Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU5399

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-11-2011
Datum publicatie
23-11-2011
Zaaknummer
200908600/1/T1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 september 2009 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2011/98 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
JBO 2011/97 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/5046

Uitspraak

200908600/1/T1/R4.

Datum uitspraak: 18 november 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State in het geding tussen:

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Veldhoven,

2. [appellant sub 2], wonend te Eersel,

3. [appellant sub 3 A] en [appellante sub 3 B], beiden wonend te Vessem, gemeente Eersel (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 3]),

4. [appellant sub 4], wonend te Eersel,

5. [appellant sub 5], wonend te Wintelre, gemeente Eersel,

6. de stichting Stichting Steun AVKP, gevestigd te Eindhoven (hierna: de stichting),

7. [appellante sub 7], wonend te Wintelre, gemeente Eersel,

8. [appellant sub 8], wonend te Riethoven, gemeente Bergeijk,

9. [appellant sub 9], wonend te Knegsel, gemeente Eersel,

10. [appellant sub 10 A], wonend te Knegsel, gemeente Eersel, en [appellant sub 10 B], wonend te Vessem, gemeente Eersel,

11. [appellant sub 11], wonend te Knegsel, gemeente Eersel,

12. [appellant sub 12 A] en [appellante sub 12 B], beiden wonend te Wintelre, gemeente Eersel, (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 12]),

13. [appellant sub 13], wonend te Steensel, gemeente Eersel,

14. [appellante sub 14], wonend te Steensel, gemeente Eersel,

15. [appellant sub 15], wonend te Steensel, gemeente Eersel,

16. [appellant sub 10 B], wonend te Vessem, gemeente Eersel,

17. [appellant sub 17 A], wonend te Eersel, en [appellant sub 17 B], wonend te Hapert, gemeente Bladel, (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 17]),

18. [appellant sub 18], wonend te Wintelre, gemeente Eersel,

19. [appellant sub 19], wonend te Duizel, gemeente Eersel,

20. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Hortus Virides B.V., gevestigd te Eersel,

21. [appellant sub 21], wonend te Weert,

22. [appellant sub 22], wonend te Vessem, gemeente Eersel,

23. [appellant sub 23] en [appellant sub 17 A], beiden wonend te Eersel, (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 23]),

en

de raad van de gemeente Eersel,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 september 2009 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5], de stichting, [appellante sub 7], [appellant sub 8], [appellant sub 9], [appellant sub 10 A] en [appellant sub 10 B], [appellant sub 11], [appellant sub 12], [appellant sub 13], [appellante sub 14], [appellant sub 15], [appellant sub 10 B], [appellant sub 17], [appellant sub 18], [appellant sub 19], Hortus Virides, [appellant sub 21], [appellant sub 22] en [appellant sub 23] tijdig beroep ingesteld.

[appellant sub 1], [appellant sub 9], [appellant sub 10 A] en [appellant sub 10 B], [appellante sub 14], [appellant sub 10 B], [appellant sub 15], [appellant sub 13], [appellant sub 18], [appellant sub 19] en Hortus Virides hebben hun beroep aangevuld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

[appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 5], [appellante sub 7], [appellant sub 8], [appellant sub 9], [appellant sub 11], [appellant sub 13], [appellante sub 14], [appellant sub 15], [appellant sub 18], [appellant sub 19], [appellant sub 21], [appellant sub 23] en de raad hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

[appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 12], [appellant sub 13], [appellant sub 15], [appellant sub 5], [appellant sub 18], [appellant sub 22] en [appellant sub 23] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26, 27 en 28 september 2011, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. A.P. Cornelissen, advocaat te Middelharnis, [appellant sub 2], bijgestaan door M.G.J. Koenen, [appellant sub 3], beiden in persoon en bijgestaan door [gemachtigde], [appellant sub 4], in persoon, [appellant sub 5], vertegenwoordigd door mr. W. Krijger, de stichting, vertegenwoordigd door dr. A.J.H. van de Rijdt-van de Ven, [appellante sub 7], eveneens vertegenwoordigd door mr. W. Krijger, [appellant sub 8], bijgestaan door mr. W. Krijger, [appellant sub 9], bijgestaan door mr. J.A.J.M. van Houtum, [appellant sub 10 A] en [appellant sub 10 B], vertegenwoordigd door M.A.M. Jonkers, [appellant sub 11], in persoon, [appellant sub 12], beiden in persoon en bijgestaan door ing. J.B.M. Lauwerijssen, [appellant sub 13], eveneens vertegenwoordigd door M.A.M. Jonkers, [appellante sub 14], eveneens vertegenwoordigd door M.A.M. Jonkers, [appellant sub 15], eveneens vertegenwoordigd door M.A.M. Jonkers, [appellant sub 10 B], eveneens vertegenwoordigd door M.A.M. Jonkers, [appellant sub 17], in persoon, [appellant sub 18], vertegenwoordigd door mr. W. Krijger, [appellant sub 19], in persoon, Hortus Virides, vertegenwoordigd door [appellant sub 8], [appellant sub 21], bijgestaan door F. Hoelen en mr. H.U. van der Zee, [appellant sub 22], vertegenwoordigd door I.A.G.J. Spapens-Reijnders, [appellant sub 23], in persoon, en de raad, vertegenwoordigd door ing. P. Kieboom en J.J.M. Borrenbergs, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

De Afdeling heeft de behandeling van de beroepen van [19 appellanten] en de staatssecretaris van Defensie tegen het besluit van 29 september 2009 afgesplitst en voortgezet onder zaak nr. 200908600/6/R4.

2. Overwegingen

Bestuurlijke lus

2.1. Ingevolge artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State, voor zover hier van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

Gewijzigde vaststelling van het plan

2.2. [appellant sub 23] en [appellant sub 17] betogen onder meer dat het plan moet worden vernietigd reeds omdat de raad volgens hen bij besluit van 10 november 2009 het plan voor een tweede maal gewijzigd heeft vastgesteld.

Bij het besluit van 29 september 2009 tot vaststelling van het plan heeft de raad zeven amendementen aangenomen. Deze amendementen zijn aan het vaststellingsbesluit gehecht en maken daarvan deel uit. Vervolgens heeft de raad voorafgaand aan de terinzagelegging van het plan op 19 november 2009 in een beslissing van 10 november 2009 nader uiteengezet op welke wijze de amendementen in het plan zijn verwerkt. Vooropgesteld wordt dat het inherent is aan de in de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) opgenomen vaststellingsprocedure dat de wijzigingen van planregels en verbeelding, waarover bij de vaststelling van het plan is besloten, pas na afloop van de raadsvergadering in het plan worden aangebracht. Zolang wijzigingen in het ter inzage gelegde vastgestelde plan ondubbelzinnig zijn terug te voeren op door de raad bij de vaststelling van het plan aangenomen amendementen, zoals hier, wordt nadere besluitvorming door de raad over de wijze waarop die amendementen worden verwerkt, niet aangemerkt als een hernieuwde, gewijzigde vaststelling van het plan. Het betoog faalt.

Bijgebouwenregeling

2.3. In de artikelen 3.2.5, onder d, 4.2.5, onder d, 5.2.6, onder d, en in artikel 9.2.3 van de planregels is voor de bestemmingen "Agrarisch", "Agrarisch met waarden - Landschap", "Agrarisch met waarden - Landschap en natuur" en de bestemming "Bos" een zogenoemde 'bijgebouwenregeling' opgenomen voor veldschuren en andere gebouwen die buiten een in het plan aangegeven bouwvlak zijn opgericht. Ingevolge deze regeling mogen bestaande gebouwen alsmede gebouwen waaraan de aanduiding "bijgebouw" is toegekend, blijven bestaan, waarbij de bestaande situering, de bestaande goot- en bouwhoogte en de bestaande inhoud als maximum geldt. Deze gebouwen mogen niet worden herbouwd.

2.3.1. [appellant sub 1], [appellant sub 18], [appellante sub 14], [appellant sub 15] en [appellant sub 13] richten zich in beroep tegen de hiervoor genoemde bijgebouwenregeling. Zij betogen dat deze regeling een te vergaande beperking van hun rechten inhoudt en zich niet verhoudt met het overgangsrecht in artikel 37 van de planregels, nu de bebouwing ook in geval van een calamiteit niet mag worden herbouwd.

Door de raad is ter zitting desgevraagd verklaard dat voor zover in de bepalingen staat dat deze gebouwen niet mogen worden herbouwd, dit een verdergaande beperking met zich brengt dan op grond van het overgangsrecht in artikel 37 van de planregels. De raad acht het bij nader inzien aangewezen dat dit onderdeel van de bepalingen niet wordt gehandhaafd. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan zonder dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit voor zover het betreft de artikelen 3.2.5, onder d, 4.2.5, onder d, 5.2.6, onder d, en artikel 9.2.3 van de planregels niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het bestreden besluit is in zoverre vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

Het beroep van [appellant sub 1]

2.4. Het beroep van [appellant sub 1] richt zich tegen de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Bos" wat betreft een perceel aan de Kuilenhurk (ongenummerd) te Vessem.

2.4.1. [appellant sub 1] stelt zich op het standpunt dat het bestaande gebruik van het perceel als zodanig had moeten worden bestemd. Hij stelt dat het perceel en de schuur op het perceel worden gebruikt voor de hobbymatige opslag van materialen. Dit gebruik viel volgens hem reeds onder het overgangsrecht van het bestemmingsplan "Buitengebied, herziening 1986" van de voormalige gemeente Vessem. De raad had het bestaande gebruik daarom niet opnieuw onder de werking van het overgangsrecht mogen brengen, aldus [appellant sub 1].

2.4.2. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de raad het bestaande gebruik van het perceel en de schuur op het perceel niet onwenselijk acht en heeft beoogd dit gebruik in het plan dienovereenkomstig te bestemmen. Daarbij is de raad ervan uitgegaan dat het bestaande gebruik valt binnen het voor de bestemming "Bos" toegestane gebruik zoals omschreven in de artikelen 9.1.1 en 9.1.2 van de planregels.

2.4.2.1. Ingevolge artikel 9.1.1 van de planregels, voor zover hier van belang, zijn de voor "Bos" aangewezen gronden bestemd voor onder meer bosbouw en houtproductie, behoud, herstel en ontwikkeling van landschappelijke en natuurwaarden en extensief recreatief medegebruik, een en ander met bijbehorende voorzieningen zoals (on)verharde paden en overeenkomstig de in 9.1.2 opgenomen nadere detaillering van de bestemmingsomschrijving.

In artikel 9.1.2 van de planregels is voor extensief recreatief medegebruik de volgende nadere detaillering opgenomen: "Het gehele gebied gelegen binnen deze bestemming mag worden gebruikt ten behoeve van extensief recreatief medegebruik. Ter ondersteuning van het recreatief medegebruik worden beperkte recreatieve voorzieningen toegestaan in het gehele gebied zoals paden, banken, picknicktafels, bewegwijzering e.d."

Ingevolge artikel 9.3.1, aanhef en onder a, van de planregels wordt onder gebruik strijdig met de bestemming in ieder geval begrepen gebruik van gronden en opstallen voor het opslaan, storten of bergen van materialen, producten en mest, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte gebruik van de grond.

2.4.3. Ter zitting is gebleken dat de schuur op het perceel in gebruik is voor de opslag van materialen zoals tegels, hout en tuinstoelen. Naar het oordeel van de Afdeling valt dit niet binnen de doeleinden die in de artikelen 9.1.1 en 9.1.2 van de planregels zijn opgenomen. Uit artikel 9.3.1, aanhef en onder a, blijkt bovendien dat het gebruik van het perceel voor het opslaan, storten of bergen van materialen slechts is toegestaan als dit noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte gebruik van de grond. Niet aannemelijk is dat de opslag plaatsvindt ten behoeve van het op de bestemming "Bos" gerichte gebruik van de grond. Daarbij is van belang dat ter zitting is gebleken dat materialen in de schuur ten dele worden opgeslagen ten behoeve van het gebruik van een elders gelegen perceel. Gelet op het voorgaande staat artikel 9 van de planregels het bestaande gebruik van de schuur niet toe.

Nu het plan in zoverre niet is vastgesteld zoals de raad heeft beoogd, is het bestreden besluit wat dit onderdeel betreft niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Het beroep van [appellant sub 2]

2.5. Ter zitting heeft [appellant sub 2] de beroepsgrond inzake het plandeel met de bestemming "Agrarisch" ingetrokken.

2.5.1. Het beroep van [appellant sub 2] richt zich thans uitsluitend nog tegen de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Wonen" wat betreft het perceel Boksheidsedijk 10 te Eersel.

Woningen Boksheidsedijk 10a en 10 b

2.6. [appellant sub 2] is eigenaar van het perceel Boksheidsedijk 10. Op dit perceel is naast de woning Boksheide 10 een voormalig bedrijfsgebouw aanwezig dat in gebruik is voor twee woningen, plaatselijk bekend als Boksheidsedijk 10a en 10b. Deze woningen worden door [appellant sub 2] verhuurd.

2.6.1. [appellant sub 2] voert aan dat in het plan ten onrechte geen woonbestemming aan Boksheidsedijk 10a en 10b is toegekend. De twee woningen zijn volgens hem reeds lange tijd als zodanig in gebruik. [appellant sub 2] betoogt dat voor deze woningen niet kan worden volstaan met een persoonsgebonden overgangsrecht, zoals in het plan is opgenomen. Hij voert aan dat het gebruik als woning onder de werking viel van het overgangsrecht van het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1988" van de gemeente Eersel. Volgens [appellant sub 2] had het bestaande gebruik als zodanig moeten worden bestemd. Beëindiging van het bestaande gebruik is volgens hem binnen de planperiode niet te verwachten. Bovendien zijn de woningen volgens [appellant sub 2] legaal tot stand gekomen, omdat voor de verbouwing van het bijgebouw tot twee woningen geen bouwvergunning was vereist.

2.6.2. De raad stelt dat het gebouw waarin de twee woningen zich bevinden oorspronkelijk is gebouwd als bedrijfsgebouw bij een woning. Hiervoor is in 1967 een bouwvergunning verleend. Uit de tekening bij die vergunning blijkt volgens de raad niet dat het om een gebouw gaat dat geschikt is voor bewoning. Voorts is volgens de raad nooit een bouwvergunning verleend om het bedrijfsgebouw te verbouwen tot één of meer woningen. De bewoning van het voormalige bedrijfsgebouw is derhalve niet legaal ontstaan. Gelet op het gemeentelijke en provinciale beleid ten aanzien van nieuwe woningen in het buitengebied, dat onder meer is gericht op het tegengaan van verstening van het buitengebied, acht de raad het bestemmen van het bedrijfsgebouw als twee woningen niet gewenst. Nu het gebouw reeds lange tijd wordt bewoond en de bewoning onder het overgangsrecht van het bestemmingsplan "Buitengebied 1988" van de gemeente Eersel viel, is beëindiging van de bewoning volgens de raad niet direct mogelijk. De raad wil de bewoning van het voormalige bedrijfsgebouw echter wel eindig maken en heeft daarom met betrekking tot het gebruik van Boksheidsedijk 10a en 10b als woning een persoonsgebonden overgangsrecht in het plan opgenomen.

