De Bergen Cultuurhistorisch onderzoek, inventarisatie van het gebied De Bergen te Eindhoven" de waardering "beeldondersteunend/kenmerkend" toegekend. Deze toekenning is volgens het rapport "De Bergen Cultuurhistorisch onderzoek, ruimtelijke karakteristiek en richtlijnen" gebaseerd op een onderzoek naar de cultuurhistorische kwaliteiten van De Bergen en een inventarisatie op locatie. De raad heeft voorts in de beantwoording van de zienswijze van [appellant sub 2] uitgebreid aangegeven vanwege welke omstandigheden en kenmerken het pand [locatie sub 3] is aangemerkt als beeldondersteunend en kenmerkend voor de noordoostelijke gevelwand van de straat. Daarbij heeft de raad onder meer in aanmerking genomen dat de hoofdopzet en de gevelindeling van het pand nog authentiek zijn. Ter zitting is voorts toegelicht dat aan panden van voor de stadsuitbreiding van na 1920, zoals het pand [locatie sub 3], een hoge waardering is toegekend, mits ze niet ingrijpend zijn gewijzigd. Voorts is toegelicht dat voor de Prins Hendrikstraat de noordelijke gevelwand, waarvan nummer 57 deel uitmaakt, beeldbepalend is omdat die grotendeels bestaat uit panden uit die periode. Dat de raad zich hierbij heeft gebaseerd op onjuiste feiten, heeft [appellant sub 2] niet aannemelijk gemaakt. Er is geen grond voor het oordeel dat de raad op grond van genoemde rapporten niet tot de aan het pand van [appellant sub 2] toegekende waardering heeft kunnen komen. Dat ook een andere waardering mogelijk was geweest, vormt geen grond voor een ander oordeel. Het betoog van [appellant sub 2] faalt.

2.11. In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 2] is, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

2.12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 2] niet-ontvankelijk voor zover het betrekking heeft op artikel 29, lid 29.2, van de planregels;

II. verklaart het beroep van [appellant sub 2] voor het overige en het beroep van [appellanten sub 1] geheel ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. T.G. Drupsteen, voorzitter, en drs. W.J. Deetman en mr. F.C.M.A. Michiels, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.M. Mathot, ambtenaar van staat.

w.g. Drupsteen w.g. Mathot

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 november 2011

413.