2.6.3. In het plan is ter plaatse van het voormalige bedrijfsgebouw Boksheidsedijk 10a en 10b voorzien in de bestemming "Wonen" met de aanduiding "specifieke vorm van wonen - persoonsgebonden overgangsrecht". Dit betekent dat het voormalige bedrijfsgebouw Boksheidsedijk 10a en 10b is bestemd als bijgebouw bij de woning Boksheidsedijk 10. Voor het gebruik van Boksheidsedijk 10a en 10b als woning is een persoonsgebonden overgangsrecht toegekend voor de bestaande gebruikers.

2.6.4. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting kan er naar het oordeel van de Afdeling van worden uitgegaan dat de in 1967 verleende bouwvergunning slechts betrekking had op de bouw van een bedrijfsgebouw bij een woning. [appellant sub 2] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de bouwvergunning ook de bouw van een woning toeliet of dat op een later moment een bouwvergunning is verleend voor de verbouwing van het bedrijfsgebouw tot twee woningen.

2.6.4.1. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het toekennen van een woonbestemming aan Boksheidsedijk 10a en 10b overeenkomstig het bestaande gebruik niet wenselijk is. Daarbij is in het bijzonder van belang dat het toestaan van twee nieuwe woningen op het perceel zich niet verdraagt met het beleid inzake het tegengaan van verstening van het buitengebied. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat aan gebruik in strijd met een geldende bestemming dan wel gebruik dat onder de werking van het overgangsrecht valt in beginsel niet de gerechtvaardigde verwachting kan worden ontleend dat dit gebruik in een volgend plan als zodanig zal worden bestemd, ook niet wanneer dit gebruik reeds lange tijd heeft plaatsgevonden.

Het betoog dat geen aanduiding voor een persoonsgebonden overgangsrecht kan worden toegekend omdat niet aannemelijk is dat het - met de bestemming strijdige - gebruik als woning binnen de planperiode zal worden beëindigd, faalt. Indien sprake is van bestaand gebruik dat in het voordien geldende plan onder de werking van het overgangsrecht viel en de raad geen aanleiding ziet actief over te gaan tot beëindiging van het gebruik door aankoop of onteigening, mag de raad er voor kiezen een persoonsgebonden overgangsrecht voor dat afwijkende gebruik op te nemen. Daarmee wordt bewerkstelligd dat het afwijkende gebruik, in overeenstemming met het karakter van overgangsrecht, eindig is.

Nu het gebruik al eerder onder het overgangsrecht is gebracht en niet aannemelijk is dat beëindiging van het gebruik binnen de planperiode is te verwachten, heeft de raad in redelijkheid kunnen besluiten dat met het toekennen van een persoonsgebonden overgangsrecht voor de bestaande gebruikers van Boksheidsedijk 10a en 10b voldoende recht wordt gedaan aan de gevestigde rechten en belangen van de bestaande gebruikers.

2.6.4.2. Voor Boksheidsedijk 10a en 10b is voorts een bouwvergunning verleend voor de bouw van een bedrijfsgebouw bij een woning. Naar het oordeel van de Afdeling sluit het bestemmen van dit gebouw als bijgebouw bij de woning Boksheidsedijk 10 voldoende aan bij de oorspronkelijke functie van het gebouw zoals vermeld in de bouwvergunning. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de raad ter zitting heeft verklaard dat, na beëindiging van de bewoning die op grond van het persoonsgebonden overgangsrecht vooralsnog is toegestaan, mogelijk alsnog handhavend zal worden opgetreden ten aanzien van het zonder bouwvergunning verbouwen van het voormalige bedrijfsgebouw tot twee woningen.

2.6.5. [appellant sub 2] betoogt voorts dat het niet als zodanig bestemmen van de Boksheidsedijk 10a en 10b als woning in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. In het bijzonder wijst hij op het toevoegen van woningen op de adressen Kreiel 8a, Mostheuvel 20a, Mostheuvel 23, Roestenberg 111a, Stevert 22, Postelseweg 86, Rosheuvel 8B en 8C. Volgens [appellant sub 2] zijn in deze gevallen woningen illegaal gesplitst en is niettemin in het plan een woonbestemming aan de toegevoegde woningen toegekend. Het bestaande gebruik van Boksheidsedijk 10a en 10b als woning had daarom eveneens als zodanig moeten worden bestemd, aldus [appellant sub 2].

2.6.6. Ten aanzien van de door [appellant sub 2] gemaakte vergelijking met het toevoegen van woningen op een aantal andere adressen in het buitengebied van de gemeente Eersel heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat deze gevallen verschillen van de aan de orde zijnde situatie, omdat het in deze gevallen ofwel gaat om boerderijsplitsingen, waarbij de raad belang hecht aan het behoud van de cultuurhistorische waarde van de gebouwen, ofwel om voormalige - legale - tweede bedrijfswoningen. In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant sub 2] genoemde situatie niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt.

Oppervlakte bijgebouwen

2.7. [appellant sub 2] kan zich er niet mee verenigen dat de gezamenlijke oppervlakte van de bijgebouwen bij zijn woning niet meer dan 80 m2 mag bedragen. De bestaande bijgebouwen op het perceel hebben volgens hem een grotere gezamenlijke oppervlakte. [appellant sub 2] betoogt dat de raad een uitzondering had moeten maken voor de bestaande bijgebouwen op zijn perceel, in plaats van deze bijgebouwen onder de werking van het overgangsrecht te brengen.

2.7.1. Ingevolge artikel 20.2.3 van de planregels, voor zover hier van belang, geldt voor bijgebouwen bij een woning een maximale gezamenlijke oppervlakte per bouwvlak van 80 m2.

2.7.2. Op het gedeelte van het perceel met de bestemming "Wonen" zijn twee bijgebouwen aanwezig, te weten het voormalige bedrijfsgebouw Boksheidsedijk 10a en 10b en een paardenstal. Deze gebouwen hebben volgens het deskundigenbericht een oppervlakte van 122 m2 onderscheidenlijk 50 m2. De totale oppervlakte van de bijgebouwen bedraagt derhalve meer dan 80 m2. Niet in geschil is dat voor de bouw van de bijgebouwen bouwvergunningen zijn verleend en dat deze gebouwen derhalve legaal zijn opgericht.

2.7.3. De bijgebouwen op het perceel zijn voor zover de oppervlakte daarvan meer dan 80 m2 bedraagt onder het overgangsrecht gebracht. De raad heeft ter zitting verklaard dat hij er bij nader inzien geen bezwaren tegen heeft om de bestaande legaal opgerichte bijgebouwen bij de woning Boksheidsedijk 10 tot maximaal de bestaande oppervlakte als zodanig te bestemmen. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit voor het plandeel met de bestemming "Wonen" wat betreft Boksheidsedijk 10a en 10b en de paardenstal niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. Het bestreden besluit is in zoverre vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Retrospectieve toets

2.8. [appellant sub 2] betoogt dat in de retrospectieve toets die bij de voorbereiding van het plan is uitgevoerd ten onrechte niet alle bestaande burgerwoningen in het plangebied zijn onderzocht. Hierdoor kan volgens hem niet worden nagegaan welke eerder niet bestemde (nood)woningen thans als zodanig zijn bestemd.

De retrospectieve toets maakt geen deel uit van het plan en staat in deze procedure derhalve als zodanig niet ter beoordeling. Voorts heeft [appellant sub 2] niet duidelijk gemaakt op welke wijze de volgens hem bestaande gebreken in de retrospectieve toets de rechtmatigheid van het plan aantasten. Reeds hierom kan deze beroepsgrond niet slagen.

Paardenbak

2.9. [appellant sub 2] voert daarnaast aan dat de paardenbak op zijn perceel uitdrukkelijk als zodanig had moeten worden bestemd, bijvoorbeeld door middel van een afzonderlijke aanduiding op de verbeelding.

2.9.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de bouw- en gebruiksregels de aanwezigheid en het gebruik van een paardenbak op gronden met de bestemming "Wonen" toestaan. Volgens de raad is het opnemen van een specifieke aanduiding voor de paardenbak op de verbeelding daarom niet nodig.

2.9.2. Ingevolge artikel 20.1.1 van de planregels zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor:

a. woningen, al dan niet in combinatie met aan huis verbonden beroepen en/of mantelzorg;

b. recreatieve voorzieningen in de vorm van kleinschalig kamperen of bed & breakfast;

c. ter plaatse van de aanduiding "cultuurhistorische waarden" het behoud, beheer en/of herstel van de cultuurhistorisch waardevolle (woon)boerderijen;

d. water en waterhuishoudkundige doeleinden;

een en ander met de bijbehorende voorzieningen, zoals tuinen en erven en overeenkomstig de in 20.1.2 opgenomen nadere detaillering van de bestemming.

Ingevolge artikel 20.2.1 van de planregels mogen uitsluitend bouwwerken worden opgericht ten dienste van de bestemming, zoals woningen met bijgebouwen en bijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

Artikel 20.2.3 van de planregels bevat eisen voor de maatvoering en situering van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Voor paardenbakken is in artikel 20.2.3 bepaald dat de oppervlakte maximaal 800 m2 mag bedragen, tezamen met het deel dat eventueel binnen de agrarische bestemming is gesitueerd.

2.9.3. De paardenbak op het perceel van [appellant sub 2] heeft een oppervlakte van 800 m2 en is geheel gelegen op het deel van het perceel met de bestemming "Wonen". De bouwregels voor de bestemming "Wonen", zoals neergelegd in artikel 20.2.3, van de planregels, maken de bouw van een paardenbak van deze omvang op dit deel van het perceel mogelijk. Nu de bouwregels voor de bestemming "Wonen" paardenbakken uitdrukkelijk vermelden, is de Afdeling van oordeel dat paardenbakken met een oppervlakte van maximaal 800 m2 door de raad zijn aangemerkt als een bijbehorende voorziening zijn als bedoeld in artikel 20.1.1 van de planregels. Het gebruik van een dergelijke paardenbak is aldus ingevolge het plan toegestaan op gronden met de bestemming "Wonen". Gelet hierop ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad een specifieke aanduiding voor de paardenbak op de verbeelding had moeten opnemen.

Lichtmasten

2.10. [appellant sub 2] betoogt voorts dat de lichtmasten op zijn perceel, die een hoogte van 5 meter hebben, in het plan ten onrechte onder de werking van het overgangsrecht zijn gebracht. [appellant sub 2] vreest dat hij zal worden gedwongen om de lichtmasten te verlagen.

2.10.1. De raad acht bij de bestemming "Wonen" een maximale hoogte van 4 meter wenselijk voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde. De raad stelt zich op het standpunt dat het niet wenselijk is om bij deze bestemming in zijn algemeenheid bouwwerken tot een hoogte van 5 meter toe te staan. De planregels verplichten [appellant sub 2] er niet toe om bestaande lichtmasten te verlagen, aldus de raad.

2.10.2. Ingevolge artikel 20.2.3 van de planregels, voor zover hier van belang, geldt voor andere dan de specifiek genoemde bouwwerken, geen gebouwen zijnde, een maximale bouwhoogte van 4 meter. Lichtmasten worden in deze bepaling niet specifiek genoemd.

2.10.2.1. Rond de paardenbak staan vier lichtmasten met een hoogte van 5 meter. Voor deze lichtmasten is bij besluit van 20 september 2007 een bouwvergunning verleend. Daarbij is tevens vrijstelling van het destijds geldende bestemmingsplan verleend. Ter plaatse van de lichtmasten rust op het perceel de bestemming "Wonen".

2.10.3. Nu op grond van artikel 20.2.3 van de planregels een maximale bouwhoogte van 4 meter geldt voor lichtmasten, zijn de bestaande lichtmasten onder de werking van het overgangsrecht voor bouwen gebracht. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de raad met artikel 20.2.3 van de planregels heeft beoogd een algemene regeling voor de maximale hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, op gronden met de bestemming "Wonen" vast te stellen. De raad heeft daarbij echter geen aandacht besteed aan de met vergunning opgerichte lichtmasten op het perceel van [appellant sub 2]. Uit het bestreden besluit blijkt niet dat de raad de met artikel 20.2.3, van de planregels te dienen belangen en de belangen van [appellant sub 2] tegen elkaar heeft afgewogen. Ook heeft de raad niet onderbouwd waarom de bestaande lichtmasten van 5 meter hoog in het plan niet als zodanig kunnen worden bestemd.

Gelet op het voorgaande is het bestreden besluit, voor zover het de lichtmasten op het perceel van [appellant sub 2] betreft, in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Tennisbaan

2.11. [appellant sub 2] voert aan dat de tennisbaan op zijn perceel ten onrechte niet als zodanig is bestemd. Hij stelt dat de tennisbaan legaal is opgericht en reeds lange tijd aanwezig is. [appellant sub 2] stelt zich op het standpunt dat de tennisbaan als zodanig op de verbeelding dient te worden weergegeven en dat in verband hiermee het bestemmingsvlak met de bestemming "Wonen" dient te worden doorgetrokken tot aan de weg.

2.11.1. De raad stelt dat de tennisbaan naar aanleiding van de zienswijzen in het bestemmingsvlak voor de bestemming "Wonen" is opgenomen. De in de planregels opgenomen bouw- en gebruiksregels voor deze bestemming laten volgens de raad de aanwezigheid van de tennisbaan en het omringende hekwerk, alsmede het gebruik van de tennisbaan toe.

2.11.2. Naar het oordeel van de Afdeling kan de tennisbaan niet worden aangemerkt als een bijbehorende voorziening als bedoeld in artikel 20.1.1 van de planregels. De tennisbaan heeft volgens het deskundigenbericht een verhard oppervlak van ongeveer 28 meter bij 38 meter en wordt omgeven door hoge hekken. De ruimtelijke uitstraling van de tennisbaan is daarom naar het oordeel van de Afdeling niet vergelijkbaar met die van tuinen en erven, die in artikel 20.1.1 van de planregels als voorbeelden van bijbehorende voorzieningen bij onder meer woningen worden genoemd. Tevens is van belang dat de bouwregels voor de bestemming "Wonen" tennisbanen, anders dan bijvoorbeeld paardenbakken, niet uitdrukkelijk toestaan.

De tennisbaan op het perceel kan derhalve niet worden beschouwd als een bij de woning van [appellant sub 2] behorende voorziening die op grond van artikel 20.1.1 van de planregels is toegestaan. De raad is daar bij de vaststelling van het plan echter wel van uitgegaan en heeft beoogd de tennisbaan op deze wijze als zodanig te bestemmen. De vaststelling van het plan is daarom, voor zover het de tennisbaan op het perceel van [appellant sub 2] betreft, in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Het beroep van [appellant sub 3]

Ontvankelijkheid

2.12. De raad stelt dat het beroep van [appellant sub 3] niet-ontvankelijk is, omdat hij geen zienswijzen naar aanleiding van het ontwerpplan naar voren heeft gebracht.

2.12.1. Ingevolge de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Awb wordt het ontwerpplan ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht bij de raad.

Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wro en artikel 6:13 van de Awb, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan door de belanghebbende die tegen het ontwerpplan tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht. Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht.

2.12.2. [appellant sub 3] heeft geen zienswijze met betrekking tot het ontwerpplan naar voren gebracht bij de raad. Ter rechtvaardiging hiervan heeft [appellant sub 3] aangevoerd dat hij ten tijde van de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen nog geen eigenaar of gebruiker was van de percelen aan de Stroomkesberg 2 te Vessem.

2.12.3. Het ontwerpplan heeft vanaf 28 mei 2009 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Uit de stukken blijkt dat [appellant sub 3] pas na afloop van deze termijn, namelijk op 13 oktober 2009, een koopovereenkomst heeft gesloten met betrekking tot de percelen aan de Stroomkesberg 2 te Vessem. Gelet hierop kan hem niet worden verweten dat hij geen zienswijzen naar aanleiding van het ontwerpplan naar voren heeft gebracht. Er bestaat daarom geen aanleiding het beroep van [appellant sub 3] niet-ontvankelijk te verklaren.

Inhoudelijke bezwaren

2.13. [appellant sub 3] richt zich tegen de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Bos" wat betreft de percelen 1048 en 1049 ter plaatse van Stroomkesberg 2 te Vessem. Hij betoogt dat de op deze gronden aanwezige tot woning omgebouwde veldschuur met daarbij behorende bijgebouwen ten onrechte niet als zodanig is bestemd, maar ten onrechte opnieuw onder de werking van het overgangsrecht is gebracht. In dit verband wijst hij er op dat tot op heden niet daadwerkelijk handhavend is opgetreden tegen dit gebruik, dat in ieder geval al sinds 1976 plaatsvindt.

2.13.1. Nu dit gebruik reeds onder het overgangsrecht van het voorheen geldende plan viel en derhalve kenbaar was dat dit gebruik door de raad niet als een goede ruimtelijke ordening werd beschouwd, mocht de raad ervan uitgaan dat [appellant sub 3] ervan op de hoogte was dat de raad uitging van beëindiging van dit gebruik gedurende de planperiode. De raad heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de langere duur van het gebruik van de veldschuur als woning geen aanspraak geeft op een woonbestemming. Gelet op het vorenstaande en gezien het gemeentelijke en provinciale beleid dat is gericht op het tegengaan van onnodige verstening van het buitengebied, heeft de raad in redelijkheid het bestemmen van de veldschuur met bijgebouwen als woning, zoals door [appellant sub 3] wordt bepleit, niet wenselijk kunnen achten.

2.13.2. Niet is betwist dat de tot woning omgebouwde veldschuur met daarbij behorende bijgebouwen onder het overgangsrecht van het voorheen geldende plan "Buitengebied, herziening 1986" van de voormalige gemeente Vessem valt. Gelet op artikel 37.2.1 gelezen in samenhang met artikel 37.2.4 van de planregels is deze bebouwing thans opnieuw onder het overgangrecht gebracht.

Het opnieuw onder het overgangsrecht brengen van dit gebruik is, gelet op het karakter van het overgangsrecht dat is gericht op beëindiging van het gebruik, in verband met de rechtszekerheid in beginsel echter slechts toegestaan indien aannemelijk is dat het gebruik binnen de planperiode zal worden beëindigd. Indien niet aannemelijk is dat het gebruik binnen de planperiode zal worden beëindigd, zal in het plan in ieder geval een regeling ten behoeve van het langdurig bestaand gebruik dienen te worden opgenomen, bijvoorbeeld door persoonsgebonden overgangsrecht of een uitsterfregeling voor dat afwijkende gebruik op te nemen. Daarmee wordt bewerkstelligd dat het afwijkende gebruik, in overeenstemming met het karakter van overgangsrecht, eindig is.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is echter duidelijk geworden dat [appellant sub 3] niet voornemens is het bestaande gebruik van de veldschuur en de bijgebouwen als woning te beëindigen. Nu niet is gebleken dat het gemeentebestuur voornemens is de percelen te verwerven of tot onteigening over te gaan, is niet aannemelijk geworden dat het gebruik desondanks binnen de planperiode zal worden beëindigd. Het gebruik van de veldschuur met bijgebouwen als woning is derhalve ten onrechte opnieuw onder het overgangsrecht gebracht. Het betoog slaagt.

In hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan voor zover dat betrekking heeft op het plandeel met de bestemming "Bos" wat betreft de percelen 1048 en 1049 ter plaatse van Stroomkesberg 2 te Vessem is vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid.

Hees 58: De beroepen van [appellant sub 4] en [appellant sub 17 A].

2.14. [appellant sub 4] richt zich tegen de gewijzigde vaststelling van het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschap" wat betreft het perceel 298, ter plaatse van Hees 58. Hij stelt dat bij de vaststelling ten onrechte de omvang van het bestemmingvlak met de bestemming "Wonen" op zijn perceel is verkleind ten opzichte van het ontwerpplan. Dit is volgens hem in strijd met de door hem gemaakte afspraken met een wethouder en een gemeenteambtenaar. Hierdoor is het volgens hem niet mogelijk om twee bestaande bijgebouwen te slopen en om op ongeveer dezelfde locatie één nieuw bijgebouw te realiseren.

2.14.1. De raad stelt dat in het ontwerpplan zonder nadere onderbouwing en in strijd met het beleid dat de woonbestemming rechtstreeks wordt overgenomen uit het voorheen geldende plan was voorzien in een vergroting van het bestemmingsvlak met de bestemming "Wonen" op het perceel Hees 58. Bij de vaststelling van het plan is dit bestemmingsvlak daarom aangepast en alsnog overgenomen uit het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1988, 1e partiële herziening" van de gemeente Eersel.

2.14.2. Op het perceel 298 ter plaatse van Hees 58 staan twee schuren, elk met een oppervlak van ongeveer 54 m2. Deze schuren staan op ongeveer 60 meter van de woning Hees 58. Aan het perceel 298 is in het plan de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschap" toegekend. Het plan voorziet niet in een bouwvlak op dit perceel.

2.14.3. [appellant sub 4] heeft bij het opstellen van het ontwerpplan verzocht om een bouwvlak op te nemen ter plaatse van de bestaande schuren op het perceel 298 met de bedoeling deze te vervangen door één nieuwe schuur. Het betoog van [appellant sub 4] dat vanwege met een wethouder en een gemeenteambtenaar gemaakte afspraken het vertrouwensbeginsel is geschonden, slaagt niet. De Afdeling overweegt dat in het algemeen geen rechten kunnen worden ontleend aan toezeggingen die zijn gedaan door niet ter zake beslissingsbevoegden. De bevoegdheid tot het vaststellen van een bestemmingsplan berust niet bij een wethouder of een ambtenaar, maar bij de raad. De raad van de gemeente Eersel heeft het plan op dit punt derhalve niet in strijd met het vertrouwensbeginsel vastgesteld.

2.14.4. De Afdeling acht het uitgangspunt om in beginsel de woonbestemmingen over te nemen uit het voorheen geldende plan niet onredelijk. De raad heeft voorts vergroting van het bestemmingvlak met de bestemming "Wonen" op het perceel niet wenselijk kunnen achten omdat daarmee tevens bouwactiviteiten worden toegestaan waarvoor geen omgevingsvergunning is vereist. De raad heeft ter zitting verklaard dat de schuren op het perceel bestaande gebouwen zijn zoals bedoeld in artikel 4.2.5, onder d, van de planregels en dat deze schuren derhalve met de bestaande situering, de bestaande goot- en bouwhoogte en de bestaande inhoud op het perceel kunnen worden gehandhaafd. Gelet hierop en bezien in het licht van het uitgangspunt dat in beginsel geen nieuwe bebouwing buiten het bouwvlak wordt toegestaan en alleen bestaande gebouwen mogen worden gehandhaafd, heeft de raad zich na afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet in een bouwvlak voor een nieuwe schuur behoefde te worden voorzien.

2.14.5. [appellant sub 17 A] heeft zijn betoog dat ten onrechte een houtwal ten zuidwesten van Hees 58 aan het bosareaal is onttrokken, niet nader onderbouwd. Een enkele verwijzing naar andere procedures is daartoe onvoldoende. Gelet hierop treft dit betoog geen doel.

2.14.6. In hetgeen [appellant sub 4] en [appellant sub 17 A] in zoverre hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschap" wat betreft het perceel 298, ter plaatse van Hees 58 in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 5]

2.15. Het beroep van [appellant sub 5] richt zich tegen de vaststelling van de plandelen met de bestemmingen "Wonen" en "Agrarisch" wat betreft het perceel Koemeersedijk 4 te Wintelre.

2.15.1. [appellant sub 5] oefent op het perceel en enkele omliggende percelen een agrarisch bedrijf uit. Hij voert aan dat aan een deel van het perceel ten onrechte een woonbestemming is toegekend. Ook is volgens hem ten onrechte geen bouwvlak opgenomen op het deel van het perceel met de bestemming "Agrarisch". De woonbestemming en het ontbreken van een bouwvlak maken de gewenste agrarische bedrijfsvoering, bestaande uit een boomkwekerij met neventak hoveniersbedrijf en statische opslag van caravans, volgens [appellant sub 5] onmogelijk.

2.15.2. De raad heeft in het plan aan een deel van het perceel de bestemming "Wonen" toegekend en aan de rest van het perceel de bestemming "Agrarisch" zonder aanduiding voor een bouwvlak.

In het verleden werd op het perceel een intensieve veehouderij uitgeoefend. Dit bedrijf is in 2007 beëindigd met toepassing van de Regeling beëindiging veehouderijbedrijven. Met de regeling in het plan heeft de raad willen voorkomen dat op het perceel opnieuw een intensieve veehouderij kan worden gevestigd en dat extra bebouwing kan worden opgericht.

De raad acht een agrarische bestemming voor een boomkwekerij op het perceel zonder uitbreiding van de bebouwing aanvaardbaar. De raad stelt zich echter op het standpunt dat de bedrijfsplannen daarvoor ten tijde van de vaststelling van het plan onvoldoende concreet waren. Daarnaast bestond volgens de raad op dat moment onvoldoende zekerheid over de milieuhygiënische inpasbaarheid van de voorgenomen activiteiten, omdat nog geen melding op grond van artikel 8.41 van de Wet milieubeheer was gedaan. Om bedrijfsactiviteiten te voorkomen zolang de vereiste duidelijkheid over de gevolgen voor de omgeving ontbreekt, heeft de raad in het plan aan een deel van het perceel de bestemming "Wonen" toegekend, en voor het deel van het perceel met de bestemming "Agrarisch" geen aanduiding voor een bouwvlak opgenomen.

2.15.3. De Afdeling stelt vast dat de planregels voor de bestemmingen "Wonen" en "Agrarisch" de door [appellant sub 5] gewenste agrarische bedrijfsactiviteiten niet toelaten. In dat verband is onder meer van belang dat ingevolge artikel 3.1.2, onder a, van de planregels op gronden met de bestemming "Agrarisch" een agrarisch bedrijf uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "bouwvlak" mag worden uitgeoefend. Uit artikel 1.7 van de planregels volgt dat een boomkwekerij moet worden aangemerkt als agrarisch bedrijf. Van belang is voorts dat artikel 20 van de planregels agrarisch gebruik binnen de bestemming "Wonen" niet toestaat.

2.15.4. Op grond van het voorgaande bestemmingsplan "Buitengebied, herziening 1986" van de voormalige gemeente Vessem, rustte op het perceel de bestemming "Agrarisch gebied" met een aanduiding voor een bebouwingsvlak. Tot 2007 werd op het perceel een intensieve veehouderij geëxploiteerd. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat het perceel na de beëindiging van de intensieve veehouderij - en ook ten tijde van de vaststelling van het plan - eveneens werd gebruikt voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf, namelijk voor de boomkwekerij met hoveniersbedrijf van [appellant sub 5]. [appellant sub 5] wenst het perceel ook in de toekomst voor dit doel te gebruiken. De raad was ten tijde van de vaststelling van het plan op de hoogte van het voornemen van [appellant sub 5] om op het perceel een boomkwekerij met als nevenactiviteit een hoveniersbedrijf uit te oefenen, hoewel [appellant sub 5] in verband daarmee nog geen melding op grond van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer had ingediend. [appellant sub 5] heeft ter zitting verklaard dat geen uitbreiding van de bedrijfsbebouwing op het perceel is beoogd.

2.15.5. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad onvoldoende gemotiveerd waarom in het plan, in afwijking van het vorige plan en het ten tijde van de vaststelling van het plan bestaande gebruik van het perceel, bestemmingen aan het perceel zijn toegekend die de uitoefening van een agrarisch bedrijf met een hoveniersbedrijf en caravanopslag als nevenactiviteit niet mogelijk maken. Dat nog geen melding op grond van de Wet milieubeheer was ingediend, is niet beslissend omdat de beoogde bedrijfsuitoefening in ieder geval in hoofdlijnen bij de raad bekend was. Voorts is van belang dat in het plan ook op andere wijze dan door het toekennen van een woonbestemming en het achterwege laten van een agrarisch bouwvlak had kunnen worden verzekerd dat de intensieve veehouderij op het perceel niet zou worden hervat. Dat de voor de veehouderij verleende milieuvergunning ten tijde van de vaststelling van het plan nog niet was ingetrokken, is in dat verband niet van belang, nu van die vergunning geen gebruik kan worden gemaakt als het geldende bestemmingsplan de vergunde activiteiten niet toestaat.

2.15.6. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 5] heeft aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat de plandelen met de bestemmingen "Wonen" en "Agrarisch" wat betreft het perceel Koemeersedijk 4 te Wintelre zijn vastgesteld in strijd met artikel 3:46 van de Awb.

Het beroep van de stichting

2.16. De stichting richt zich tegen de vaststelling van artikel 27.5.2, aanhef en onder a, van de planregels. Zij voert aan dat hierin voor de gronden met de bestemmingen "Agrarisch", "Agrarisch met waarden - Landschap" en "Agrarisch met waarden - Landschap en natuur" ten onrechte is bepaald dat de aanlegvergunningplicht slechts geldt voor werkzaamheden in de bodem vanaf een diepte van 50 cm onder het bestaande maaiveld. De stichting stelt zich op het standpunt dat ter plaatse van deze bestemmingen een vergunningplicht zou moeten gelden voor werkzaamheden in de bodem vanaf een diepte van 30 cm onder het bestaande maaiveld, zoals bij andere bestemmingen ook het geval is. Dit is volgens haar noodzakelijk ter bescherming van archeologische waarden.

In het bijzonder betoogt de stichting dat, doordat de vergunningplicht voor bepaalde bestemmingen niet van toepassing is voor werkzaamheden in de bodem tot een diepte van 50 cm onder het bestaande maaiveld, bij dergelijke bodemwerkzaamheden ten onrechte geen voorafgaand onderzoek naar de archeologische verwachtingswaarde hoeft te worden verricht. Volgens de stichting verdraagt dit zich niet met de Monumentenwet 1988, alsmede met rijks- en provinciaal beleid. Voorts is volgens haar niet uit onderzoek gebleken dat op alle gronden met de bestemmingen "Agrarisch", "Agrarisch met waarden - Landschap" en "Agrarisch met waarden - Landschap en natuur" tot een diepte van 50 cm onder het maaiveld geen archeologische waarden in de bodem zijn te verwachten.

2.16.1. De raad heeft in het plan de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie aandachtsgebied" toegekend aan gronden met een hoge en middelhoge verwachtingswaarde voor archeologische bodemvondsten. De raad heeft zich daarbij gebaseerd op de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden van de provincie Noord-Brabant. Ter bescherming van de archeologische waarden heeft de raad in artikel 27 van de planregels voor deze gronden een aanlegvergunningstelsel opgenomen. Op gronden met de bestemmingen "Agrarisch", "Agrarisch met waarden - Landschap" en "Agrarisch met waarden - Landschap en natuur" is voor werkzaamheden in de bodem tot een diepte van 50 cm onder het maaiveld geen aanlegvergunning vereist. De raad heeft in de toelichting in het plan onder meer overwogen dat de agrarische gronden in het plangebied reeds lange tijd zijn gebruikt en bewerkt en dat diepwoelen en ploegen op een diepte van meer dan 30 cm voor een normale bedrijfsvoering en een goede teelt van onder andere maïs, bieten, schorseneren en boomkwekerijen een noodzakelijke dan wel gangbare praktijk is. Ook is volgens de raad in verband met de ruilverkaveling de bodem vaak al tot minimaal 50 cm diepte verstoord. Tot een diepte van 50 cm onder het maaiveld is op agrarische percelen de trefkans voor archeologische vondsten daarom zeer gering, aldus de raad. Voorts stelt de raad dat het hanteren van een grens van 30 cm diepte in de praktijk niet goed kan worden gehandhaafd onder meer omdat in veel gevallen slechts aan een deel van een agrarisch perceel een archeologische dubbelbestemming is toegekend.

2.16.2. Ingevolge artikel 27.1 van de planregels zijn de voor "Waarde - Archeologie aandachtsgebied" aangewezen gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor behoud en bescherming van waardevolle verwachte archeologische informatie in de bodem.

Uit artikel 27.5.1 van de planregels volgt dat het verboden is zonder of in afwijking van een aanlegvergunning op de gronden met de bestemming "Waarde - Archeologie aandachtsgebied" de in die bepaling genoemde werken of werkzaamheden uit te voeren.

Ingevolge artikel 27.5.2, aanhef en onder a, geldt het onder 27.5.1 vervatte verbod niet voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft tot een diepte van 30 cm onder het bestaande maaiveld, met dien verstande dat ter plaatse van de bestemmingen "Agrarisch", "Agrarisch met waarden - Landschap" en/of "Agrarisch met waarden - Landschap en natuur" een diepte geldt van 50 cm onder het bestaande maaiveld.

2.16.3. De Afdeling overweegt dat de raad voorafgaand aan de vaststelling van het plan geen gericht onderzoek heeft verricht naar de mate van verstoring die in het verleden reeds heeft plaatsgevonden op agrarische percelen met de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie aandachtsgebied" en naar de daar te verwachten resterende archeologische waarden. Volgens het deskundigenbericht kan zonder nader onderzoek op perceelsniveau in zijn algemeenheid niet worden gesteld dat tot 50 cm diepte de trefkans op archeologisch waardevolle vondsten laag is. Ter zitting heeft de raad gesteld dat uit het na de vaststelling van het plan verschenen onderzoek van het Samenwerkingsverband Regio Eindhoven is gebleken dat ongeveer 23% van de agrarisch bestemde gronden in het plangebied mogelijk nog een hogere archeologische verwachtingswaarde hebben en dat voor de overige agrarische gronden tot een diepte van 50 cm onder het maaiveld weinig archeologische waarden zijn te verwachten. Naar aanleiding van dit onderzoek heeft de raad ter zitting erkend dat niet kan worden uitgesloten dat in het plan voor bepaalde agrarische percelen met de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie aandachtsgebied" ten onrechte van een diepte van 50 cm in plaats van 30 cm onder het maaiveld is uitgegaan als grens voor de aanlegvergunningplicht.

Gelet op het voorgaande is artikel 27.5.2, aanhef en onder a, van de planregels vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Het beroep van [appellante sub 7]

2.17. [appellante sub 7] betoogt dat het bouwvlak op het perceel Oostelbeersedijk 18 niet conform de bestaande en vergunde bebouwing op de verbeelding is weergegeven. De machineberging ligt gedeeltelijk buiten het bouwvlak, in de bestemming "Groen - Landschappelijke inpassing".

2.17.1. Ter zitting heeft de raad verklaard met de vaststelling van het plandeel de bestaande en vergunde activiteiten ter plaatse van het perceel Oostelbeersedijk 18 als zodanig te hebben willen bestemmen. De raad heeft ter zitting medegedeeld de situatie ter plaatse van perceel Oostelbeersedijk 18 opnieuw te willen onderzoeken om zeker te stellen of het bedoelde bouwvlak zodanig in het vastgestelde bestemmingsplan is opgenomen, dat de bestaande en vergunde bebouwing binnen het bouwvlak ligt.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit wat betreft het plandeel in kwestie is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het bestreden besluit is in zoverre vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Het beroep van [appellant sub 8]

2.18. [appellant sub 8] richt zich tegen de vaststelling van de plandelen met de bestemmingen "Natuur", "Agrarisch met waarden - Landschap" en "Bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf-8" wat betreft het perceel Hees 4 te Eersel. Daartoe voert hij aan dat het plan ten onrechte tot een beperking van de bestaande bouw- en uitbreidingsmogelijkheden van het ter plaatse gevestigde tuincentrum leidt.

2.18.1. [appellant sub 8] is eigenaar van het perceel Hees 4. Het perceel heeft een omvang van 51.800 m². Op dit perceel werd tot 2009 een tuincentrum geëxploiteerd.

In het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1988" van de gemeente Eersel is aan het noordelijke deel van het perceel Hees 4 overwegend de bestemming "Agrarisch gebied, alsmede gebied met landschappelijke waarde" toegekend; aan een klein gedeelte daarvan is de bestemming "Bossen" toegekend. Aan deze plandelen zijn geen bouwvlakken toegekend. Aan het zuidelijke deel van het perceel is de bestemming "Tuincentrum" met een bouwvlak toegekend.

Ingevolge artikel 17 van de planvoorschriften van het voorheen geldende plan is, voor zover thans van belang, op het plandeel met de bestemming "Tuincentrum" binnen het bebouwingsvlak 2.000 m² aan bedrijfbebouwing en 5.000 m² kassen toegestaan. Ingevolge lid B II van dit artikel waren het college van burgemeester en wethouders voorts onder de daarin opgenomen voorwaarden bevoegd vrijstelling te verlenen voor de bouw van één bedrijfswoning.

In het onderhavige plan is aan het perceel Hees 4 overwegend de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf-8" toegekend. De omvang van het bouwvlak op dit plandeel is overgenomen uit het voorheen geldende plan. Aan een kleine strook grond aan de noordzijde van het perceel is de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschap" toegekend. In het midden van het perceel is aan een vierkant stuk grond de bestemming "Natuur" toegekend.

Ingevolge artikel 6.1.2, onder a, gelezen in samenhang met artikel 6.2.4 van de planregels is op het perceel Hees 4 een tuincentrum toegestaan met een bebouwde oppervlakte van 2.000 m².

2.18.2. Op 23 juni 2009 is een bouwvergunning eerste fase verleend voor het oprichten van 2.080 m² bedrijfsbebouwing en 5.468 m² kassen op het perceel Hees 4. De raad heeft erkend dat deze bouwvergunning abusievelijk niet is verwerkt in het plan. Gelet hierop is het bestreden besluit op dit punt niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid.

2.18.3. [appellant sub 8] betoogt dat het plan, gelet op de toezegging in de brief van 28 februari 2000, ten onrechte niet voorziet in een verdere uitbreiding tot 14.000 m² bedrijfsbebouwing en in zoverre is vastgesteld in strijd met het vertrouwensbeginsel. De door [appellant sub 8] overgelegde brief van het college van burgemeester en wethouders van 28 februari 2000 is gericht aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Van Straten Vastgoed B.V. In deze brief staat onder meer dat is besloten om in principe - behoudens instemming door de gemeenteraad en goedkeuring van het college van gedeputeerde staten - akkoord te gaan met een verhoging van het bebouwingsmaximum tot 14.000 m². Daargelaten of een principebesluit om medewerking te verlenen aan een beoogde ontwikkeling kan worden aangemerkt als een concrete toezegging en daargelaten of deze toezegging geacht kan worden te zijn gedaan aan [appellant sub 8], slaagt het betoog reeds niet omdat in het algemeen geen rechten kunnen worden ontleend aan toezeggingen die zijn gedaan door niet ter zake beslissingsbevoegden. De bevoegdheid tot het vaststellen van een bestemmingsplan berust niet bij het college van burgemeester en wethouders, maar bij de raad van de gemeente Eersel. De raad heeft het plan op dit punt derhalve niet in strijd met het vertrouwensbeginsel vastgesteld.

2.18.4. Verder heeft [appellant sub 8] zijn stelling dat sprake is van een concreet voornemen voor een uitbreiding tot 14.000 m² niet gestaafd, zodat de raad de beoogde uitbreiding niet in het plan heeft hoeven opnemen. Voor zover [appellant sub 8] heeft verwezen naar plannen die dateren uit 2000 wordt overwogen dat de raad deze plannen, voor zover die al voldoende onderbouwd zouden zijn, in redelijkheid niet voldoende actueel heeft mogen achten.

Voor zover [appellant sub 8] voorts een vergelijking heeft gemaakt met de uitbreidingsmogelijkheden die in het plan zijn voorzien op het perceel Eerselseweg 35 te Knegsel, gemeente Eersel, wordt overwogen dat in beide gevallen is voorzien in een uitbreiding. [appellant sub 8] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het plan in zoverre is vastgesteld in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Het betoog faalt.

2.18.5. [appellant sub 8] heeft niet onderbouwd waarom, gelet op de aard en de omvang van het bedrijf, waarop de eerdergenoemde bouwvergunning ziet, het oprichten van een bedrijfswoning noodzakelijk is met het oog op de bedrijfsvoering. De raad heeft naar het oordeel van de Afdeling aan de omstandigheid dat het vorige plan in een vrijstellingsbevoegdheid voor een bedrijfswoning voorzag geen groot gewicht hoeven toekennen, nu het gebruik van deze vrijstellingsbevoegdheid in het geval van [appellant sub 8] ruim twintig jaar onbenut is gebleven. Dat [appellant sub 8] in 2005 een aanvraag om vergunning voor de bouw van een bedrijfswoning heeft ingediend maakt dit niet anders, nu deze aanvraag niet in behandeling is genomen vanwege het ontbreken van de vereiste stukken en [appellant sub 8] kennelijk geen aanleiding heeft gezien een nieuwe aanvraag in te dienen. Dit geldt evenzeer voor de omstandigheid dat op een tekening van de op 23 juni 2009 verleende bouwvergunning een bedrijfswoning is ingetekend, nu een bouwvergunning voor de realisering van deze woning daarbij niet is aangevraagd.

2.18.6. Gelet op het vorenstaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen aanleiding bestaat in een bouwmogelijkheid voor een bedrijfswoning te voorzien.

2.18.7. [appellant sub 8] heeft ter zitting toegelicht dat hij zich richt tegen de bestemmingen "Agrarisch met waarden - Landschap" en "Natuur" die zijn toegekend aan een gedeelte van zijn perceel, omdat deze bestemmingen een uitbreiding naar 14.000 m² bedrijfsbebouwing in de weg staan. Nu de raad zich gelet op hetgeen onder 2.18.3. en 2.18.4. is overwogen in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat in deze door [appellant sub 8] gewenste uitbreiding niet behoefde te worden voorzien, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad deze bestemmingen niet in redelijkheid aan die plandelen heeft kunnen toekennen. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat aan het noordelijke gedeelte van het perceel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschap" in het voorheen geldende plan eveneens een agrarische bestemming was toegekend en aan het plandeel met de bestemming "Natuur" in het voorheen geldende plan de bestemming "Bossen" was toegekend. Volgens het deskundigenbericht zijn deze gronden begroeid met bomen en maken daarmee onderdeel uit van het daarnaast gelegen bos. De enkele stelling van [appellant sub 8] dat geen sprake is van natuur leidt dan ook niet tot een ander oordeel.

2.18.8. Tot slot heeft [appellant sub 8] niet aangetoond dat hij op zijn gronden op grond van het bestemmingsplan "Buitengebied 1988" 1.000 m2 kassen mocht oprichten. Een enkele verwijzing naar een brief van het college van burgemeester en wethouders waarin deze mogelijkheid wordt genoemd is onvoldoende voor het oordeel dat de raad gehouden was bij de vaststelling van het bestemmingsplan hiermee rekening te houden. Het betoog faalt.

2.18.9. In hetgeen [appellant sub 8] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de plandelen met de bestemmingen "Agrarisch met waarden - Landschap" en "Natuur" wat betreft het perceel Hees 4 strekken ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Voorts ziet de Afdeling, gelet op hetgeen is overwogen in 2.18.2., in hetgeen [appellant sub 8] heeft aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit wat betreft het plandeel met de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf-8" voor het perceel Hees 4 is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Het beroep van [appellant sub 9]

2.19. [appellant sub 9] richt zich tegen de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschap" wat betreft het perceel Eerselseweg 13, te Knegsel, gemeente Eersel. Hij voert aan dat zijn bouwvlak ten onrechte is verkleind, wat tot een onevenredige belemmering van zijn bedrijfsvoering leidt.

2.19.1. [appellant sub 9] exploiteert op het perceel Eerselseweg 13 een gemengd agrarisch bedrijf met een grondgebonden bedrijfstak en een intensieve veehouderijtak. Op het perceel staan een bedrijfswoning en een aantal bedrijfsgebouwen.

In het voorheen geldende plan "Buitengebied herziening 1986" van de voormalige gemeente Vessem is aan het perceel Eerselseweg 13 de bestemming "Landschappelijk waardevol agrarisch gebied" en de aanduiding "kernrandgebied" toegekend met een bouwvlak met een oppervlakte van ongeveer 1 hectare.

In het onderhavige plan is aan het perceel Eerselseweg 13 onder meer de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschap" en de aanduiding "gemengd" toegekend. Verder is aan het perceel de gebiedsaanduiding "reconstructiewetzone-extensiveringsgebied overige" toegekend. Het bouwvlak op het perceel heeft een omvang van ongeveer 0,4 hectare.

2.19.2. [appellant sub 9] betoogt tevergeefs dat het bouwvlak zoals dat was opgenomen in het voorheen geldende plan op grond van het bij de vaststelling aangenomen amendement B in het onderhavige plan als zodanig had moeten worden bestemd.

Bij de vaststelling van het plan is amendement B aangenomen dat onder meer inhoudt dat voor grondgebonden bedrijven in extensiveringsgebieden de bestaande bouwvlakken in het plan zullen worden gehandhaafd. Niet in geschil is dat het bedrijf van [appellant sub 9] een gemengd bedrijf is. Gelet hierop heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat [appellant sub 9] geen beroep kan doen op eerdergenoemd amendement B, nu dit amendement, voor zover thans van belang, alleen op grondgebonden bedrijven in extensiveringsgebieden ziet.

2.19.3. Volgens [appellant sub 9] is onvoldoende onderbouwd waarom zijn bouwvlak is verkleind. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 4 april 2007, zaak nr. 200506283/1, voert hij aan dat ten onrechte het 'bouwvlak-op-maat' principe is gehanteerd, nu het voorheen geldende bouwvlak niet in strijd was met het Streekplan 1992 en dus als zodanig had moeten worden overgenomen.

2.19.4. De raad heeft voor zijn beleid over het toekennen van agrarische bouwvlakken aangesloten bij het vastgestelde, deels herziene reconstructiebeleid uit het Reconstructieplan Beerze-Reusel. In eerdergenoemde uitspraak van 4 april 2007 heeft de Afdeling overwogen dat de beleidsuitspraken in paragraaf 11.6.1. van deel B van het Reconstructieplan niet rechtstreeks kunnen doorwerken naar bestemmingsplannen maar dat dit onverlet laat dat deze beleidsuitspraken wel bij de vaststelling en toetsing van bestemmingsplannen dienen te worden betrokken. De raad heeft derhalve bij het toekennen van bouwvlakken terecht aangesloten bij het reconstructiebeleid.

In de uitspraak van de Afdeling van 4 april 2007 is verder overwogen dat de beleidsuitspraak, dat bestaande bouwrechten dienen te vervallen indien het bestemmingsplan waarin die rechten zijn vastgelegd niet is getoetst aan het streekplan 1992 of 2002 en geen sprake is van een aantoonbaar concreet initiatief, niet zonder meer redelijk is. In dat geval dient volgens de Afdeling maatgevend te zijn of de toegekende bouwrechten wat omvang betreft in overeenstemming zijn met hetgeen het streekplan 1992 dan wel 2002 toestaat. Uit deze overweging volgt dat als sprake is van de hiervoor omschreven situatie dat bouwrechten zijn gebaseerd op een bestemmingsplan dat niet is getoetst aan het streekplan 1992 of 2002 het niet zonder meer redelijk is om bestaande bouwrechten te laten vervallen en dat dan een concrete planologische afweging zal moeten worden gemaakt waarbij moet worden bezien of en zo ja in hoeverre vanuit ruimtelijk oogpunt bezien die bestaande rechten kunnen worden gehandhaafd. Uit deze overweging volgt, anders dan [appellant sub 9] betoogt, niet dat het bestaande bouwvlak in dat geval zonder meer in het nieuwe plan moet worden overgenomen.

2.19.5. In dit verband brengt [appellant sub 9] naar voren dat de specifieke situatie en omstandigheden wat betreft zijn perceel onvoldoende in kaart zijn gebracht dan wel dat daarmee onvoldoende rekening is gehouden nu zijn concrete uitbreidingsplannen niet in het plan zijn verwerkt en derhalve ten onrechte niet in uitbreidingsruimte is voorzien.

2.19.6. In de plantoelichting en in de nota van zienswijzen is de werkwijze beschreven voor het toekennen van bouwvlakken voor agrarische bedrijven die is gebaseerd op bijlage 5.2 van het Reconstructieplan.

Volgens de plantoelichting is op basis van de gegevens van de veldinventarisatie, luchtfoto's, milieugegevens en bij de gemeente kenbaar gemaakte concrete uitbreidingsplannen een bouwvlak vormgegeven waarbinnen alle (legale) bestaande bebouwing en bouwwerken (waaronder de bedrijfswoning, bijgebouwen, stallen, machineberging, mestopslag, voedersilo's, (boog) kassen) evenals bijbehorende voorzieningen (erfverharding, kuilvoerplaten, paardenbakken en erfbeplanting) zijn opgenomen. Daarnaast is een uitbreiding van vijftien procent meegenomen.

Volgens de nota van zienswijzen worden onder concrete uitbreidingsplannen onder meer begrepen ontwikkelingen waarvoor een milieuvergunning in procedure is en waarvan verondersteld mag worden dat de vergunning te verlenen is. Volgens de nota zienswijzen gaat het om aanvragen om vergunning die ontvankelijk zijn en milieutechnisch haalbaar. Verder staat daarin dat ook bij deze concrete plannen de vijftien procent uitbreiding wordt opgeteld aangezien ervan uit wordt gegaan dat de uitbreidingsplannen op korte termijn uitgevoerd worden. Andere bedrijfsplannen en schetsen worden niet in het bouwblok opgenomen, aldus de nota van zienswijzen.

2.19.7. Op 4 juni 2009 heeft [appellant sub 9] bij het college van burgemeester en wethouders een melding ingediend ten behoeve van een aantal veranderingen binnen zijn inrichting. Op 7 oktober 2009 is een milieuvergunning verleend voor het oprichten van een loods en een mestopslag ten oosten van de bestaande bebouwing op het perceel.

De zienswijze van [appellant sub 9] is gegrond verklaard voor zover in het plan geen rekening is gehouden met voornoemde uitbreidingsplannen, die volgens de Nota van zienswijzen concreet zijn in de vorm van een aanvraag voor een nieuwe milieuvergunning en milieutechnisch haalbaar moeten worden geacht. Volgens het deskundigenbericht liggen de vergunde loods en mestopslag binnen het in het plan toegekende bouwvlak maar benutten deze de voorziene uitbreidingsruimte van vijftien procent, waardoor [appellant sub 9] na realisatie van de vergunde bebouwing geen uitbreidingsruimte meer heeft. De raad heeft, bezien in het licht van de gegrondverklaring van de zienswijze, in het besluit noch ter zitting draagkrachtig gemotiveerd waarom hij de uitbreidingsruimte van vijftien procent niet overeenkomstig het in de nota van zienswijzen weergegeven beleid heeft opgeteld bij de uitbreidingsplannen van [appellant sub 9].

2.19.8. De raad heeft zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat in een verdergaande uitbreiding van het bouwvlak niet behoefde te worden voorzien. Ten aanzien van de in het deskundigenbericht vermelde voornemens van [appellant sub 9] om de vaste mestopslag te verplaatsen en een sleufsilo voor kuilvoor te realiseren, wordt overwogen dat in zoverre geen sprake was van aantoonbaar concrete initiatieven waarmee de raad ten tijde van de vaststelling van het plan rekening had moeten houden. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat in het plan een wijzigingsbevoegdheid is opgenomen die vergroting van het bouwvlak van de grondgebonden bedrijfstak van het gemengde bedrijf mogelijk maakt.

2.19.9. Gelet op hetgeen is overwogen onder 2.19.7. ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 9] heeft aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschap" wat betreft het perceel Eerselseweg 13, te Knegsel, is vastgesteld in strijd met artikel 3:46 van de Awb.

Het beroep van [appellant sub 10 A] en [appellant sub 10 B]

2.20. [appellant sub 10 A] en [appellant sub 10 B] richten zich in hun beroep tegen de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Agrarisch" wat betreft het perceel Vessemseweg 14 te Knegsel.

[appellant sub 10 A] en [appellant sub 10 B] zijn eigenaar onderscheidenlijk gebruiker van dit perceel. Zij voeren aan dat voor het agrarisch bedrijf op het perceel op de verbeelding ten onrechte niet de aanduiding "gemengd" is opgenomen. Zij stellen dat de raad de door hen ingediende zienswijzen op dit punt gegrond heeft verklaard en bij de beantwoording van de zienswijzen heeft vermeld dat het plan gewijzigd wordt vastgesteld en dat daarbij voor dit perceel de aanduiding "gemengd" wordt opgenomen. Deze aanduiding is volgens hen echter niet op de verbeelding weergegeven.

2.20.1. Uit de stukken blijkt dat de raad heeft beoogd het bestemmingsplan ten aanzien van het perceel Vessemseweg 14 te Knegsel gewijzigd vast te stellen ten opzichte van het ontwerp en voor dit perceel de aanduiding "gemengd" op te nemen. De verbeelding bevat deze aanduiding echter niet. Nu het plan derhalve in zoverre niet is vastgesteld zoals de raad heeft beoogd, is het bestreden besluit wat dit onderdeel betreft niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Het beroep van [appellant sub 11]

2.21. Het beroep van [appellant sub 11] is gericht tegen de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Wonen" en de aanduiding "specifieke vorm van wonen - persoonsgebonden overgangsrecht" ter plaatse van het perceel Oeyenbos 8A/8B. [appellant sub 11] stelt dat allebei de panden bestemd hadden moeten worden als burgerwoning. Verder voert zij aan dat het niet duidelijk is welke van de twee panden is bestemd als burgerwoning. Ten slotte stelt zij dat artikel 37.3.1 van de planregels een tegenstrijdigheid bevat in de formulering waardoor het onduidelijk is op wie het persoonsgebonden overgangsrecht van toepassing is. Als rechthebbende worden immers achtereenvolgens aangemerkt diegenen die het gebouw gebruiken als burgerwoning ten tijde van het ter inzage leggen van het ontwerp van het bestemmingsplan en de persoon/personen die op het moment van het van kracht worden van deze regels volgens de gemeentelijke basisadministratie van de gemeente Eersel als hoofdbewoner en diens partner staan ingeschreven op het betreffende adres.

2.21.1. De raad stelt dat er geen aanleiding is om aan het pand aan de Oeyenbos 8B een woonbestemming toe te kennen nu dit zonder bouwvergunning voor een woning is opgericht, en het bestemmen als woning, gelet op het beleid ten aanzien van nieuwe woningen in het buitengebied, niet gewenst is. Verder heeft de raad, nu niet aannemelijk is dat de bewoning van het pand Oeyenbos 8B binnen de planperiode zal eindigen, daarvoor persoonsgebonden overgangsrecht opgenomen.

2.21.2. Op het perceel Oeyenbos 8A/8B staan twee panden. Het pand Oeyenbos 8B is gelijktijdig opgericht met het pand Oeyenbos 8A op grond van een bouwvergunning voor een "tuinderswoning met bedrijfsruimte". Tussen partijen is niet in geschil dat het pand Oeyenbos 8B sinds 1968 wordt bewoond als burgerwoning. Aan dit pand is in het plan de aanduiding "specifieke vorm van wonen - persoonsgebonden overgangsrecht" toegekend. De gronden ter plaatste van het perceel Oeyenbos 8A/8B zijn bestemd als "Wonen".

Ingevolge artikel 20.2.1 van de planregels mogen op de gronden met de bestemming "Wonen" uitsluitend woningen met bijgebouwen en bijbehorende bouwwerken geen gebouwen zijnde worden opgericht.

Ingevolge artikel 20.1.2, onder c, sub 1, is per bestemmingsvlak met de bestemming "Wonen" maximaal één woning toegestaan, tenzij het bestemmingsvlak is voorzien van de aanduiding "maximum aantal wooneenheden". Op het betreffende plandeel staat deze aanduiding niet aangegeven. Derhalve is ter plaatse van dit perceel één woning toegestaan.

Ingevolge artikel 20.5.1, onder a, van de planregels is het op de voor "Wonen" aangewezen gronden gebruik van vrijstaande bijgebouwen als zelfstandige woning en als afhankelijke woonruimte in strijd met de bestemming.

2.21.3. In het plan "Buitengebied" van de voormalige gemeente Vessem zijn de gronden ter plaatse van het perceel Oeyenbos 8A/8B bestemd als "Woondoeleinden" in de klasse "H".

Ingevolge artikel 11, lid A, van de voorschriften van het vorige plan mag binnen het vlak met de bestemming "Woondoeleinden" en de klasse "H" niet meer dan één vrijstaande woning worden gebouwd.

Ingevolge artikel 11, lid C, van de voorschriften van het vorige plan is het tijdelijk of permanent bewonen van een opstal geen woning zijnde in strijd met de aan de grond gegeven bestemming "Woondoeleinden in de aangegeven klasse".

2.21.4. Vast staat dat het gebruik als woning van het pand aan de Oeyenbos 8B onder het overgangsrecht van het vorige plan viel en in het geldende plan opnieuw onder het overgangsrecht is gebracht. In een situatie als deze, waarin moet worden aangenomen dat van gemeentewege niet kan worden opgetreden tegen het huidige gebruik, ligt het op de weg van de raad na te gaan of een bestemming van het gebouw als woning mogelijk is. Wanneer blijkt dat dit niet mogelijk is, kan de raad in overweging nemen het bestaande gebruik van het gebouw opnieuw onder het overgangsrecht te brengen. Daarvoor is vereist dat de verwachting bestaat dat het gebruik binnen de planperiode zal worden beëindigd. Indien de raad echter geen aanleiding ziet actief over te gaan tot beëindiging van het gebruik door aankoop of onteigening, kan hij in overweging nemen om voor het gebruik een persoonsgebonden overgangsrecht op te nemen. Daarmee wordt bewerkstelligd dat het afwijkende gebruik, in overeenstemming met het karakter van het overgangsrecht, eindig is.

Hetgeen [appellant sub 11] heeft aangevoerd leidt niet tot het oordeel dat de raad niet in redelijkheid kon besluiten om, gelet op het beleid, Oeyenbos 8B niet als woning te bestemmen. De raad heeft naar het oordeel van de Afdeling met de belangen van [appellant sub 11] door het opnemen van een persoonsgebonden overgangsrecht voldoende rekening gehouden.

2.21.5. De Afdeling stelt vast dat op de verbeelding aan Oeyenbosch 8B de aanduidig "specifieke vorm van wonen - persoonsgebonden overgangsrecht" is toegekend zodat in zoverre geen onduidelijkheid bestaat en het plan in zoverre niet is vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid.

2.21.6. De raad heeft ter zitting erkend dat de formulering van het persoonsgebonden overgangsrecht inconsistent is. De raad acht het daarom bij nader inzien aangewezen dat dit onderdeel van de bepalingen niet op deze wijze in stand blijft. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit voor zover het betreft artikel 37.3.1 van de planregels niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid, en derhalve in zoverre is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Het beroep van [appellant sub 12]

2.22. [appellant sub 12] richt zich in beroep tegen de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf-2" wat betreft het perceel Bijsterveld 12a te Wintelre, gemeente Eersel (hierna: plandeel Bijsterveld) voor zover dit niet in de aanduiding "bedrijfswoning" voorziet. Subsidiair voert hij aan dat in het plan in ieder geval een persoonsgebonden overgangsrecht had moeten worden opgenomen voor het gebruik van de stal op het plandeel Bijsterveld als bedrijfswoning.

2.22.1. [appellant sub 12] woont in een tot woning omgebouwde stal op het plandeel Bijsterveld. In het onderhavige plan is aan het plandeel Bijsterveld de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf-2" toegekend. Aan dit plandeel is niet de aanduiding "bedrijfswoning" en ook niet de aanduiding "geen bedrijfswoning" toegekend.

2.22.2. Het betoog van [appellant sub 12] dat gelet op de plansystematiek in het plan in beginsel had moeten worden aangegeven dat op het plandeel Bijsterveld geen bedrijfswoning is toegestaan, is niet zonder grond. Dit betoog kan echter niet leiden tot het daarmee beoogde doel, nu ingevolge artikel 6.2.2, aanhef en onder a, van de planregels buiten twijfel is dat ter plaatse geen bedrijfswoning is toegestaan. Het plan is in zoverre niet voor meerderlei uitleg vatbaar en is derhalve in zoverre niet vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid.

2.22.3. Bij brief van 27 maart 1986 heeft het college van burgemeester en wethouders van de voormalige gemeente Vessem in antwoord op zijn verzoek om de op het perceel aanwezige stal en schuur te gebruiken ten behoeve van zijn agrarische bedrijf aan [appellant sub 12] medegedeeld dat dit beoogde gebruik, waaronder mede begrepen wonen, in strijd is met het geldende bestemmingsplan. Volgens die brief was het college bereid een wijziging van het bestemmingsplan voor te bereiden en in procedure te brengen. Bij brief van 15 juli 1986 heeft het college voorts aan [appellant sub 12] medegedeeld dat met de planherziening zal worden aangevangen. Vervolgens is op 8 november 1988 tussen [appellant sub 12 A] en de gemeente een overeenkomst gesloten waarin de gemeente toestemming verleent aan [appellant sub 12 A] om een deel van het bedrijfspand (de stal) op het plandeel Bijsterveld te bewonen. Vanaf 1992 zijn de agrarische activiteiten op het plandeel Bijsterveld beëindigd en is de op het perceel aanwezige schuur in gebruik genomen voor de stalling van caravans.

2.22.4. Uit de door [appellant sub 12] overgelegde brieven van het college van burgemeester en wethouders van 27 maart 1986 en 15 juli 1986 volgt slechts dat het college voorbereidingen zou treffen voor een herziening van het bestemmingsplan ten behoeve van het door [appellant sub 12] beoogde gebruik van het plandeel voor zijn agrarische bedrijf, waaronder wonen. Het betoog dat gelet op deze toezegging het plan is vastgesteld in strijd met het vertrouwensbeginsel faalt. Niet alleen is in eerstgenoemde brief duidelijk aangegeven dat de herziening nog door de raad en het college van gedeputeerde staten moet worden vastgesteld onderscheidenlijk moet worden goedgekeurd, maar bovendien kunnen in het algemeen geen rechten worden ontleend aan toezeggingen die zijn gedaan door niet ter zake beslissingsbevoegden. De bevoegdheid tot het vaststellen van een bestemmingsplan berust niet bij het college van burgemeester en wethouders, maar bij de raad. De raad heeft het plan op dit punt dan ook niet in strijd met het vertrouwensbeginsel vastgesteld.

2.22.5. Voorts heeft [appellant sub 12] in beroep een vergelijking gemaakt met het perceel Oirschotsedijk 6-8, waaraan in het plan wel de aanduiding "bedrijfswoning" is toegekend. Volgens de raad verschilt deze situatie van de aan de orde zijnde situatie omdat de woningen op deze percelen met een bouwvergunning voor een woning zijn gerealiseerd en reeds in het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1988" van de gemeente Veldhoven als bedrijfswoning waren bestemd. In hetgeen [appellant sub 12] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant sub 12] genoemde situatie niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie en dat van gelijke gevallen in zoverre geen sprake is.

2.22.6. Gelet op het vorenstaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen aanleiding bestaat om aan het plandeel Bijsterveld de aanduiding "bedrijfswoning" toe te kennen.

2.22.7. Ter zitting is door de raad erkend dat het gebruik van de stal als bedrijfswoning met het onderhavige plan opnieuw onder het overgangsrecht is gebracht, terwijl de raad niet voornemens is dat gebruik tijdens de planperiode te doen beëindigen. Voorts heeft de raad ter zitting verklaard dat, mede gelet op de door de gemeente met [appellant sub 12] gesloten overeenkomst, het bij nader inzien aangewezen is om in het plan voor [appellant sub 12 A] en [appellante sub 12 B] een persoonsgebonden overgangsrecht op te nemen voor het gebruik van de stal op het plandeel Bijsterveld als bedrijfswoning. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit voor het plandeel met de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf-2" wat betreft het perceel Bijsterveld 12a te Wintelre, gemeente Eersel, niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het bestreden besluit is in zoverre vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Het beroep van [appellant sub 13]

2.23. Het beroep van [appellant sub 13] richt zich voor het overige tegen de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarde - Landschap" en de aanduiding "bijgebouw" wat betreft het perceel Nedermolen 5. Hij betoogt dat aan het perceel Nedermolen 5 een woonbestemming had moeten worden toegekend nu het op het perceel aanwezige gebouw al sinds 1987 voor woondoeleinden wordt gebruikt. Tevens betoogt hij dat het op het perceel aanwezige bijgebouw als zodanig bestemd had moeten worden nu dit sinds 1987 als garage in gebruik is. Het bestaande gebruik wordt met het plan ten onrechte voor de tweede keer onder het overgangsrecht gebracht, terwijl niet aannemelijk is geworden dat dit gebruik binnen de planperiode zal eindigen, aldus [appellant sub 13].

2.23.1. Ter zitting heeft de raad erkend dat sinds 1987 sprake is van permanente bewoning van Nedermolen 5, en dat dit gebruik in het onderhavige plan opnieuw onder de werking van het overgangsrecht is gebracht.

Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich, gelet op het gemeentelijke en provinciale beleid dat is gericht op het tegengaan van onnodige verstening van het buitengebied, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het toekennen van een woonbestemming aan Nedermolen 5 overeenkomstig het bestaande gebruik niet passend is.

De raad heeft ter zitting verklaard dat bij nader inzien het aangewezen is om voor [appellant sub 13] een persoonsgebonden overgangsrecht op te nemen voor het gebruik van Nedermolen 5 als woning. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit voor het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarde - Landschap" en de aanduiding "bijgebouw" wat betreft het perceel Nedermolen 5 niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het bestreden besluit is in zoverre vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Het beroep van [appellante sub 14]

2.24. Het beroep van [appellante sub 14] richt zich tegen de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschap" met aanduidingen voor twee bijgebouwen wat betreft een perceel aan de Zandstraat (ongenummerd) te Steensel. [appellante sub 14] kan zich niet verenigen met de beslissing van de raad om geen medewerking te verlenen aan de vestiging van een paardenhouderij op haar perceel. Zij betoogt dat een paardenhouderij ter plaatse toelaatbaar is op grond van de beleidsnota "Buitengebied in ontwikkeling" van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: de beleidsnota), omdat de locatie kan worden aangemerkt als voormalige agrarische bedrijfslocatie en voldoet aan de eisen die in de beleidsnota ten aanzien van paardenhouderijen worden gesteld.

2.24.1. Volgens de raad past het toestaan van nieuwe bouwblokken in het buitengebied niet in het gemeentelijke en provinciale beleid. In de plantoelichting is de raad ingegaan op de mogelijkheden voor de vestiging van paardenhouderijen. Voor de uitwerking van een vestigingsbeleid voor de paardenhouderij is aangesloten bij het provinciale beleid. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen agrarische productiegerichte paardenhouderijen en publieksgerichte en verkeersaantrekkende paardenhouderijen, zoals maneges. Voor de vestiging van agrarische productiegerichte paardenhouderijen geldt blijkens de toelichting een aantal voorwaarden. Een van deze voorwaarden is dat nieuwvestiging van deze bedrijven op een nieuw agrarisch bouwperceel is uitgesloten. Hervestiging van dan wel omschakeling naar een paardenhouderij kan binnen de bestemming "Agrarisch" en "Agrarisch met waarden - Landschap" door middel van een wijzigingsplan worden toegestaan, mits de locatie niet is gelegen binnen een landbouwontwikkelingsgebied.

2.24.2. Uit de artikelen 4.1.1, 4.1.2, onder a, aanhef en onder 1, en 4.1.2, onder b, van de planregels volgt dat het uitoefenen van een bedrijfsmatige paardenhouderij op gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschap" uitsluitend is toegestaan als ter plaatse de aanduidingen "bouwvlak" en "paardenhouderij" op de verbeelding zijn weergegeven. Voor het perceel van [appellante sub 14] zijn deze aanduidingen niet op de verbeelding opgenomen.

2.24.3. Het perceel van [appellante sub 14] had in het vorige bestemmingsplan "Buitengebied 1988" van de gemeente Eersel een agrarische bestemming; in dat plan was geen bouwvlak voor het perceel opgenomen. De raad acht het toekennen van nieuwe bouwvlakken en het toekennen van een nieuw agrarisch bouwperceel voor nieuwvestiging van een productiegerichte paardenhouderij op het perceel niet wenselijk. Dit standpunt komt overeen met het gemeentelijke en provinciale beleid, dat onder meer is gericht op het tegengaan van verstening van het buitengebied. De Afdeling acht voorts van belang dat hervestiging of omschakeling naar een paardenhouderij in dit geval niet aan de orde is, omdat ten tijde van de vaststelling van het plan geen agrarisch bedrijf op het perceel was gevestigd en op grond van het vorige plan ook niet gevestigd mocht zijn. Gelet op het voorgaande heeft de raad in redelijkheid kunnen besluiten om geen paardenhouderij op het perceel mogelijk te maken.

Hetgeen in de beleidsnota is vermeld, doet hieraan niet af. In de beleidsnota staat onder meer dat vestiging van een paardenhouderij op een voormalige agrarische bedrijfslocatie onder bepaalde voorwaarden is toegestaan. Deze voorwaarden gelden echter - nog daargelaten of in dit geval aan de voorwaarden wordt voldaan - alleen voor de vestiging van een paardenhouderij op een voormalige agrarische bedrijfslocatie. Volgens de beleidsnota wordt onder een voormalige agrarische bedrijfslocatie verstaan: een agrarisch of niet-agrarisch bouwblok waarop in het verleden een agrarisch bedrijf werd uitgeoefend en waarvan de bedrijfsgebouwen nog geheel of gedeeltelijk bestaan. Naar het oordeel van de Afdeling kan het perceel van [appellante sub 14] niet worden aangemerkt als voormalige agrarische bedrijfslocatie. Zoals hiervoor is overwogen, was in het vorige plan geen bouwvlak toegekend aan het perceel. Ter zitting heeft de Afdeling geconstateerd dat tot ongeveer 1975 een melkveehouderij op het perceel werd geëxploiteerd en dat daarna geen agrarisch bedrijf op het perceel meer is uitgeoefend. Nu geen sprake is van een voormalige agrarische bedrijfslocatie, geeft de beleidsnota reeds hierom geen aanleiding om de vestiging van een paardenhouderij ter plaatse toe te staan.

2.25. [appellante sub 14] stelt dat het perceel ten tijde van de vaststelling van het plan werd gebruikt voor het hobbymatig houden van paarden. Zij voert aan dat dit bestaande gebruik in het plan ten onrechte opnieuw onder het overgangsrecht is gebracht. Het bestaande gebruik had volgens [appellante sub 14] als zodanig moeten worden bestemd.

2.25.1. De raad betoogt dat artikel 4.1.1, onder a, van de planregels het hobbymatig houden van paarden toestaat op gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschap".

2.25.2. Ingevolge artikel 4.1.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Agrarisch met waarden - Landschap" aangewezen gronden onder meer bestemd voor agrarisch gebruik.

De planregels bevatten geen definitie van het begrip 'agrarisch gebruik'. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de uitleg die de raad blijkens het verweerschrift en het verhandelde ter zitting aan dit begrip geeft niet kan worden gevolgd. Derhalve kan ervan worden uitgegaan dat het hobbymatig houden van paarden kan worden aangemerkt als agrarisch gebruik als bedoeld in artikel 4.1.1, aanhef en onder a, van de planregels en is toegestaan op gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschap". Anders dan [appellante sub 14] betoogt, is het bestaande gebruik van het perceel in het plan dan ook niet onder de werking van het overgangsrecht gebracht. Het beroep mist in zoverre feitelijke grondslag.

2.26. [appellante sub 14] kan zich niet verenigen met de toekenning van de aanduiding "bijgebouw" aan de twee bestaande gebouwen op haar perceel.

2.27. Zoals de Afdeling onder 2.3.1. reeds heeft overwogen, is het bestreden besluit, voor zover het de bijgebouwenregeling in onder meer artikel 4.2.5, onder d, van de planregels betreft, vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Gelet hierop behoeven de overige beroepsgronden die [appellante sub 14] heeft aangevoerd over de regeling in het plan voor de twee als bijgebouw aangeduide gebouwen op haar perceel thans geen bespreking.

2.28. [appellante sub 14] voert verder aan dat de paardenbak op haar perceel ten onrechte onder de werking van het overgangsrecht is gebracht.

2.28.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de paardenbak niet onder de werking van het overgangsrecht is gebracht, nu de regels voor de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschap" bouwwerken met een hoogte van maximaal 1,5 meter toestaan. De omheining voor de paardenbak, waarvoor bij besluit van 14 november 2006 een bouwvergunning is verleend, valt hieronder, aldus de raad.

2.28.2. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de raad heeft beoogd de paardenbak op het perceel van [appellante sub 14] in het plan als zodanig te bestemmen. In artikel 4.2.5 van de planregels zijn voor de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschap" regels opgenomen over het oprichten van bouwwerken buiten de aanduiding "bouwvlak". Uit artikel 4.2.5, aanhef en onder c, volgt dat paardenbakken buiten een bouwvlak niet zijn toegestaan. Nu ter plaatse van de paardenbak geen aanduiding "bouwvlak" aan het perceel is toegekend, is een paardenbak daar niet toegestaan. Dit geldt ook voor de omheining van de paardenbak. Uit het voorgaande leidt de Afdeling bovendien af dat binnen de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschap" ook het gebruik van de paardenbak buiten een bouwvlak niet is toegestaan. Ter zitting heeft de raad erkend dat het plan, voor zover het de paardenbak op het perceel van [appellante sub 14] betreft, anders is vastgesteld dan de raad heeft beoogd. Het bestreden besluit is op dit punt in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Het beroep van [appellant sub 15]

2.29. Het beroep van [appellant sub 15] richt zich voor het overige tegen de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarde - Landschap" en de aanduiding "bijgebouw" wat betreft het perceel Nedermolen 3/5a. Hij betoogt dat aan het perceel Nedermolen 3/5a een woonbestemming had moeten worden toegekend. Daartoe voert hij aan dat het agrarische bedrijfsgebouw op het perceel al sinds 1983 voor woondoeleinden wordt gebruikt. Voorts stelt hij dat het provinciale beleid zich niet tegen een woonbestemming verzet. Het bestaande gebruik wordt met het plan ten onrechte voor de tweede keer onder het overgangsrecht gebracht, terwijl niet aannemelijk is geworden dat dit gebruik binnen de planperiode zal eindigen, aldus [appellant sub 15].

2.29.1. Ter zitting heeft de raad erkend dat sinds 1983 sprake is van permanente bewoning van Nedermolen 5a en dat het pand aan de Nedermolen 3 sinds voornoemde datum wordt gebruikt als bijgebouw. De raad heeft ook erkend dat het gebruik van de woning en het bijgebouw met het geldende plan opnieuw onder het overgangsrecht is gebracht.

Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich, gelet op het gemeentelijke en provinciale beleid dat is gericht op het tegengaan van onnodige verstening van het buitengebied, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het toekennen van een woonbestemming aan Nedermolen 5a overeenkomstig het bestaande gebruik niet passend is.

De raad heeft ter zitting verklaard dat het bij nader inzien het aangewezen is om in het plan voor [appellant sub 15] een persoonsgebonden overgangsrecht op te nemen voor het gebruik van Nedermolen 3/5a als woning. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit voor het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarde - Landschap" en de aanduiding "bijgebouw" wat betreft het perceel Nedermolen 3/5a niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het bestreden besluit is in zoverre vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Het beroep van [appellant sub 10 B]

2.30. Het beroep van [appellant sub 10 B] richt zich tegen de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschap" met de aanduiding "gemengd" wat betreft het perceel Mr. de la Courtstraat 34 te Vessem. [appellant sub 10 B] betoogt dat aan dit perceel ten onrechte de aanduiding "gemengd" is toegekend. Dit heeft tot gevolg dat de exploitatie van een bedrijf voor intensieve veehouderij op het perceel volgens het plan niet meer is toegestaan. Het ontwerpplan bevatte voor het perceel nog de aanduiding "intensieve veehouderij".

2.30.1. De raad heeft erkend dat bij de vaststelling van het plan de aanduiding "intensieve veehouderij" op het perceel van [appellant sub 10 B], zoals opgenomen in het ontwerpplan, in het definitieve plan abusievelijk is vervangen door de aanduiding "gemengd". Nu het plan derhalve in zoverre niet is vastgesteld zoals de raad heeft beoogd, is het bestreden besluit wat dit onderdeel betreft niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Het beroep van [appellant sub 17] en [appellant sub 23]

Ontvankelijkheid

2.31. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro kan uitsluitend een belanghebbende beroep instellen tegen een besluit inzake de vaststelling van een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

De wetgever heeft deze eis gesteld teneinde te voorkomen dat een ieder, in welke hoedanigheid ook, of een persoon met slechts een verwijderd of indirect belang als belanghebbende zou moeten worden beschouwd en beroep zou kunnen instellen. Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, dient een natuurlijk persoon een voldoende objectief en actueel, eigen, persoonlijk belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit. Een louter subjectief gevoel van betrokkenheid bij een besluit, hoe sterk dat gevoel ook is, is daarvoor niet voldoende.

2.31.1. Het beroep van [appellant sub 17] is onder meer gericht tegen de planregeling voor de percelen Tasbroekwegje 1 en 13.

De Afdeling stelt vast dat deze percelen op een afstand van ongeveer één kilometer van de percelen van [appellant sub 17] liggen. [appellant sub 17] heeft geen zicht op deze percelen. Mede gelet op de aard en omvang van de ruimtelijke ontwikkelingen die met het plan mogelijk worden gemaakt op deze plandelen, is de afstand naar het oordeel van de Afdeling te groot om in zoverre te kunnen spreken van een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang. [appellant sub 17] heeft geen feiten of omstandigheden gesteld in verband waarmee moet worden geoordeeld dat ondanks deze afstand een objectief en persoonlijk belang van [appellant sub 17] rechtstreeks door het besluit wordt geraakt voor zover dat betrekking heeft op de plandelen. Dat [appellant sub 17] in de toekomst wellicht één van de percelen aan het Tasbroekwegje wil kopen, is daarvoor ontoereikend reeds omdat dit slechts een voornemen betreft.

De conclusie is dat [appellant sub 17] in zoverre geen belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb is bij het bestreden besluit voor zover het betreft de percelen Tasbroekwegje 1 en 13 en dat hij daartegen ingevolge artikel 8.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro, geen beroep kan instellen.

Artikel 37 van de planregels

2.32. [appellant sub 17] en [appellant sub 23] stellen zich op het standpunt dat het overgangsrecht in artikel 37 van de planregels onnodig beperkend is in vergelijking met de bepalingen over het overgangsrecht in het voorheen geldende plan.

2.32.1. In artikel 3.2.1 en 3.2.2 van het Bro zijn overgangsbepalingen opgenomen die in bestemmingsplannen die tot stand komen krachtens de Wro moeten worden overgenomen. Vaststaat dat de overgangsbepalingen in het plan hiervan niet afwijken. Gelet hierop leidt het betoog niet tot vernietiging van het bestreden besluit.

2.32.2. In hetgeen [appellant sub 17] en [appellant sub 23] in zoverre hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Percelen Koppelen 22, 24 en 24a.

2.33. De Afdeling begrijpt het betoog van [appellant sub 17] gericht tegen de planregeling voor de percelen Koppelen 22, 24 en 24a, zoals dat ter zitting nader is toegelicht, aldus dat volgens hem in het voorheen geldende plan ten onrechte niet in natuurcompensatie is voorzien vanwege de in dat plan aan deze percelen toegekende woonbestemming. Dit betoog richt zich tegen een gebrek in het voorheen geldende plan en is thans niet aan de orde. Voor zover [appellant sub 17] wat betreft deze percelen heeft volstaan met een verwijzing naar de inhoud van de zienswijze overweegt de Afdeling dat in de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. De raad heeft daarin aangegeven dat het gebruikelijk is om een kadastrale ondergrond te gebruiken, dat die niet altijd in overeenstemming is met de daadwerkelijke situatie maar dat daaraan in ieder geval geen rechten kunnen worden ontleend. [appellant sub 17] heeft geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist is.

2.33.1. In hetgeen [appellant sub 17] in zoverre heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Perceel K307

2.34. [appellant sub 17] en [appellant sub 23] richten zich tegen de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschap" en de aanduiding "specifieke vorm van wonen-persoonsgebonden overgangsrecht" wat betreft het perceel K307 ter plaatse van Hees 60 en 60a.

2.34.1. Zij stellen dat de bestaande situatie op het perceel K307 niet juist op de verbeelding is weergegeven. Zij wijzen hierbij op een uitbreiding van de bebouwing op Hees 60 en op de vermelding van huisnummers die niet dan wel niet juist op de verbeelding zijn weergegeven.

De raad stelt dat dit de kadastrale ondergrond betreft en dat dit geen gevolgen heeft voor de bestemmingsplanregeling.

In de Wro noch in de Awb is de verplichting opgenomen dat bij de vaststelling van een bestemmingsplan in de verbeelding een exacte weergave van de feitelijke situatie moet zijn opgenomen. In het aangevoerde ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de verbeelding in zoverre onvoldoende duidelijkheid biedt. Het betoog kan niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

2.34.2. Voorts is volgens [appellant sub 17] en [appellant sub 23] het westelijke deel van de bedrijfsruimte op het perceel, genummerd Hees 60, ten onrechte niet als bedrijfswoning bestemd. Zij betogen dat in strijd met het uitgangspunt van het plan, dat vergunde situaties dienovereenkomstig worden bestemd, met het toekennen van persoonsgebonden overgangsrecht voor [appellant sub 23] het bestaande, legale gebruik van de bedrijfsruimte als bedrijfswoning ten onrechte wordt beperkt. Volgens [appellant sub 17] en [appellant sub 23] leidt het plan tot een onevenredige waardedaling van het gebouw en van de onderneming in zijn geheel.

2.34.3. [appellant sub 17] en [appellant sub 23] exploiteren een rododendronkwekerij op de percelen kadastraal bekend als sectie K nummer 305 en 307 te Eersel. Op het perceel K307 staan twee gebouwen, Hees 60 en Hees 60A. Voor het gebouw Hees 60A is op 12 november 1998 een bouwvergunning verleend voor het oprichten van een bedrijfswoning. De planregeling voor dit gebouw is niet in geschil. Voor het westelijke deel van het gebouw Hees 60 is op 10 maart 1992 een bouwvergunning verleend voor het oprichten van een bedrijfsruimte ten behoeve van de rododendronkwekerij. Deze bedrijfsruimte is in 2008 met bouwvergunning uitgebreid met een oostelijk deel.

In het plan is aan de bedrijfsruimte Hees 60 de aanduiding "specifieke vorm van wonen-persoonsgebonden overgangsrecht" toegekend. Dit overgangsrecht geldt voor [appellant sub 23].

2.34.4. Onder verwijzing naar haar uitspraak van 12 januari 2005 overweegt de Afdeling dat vaststaat dat [appellant sub 23] het westelijke deel van de bedrijfsruimte is gaan bewonen in strijd met het destijds geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1988" van de gemeente Eersel. Ook volgt uit die uitspraak dat met de inwerkingtreding van het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1988, 1e partiële herziening" van de gemeente Eersel op 14 augustus 1998 door het ontbreken van een specifiek gebruiksverbod in dat plan, de bewoning van het westelijke deel van de bedrijfsruimte niet langer verboden was en dat daartegen derhalve niet kon worden opgetreden. Zoals de Afdeling in haar uitspraak van 2 april 2008, zaak nr. 200705141/1 heeft benadrukt, volgt uit de uitspraak van 12 januari 2005 echter niet dat de bedrijfsruimte daardoor als bedrijfswoning dient te worden aangemerkt.

2.34.5. Door het opnemen van artikel 4.5.2, aanhef en onder g, van de planregels, waarin tot strijdig gebruik van gronden en of opstallen in ieder geval wordt gerekend het bewonen van bedrijfsruimte, is het bestaande legale gebruik van het westelijke deel van de bedrijfsruimte als woonruimte vanaf de inwerkingtreding van het onderhavige plan verboden. De rechtszekerheid vereist in het algemeen dat bestaand legaal gebruik overeenkomstig de bestaande situatie wordt opgenomen in een bestemmingsregeling. Dit uitgangspunt kan onder meer uitzondering vinden indien een dergelijk gebruik op basis van nieuwe inzichten niet langer in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening en het belang bij de beoogde nieuwe bestemming zwaarder weegt dan de gevestigde rechten en belangen. De raad heeft, gezien het gemeentelijke en provinciale beleid dat is gericht tegen onnodige verstening van het buitengebied en mede gelet op het abusievelijk legaliseren van het bestaande gebruik in het voorheen geldende plan, naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid het bestemmen van de bedrijfsruimte als bedrijfswoning zoals door [appellant sub 17] en [appellant sub 23] wordt bepleit, niet wenselijk kunnen achten.

De raad heeft naar het oordeel van de Afdeling in dit geval in redelijkheid kunnen kiezen voor het toekennen van een persoonsgebonden overgangsrecht aan [appellant sub 23]. Hierbij kent de Afdeling gewicht toe aan de omstandigheid dat bij ingebruikname van de bedrijfsruimte als woning [appellant sub 17] en [appellant sub 23] op de hoogte waren dat dit gebruik in strijd was met de bestemming, dat de raad abusievelijk deze illegale bewoning in het voorheen geldende plan niet heeft verboden en dat, gelet op de daartegen gevoerde handhavingsactie, bij hen voldoende kenbaar was dat het gemeentebestuur niet voornemens was te berusten in het gebruik van de bedrijfsruimte als bedrijfswoning. Onder deze omstandigheden is de Afdeling van oordeel dat met het toekennen van een persoonsgebonden overgangsrecht voor [appellant sub 23] voldoende recht wordt gedaan aan de gevestigde rechten en belangen van de bestaande gebruiker. Dat van rechtswege een woonvergunning op grond van artikel 60 van de Woningwet is verleend, leidt niet tot een ander oordeel. Uit die vergunning kan niet meer worden afgeleid dan dat ten tijde van de verlening daarvan geen sprake was van strijd met het bestemmingsplan en het gebouw op grond van daartoe strekkende regelgeving geschikt was voor bewoning en uit dien hoofde daarvoor in gebruik kon worden genomen.

2.34.6. [appellant sub 17] en [appellant sub 23] betogen terecht dat de planregels van het onderhavige plan niet voorzien in een persoonsgebonden overgangsrecht voor bewoning van een bedrijfsruimte. De raad heeft dit ter zitting onderkend en verklaard dat het plan in zoverre dient te worden aangepast. Gelet hierop is het plan voor zover dat betrekking heeft op het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschap" en de aanduiding "specifieke vorm van wonen-persoonsgebonden overgangsrecht" wat betreft het perceel K307 niet zorgvuldig voorbereid en in zoverre vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Perceel K305

2.35. [appellant sub 17] en [appellant sub 23] richten zich verder tegen de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Bos" en de aanduiding "specifieke vorm van bos-rododendronkwekerij" wat betreft het perceel K305.

2.35.1. De raad heeft ter zitting verklaard dat de op het perceel K305 aangebrachte verhardingen en de beregeningsinstallatie, waaronder mede moet worden begrepen het aanwezige pompgebouw, in overeenstemming zijn met de aan het perceel toegekende bestemming. Daarop hebben [appellant sub 17] en [appellant sub 23] hun beroep voor zover gericht tegen de planregeling voor deze voorzieningen ingetrokken.

2.35.2. Wat betreft het betoog van [appellant sub 17] en [appellant sub 23] dat ten onrechte de op het perceel K305 aanwezige houtopslag onder het overgangsrecht is gebracht, stelt de Afdeling vast dat deze schuur met bouwvergunning is gebouwd. De Afdeling overweegt onder verwijzing naar 2.3.-2.3.2. dat de houtschuur ingevolge artikel 9.2.3 gelezen in samenhang met artikel 1.23 van de planregels met de bestaande situering, de bestaande goot- en bouwhoogte en de bestaande inhoud op het perceel kan worden gehandhaafd.

De raad heeft verder ter zitting aangegeven dat opnieuw moet worden onderzocht in hoeverre de grond op het perceel K305 reeds is verstoord door de aanleg van een beregeningsinstallatie en dat moet worden bezien in hoeverre het aanlegvergunningenstelsel voor dit perceel moet worden gehandhaafd.

Ook heeft de raad ter zitting onderkend dat het op het perceel K305 aanwezige containerveld, gelet op artikel 9.3.1, onder d, van de planregels gelezen in samenhang met artikel 1.104 van de planregels, onder het overgangsrecht is gebracht. Nu is beoogd het bestaande gebruik in het onderhavige plan op te nemen, dient het plan in zoverre te worden aangepast, aldus de raad.

Gelet op het vorenstaande is het plandeel met de bestemming "Bos" en de aanduiding "specifieke vorm van bos-rododendronkwekerij" wat betreft het perceel K305 niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. Het bestreden besluit is in zoverre vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

2.36. Verder voeren [appellant sub 17] en [appellant sub 23] aan dat de op het perceel aanwezige recreatiewoning ten onrechte niet als zodanig is bestemd.

2.36.1. Het perceel K305 is in of omstreeks 1975 aangekocht. Het als recreatiewoning gebruikte gebouw was destijds op het perceel aanwezig. In het voorheen geldende plan "Buitengebied 1988, 1e partiële herziening" van de gemeente Eersel is aan het perceel K305 de bestemming "Bos en rododendronkwekerij - N(B) + Ar" toegekend. Deze bestemming liet alleen bebouwing toe ten behoeve van de kwekerij. Op basis van artikel 47 van de planvoorschriften van dat plan is de recreatiewoning en het recreatieve gebruik daarvan onder het overgangsrecht gebracht, nu illegale bouwwerken en illegaal gebruik daarvan niet waren uitgezonderd.

Aan het perceel K305 is in het plan de bestemming "Bos" en de aanduiding "specifieke vorm van bos-rododendronkwekerij" toegekend.

Ingevolge artikel 9.2.1. van de planregels zijn op het perceel K305 uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van deze bestemming toegestaan. Dit betekent dat de recreatiewoning op het perceel niet past binnen de toegekende bestemming.

2.36.2. De bewijslast dat de recreatiewoning legaal op het perceel aanwezig is, rust op [appellant sub 17] en [appellant sub 23] nu zij daarop een beroep doen en dit door de raad wordt betwist. [appellant sub 17] en [appellant sub 23] hebben naar het oordeel van de Afdeling niet aangetoond dat de recreatiewoning overeenkomstig een daartoe verleende vergunning is opgericht. Dat, zoals zij stellen, op een kaart van de Technische Dienst zuid-west Kempen van 1978 op deze locatie een gebouw staat ingetekend, leidt niet tot een ander oordeel, nu daarmee enkel aannemelijk is gemaakt dat destijds op die locatie een gebouw aanwezig was. Voor zover [appellant sub 17] en [appellant sub 23] in dit verband naar voren brengen dat de recreatiewoning onder het bouwovergangsrecht van het voorheen geldende plan is gebracht, overweegt de Afdeling dat volgens vaste jurisprudentie het in een bestemmingsplan opgenomen bouwovergangsrecht het illegale karakter van bouwwerken die zijn opgericht zonder de vereiste bouwvergunning onverlet laat. Gelet hierop gaat de Afdeling er van uit dat de recreatiewoning niet overeenkomstig een daartoe verleende vergunning is opgericht. Voor illegale bebouwing hoeft de raad in beginsel geen regeling in het plan op te nemen, omdat geen sprake is van verkregen rechten. Dat het gebouw gedurende lange tijd op het perceel aanwezig is, is geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan een uitzondering op deze hoofdregel moet worden gemaakt. Gelet op het vorenstaande heeft de raad zich dan ook naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de recreatiewoning op het perceel K305 niet als zodanig bestemd dient te worden. In dit verband wordt tevens overwogen dat [appellant sub 17] en [appellant sub 23] niet aannemelijk hebben gemaakt dat het gebouw sinds de peildatum zonder onderbreking als recreatiewoning in gebruik is geweest, zodat het recreatieve gebruik van het gebouw niet onder de beschermende werking van het overgangsrecht valt.

2.37. Verder voeren [appellant sub 17] en [appellant sub 23] aan dat ten onrechte niet is voorzien in een agrarische bestemming met bouwblok op het perceel K305. Zij willen een stekkas oprichten en stellen dat zij anders beperkt worden in hun bedrijfsvoering.

2.37.1. Blijkens het deskundigenbericht ligt het perceel K305 in de EHS. Gelet hierop en bezien in het licht van het door de raad gehanteerde uitgangspunt om onnodige verstening in het buitengebied te voorkomen, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een agrarisch bouwvlak op dit perceel niet wenselijk is nu daarmee ongewenste bouwmogelijkheden, waaronder de bouw van een stekkas, op het perceel kunnen worden gerealiseerd. De Afdeling ziet in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid een zwaarder gewicht heeft kunnen toekennen aan dat belang dan aan het belang dat [appellant sub 17] en [appellant sub 23] hebben bij de bouw van een stekkas ter verbetering van hun bedrijfsvoering. Het betoog faalt.

Het beroep van [appellant sub 18]

2.38. [appellant sub 18] voert verder aan dat aan de schuur op zijn perceel Kreiel 18 de aanduiding "agrarisch bedrijfsgebouw" had moeten worden toegekend dan wel dat in zoverre in een bouwvlak had moeten worden voorzien, omdat hij thans onevenredig wordt beperkt in het gebruik van de schuur.

2.38.1. [appellant sub 18] woont op het perceel Kreiel 18 te Wintelre, gemeente Eersel. Aan het perceel is ter plaatse van de op het perceel aanwezige woning en het daarbij behorende bijgebouw de bestemming "Wonen" toegekend. Aan het perceel is voor het overige de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschap" toegekend. Ter plaatse van de in geding zijnde schuur is op de plankaart de aanduiding "bijgebouw" aangegeven.

In het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied, herziening 1986" van de voormalige gemeente Vessem is aan de gronden waarop de schuur staat de bestemming "Landschappelijk waardevol agrarisch gebied" toegekend. Ter plaatse van de schuur is in dat plan geen bebouwingsvlak toegekend.

Volgens het deskundigenbericht wordt de schuur gebruikt voor de stalling van landbouwmachines en de opslag van gereedschappen en materialen ten behoeve van het agrarische bedrijf van [appellant sub 18].

2.38.2. Ingevolge artikel 4.5.2, onder a, van de planregels wordt in aanvulling op het bepaalde in artikel 7.10 van de Wro onder gebruik strijdig met de bestemming in ieder geval begrepen gebruik van gronden en/of opstallen voor:

a. het opslaan, storten of bergen van materialen, producten en mest, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte gebruik en plaatsvindt ter plaatse van de aanduiding "bouwvlak".

2.39. De raad stelt zich naar het oordeel van de Afdeling terecht op het standpunt dat het plan de door [appellant sub 18] gewenste aanduiding "agrarisch bedrijfsgebouw" niet kent. Behoudens de regeling in artikel 4.2.5 en onder d, van de planregels zijn, gelet op de bouwregels in artikel 4.2, agrarische bedrijfsgebouwen alleen toegestaan binnen het agrarische bouwvlak.

Volgens de plantoelichting worden agrarische bouwvlakken in beginsel toegekend aan alle reële bedrijven met een minimale omvang van vijftien NGE. Het perceel Kreiel 18 is niet in gebruik als bedrijfslocatie voor het agrarische bedrijf van [appellant sub 18]. De raad heeft dan ook in redelijkheid geen agrarisch bouwvlak aan het perceel Kreiel 18 toegekend, nu dat de nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf ter plaatse mogelijk zou maken. Het betoog faalt.

2.39.1. De raad heeft echter ter zitting erkend dat gelet op artikel 4.5.2, onder a, van de planregels het gebruik van de schuur onevenredig wordt beperkt. De raad heeft gesteld dat de bepaling in zoverre dient te worden aangepast dat het opslaan, storten of bergen van materialen, producten en mest, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte gebruik, tevens is toegestaan indien dit plaatsvindt ter plaatse van gebouwen die onder de zogenoemde bijgebouwenregeling vallen. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit voor zover het betreft 4.5.2, onder a, van de planregels niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het bestreden besluit is in zoverre vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Het beroep van [appellant sub 19]

2.40. [appellant sub 19] richt zich tegen de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf-10" wat betreft de percelen Hoef 9, 11 en 13 (hierna: plandeel Hoef). Hij vreest een beperking van zijn bedrijfsvoering omdat volgens hem niet alle bestaande bedrijfsactiviteiten binnen deze bestemming passen en het voorts niet duidelijk is of alle producten die ter plaatse worden verkocht onder het begrip volumineuze goederen in hout en aanverwante artikelen vallen. Bovendien leidt het plan tot een onevenredige beperking van toekomstige exploitatiemogelijkheden. Volgens [appellant sub 19] had aan het plandeel een algemene bedrijfsbestemming moeten worden toegekend die de vestiging mogelijk maakt van bedrijven tot milieucategorie 3.

2.40.1. [appellant sub 19] exploiteert op het plandeel Hoef een houtbewerkingsbedrijf dat onder meer trappen, kozijnen, binnen- en buitendeuren alsmede andere producten van hout vervaardigt en op locatie aanbrengt en installeert. Voor laatstgenoemde bouwactiviteiten vindt opslag plaats van materiaal en machines. Verder is ter plaatste een showroom aanwezig voor bouwmaterialen zoals schuifdeursystemen, vloeren, plafonds in hout, kunststof en aluminium, trappen en hang- en sluitwerk. Tevens is er een winkel waarin detailhandel plaatsvindt van bouwmaterialen zoals ijzerwaren, gereedschappen en andere producten voor de bouw en inrichting bestemd.

2.40.2. In het onderhavige plan is aan het plandeel Hoef de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf-10" toegekend.

Ingevolge artikel 6.1.2, onder a, gelezen in samenhang met 6.2.4 van de planregels is op het perceel een houtbewerkingsbedrijf en detailhandel in volumineuze goederen in hout alsmede aanverwante artikelen toegestaan met een bebouwde oppervlakte van 3.500 m2.

Ingevolge artikel 6.5.1, onder a, van de planregels wordt onder strijdig gebruik met de bestemming in ieder geval begrepen het opslaan, storten of bergen van materialen, producten en mest, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte gebruik.

2.40.2.1. In de plantoelichting staat dat het uitgangspunt is dat bedrijven zonder functionele binding met het buitengebied thuis horen in een kern of op een bedrijventerrein. Voor bestaande niet aan het buitengebied gebonden bedrijven wordt verplaatsing naar een meer geschikte locatie voorgestaan. Aan bestaande niet aan het buitengebied gebonden bedrijven is volgens de plantoelichting een maatbestemming toegekend die de huidige functie vastlegt en is een strak begrensd bestemmingsvlak om de bestaande voorzieningen toegekend.

2.40.3. De Afdeling acht het beleid om in het buitengebied bedrijven zonder functionele binding aan het buitengebied te weren en bestaande bedrijven als zodanig te bestemmen niet onredelijk. Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het toekennen van een algemene bedrijfsbestemming aan het plandeel Hoef niet wenselijk is. Hierbij neemt de Afdeling tevens in aanmerking dat als [appellant sub 19] in de toekomst concrete plannen heeft voor wijziging van de bedrijfsvoering, hij een beroep kan doen op de wijzigingsbevoegdheid in artikel 6.8.1 van de planregels die onder voorwaarden wijziging naar een andere vorm van niet-agrarische bedrijvigheid mogelijk maakt.

2.40.4. De raad heeft bij het toekennen van de bestemming in redelijkheid kunnen aansluiten bij de begrippen zoals opgenomen in de nieuwe standaarden voor het opstellen van bestemmingsplannen. De bouwactiviteiten van het bedrijf van [appellant sub 19], die bestaan uit het installeren van ter plaatse vervaardigde en verkochte producten, heeft de raad in redelijkheid kunnen aanmerken als activiteiten die onderdeel uitmaken van het houtbewerkingsbedrijf. Dat, zoals ter zitting is betoogd, ter plaatse een separaat bouwbedrijf is gevestigd dat onafhankelijk functioneert van het houtbewerkingsbedrijf van [appellant sub 19], is niet aannemelijk gemaakt. In dit verband kan de Afdeling niet eraan voorbijzien dat de betrokken activiteiten in het beroepschrift zijn aangeduid als onderdeel van het houtbewerkingsbedrijf. Reeds hierom is terecht niet in de gewenste bestemming voor een bouwbedrijf te voorzien. Het betoog van [appellant sub 19] dat de opslag van materiaal en machines voor deze bouwactiviteiten niet is toegestaan, mist feitelijke grondslag. Nu laatstgenoemde activiteiten dienen te worden gezien als onderdeel van de bedrijfsvoering van het houtbewerkingsbedrijf, is, gelet op artikel 6.5.1. van de planregels, het opslaan van materialen en producten voor die bouwactiviteiten op het plandeel Hoef toegestaan.

2.40.5. Gelet op het uitgangspunt om in het buitengebied bedrijven zonder functionele binding aan het buitengebied te weren en alleen bestaande bedrijven als zodanig te bestemmen, acht de Afdeling het standpunt van de raad dat de aanwezigheid van een bouwmarkt op deze locatie niet wenselijk is, niet onredelijk. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de bestaande kleinschalige, aan het houtverwerkingsbedrijf verbonden detailhandelsactiviteiten passend zijn vanwege de beperkte ruimtelijke uitstraling daarvan. Nu uit artikel 6.1.2, onder a, van de planregels echter niet eenduidig volgt dat naast de detailhandel in volumineuze goederen in hout, detailhandelsactiviteiten in aan het houtbewerkingsbedrijf aanverwante artikelen zijn toegestaan, slaagt het betoog van [appellant sub 19] dat onvoldoende duidelijk is welke detailhandelsactiviteiten op het perceel zijn toegestaan in zoverre. Gelet hierop is het bestreden besluit wat betreft het plandeel met de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf-10" wat betreft de percelen Hoef 9, 11 en 13 vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid.

Het beroep van Hortus Virides

2.41. Hortus Virides richt zich tegen de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschap" en de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie aandachtsgebied" wat betreft het perceel Hees 6, te Eersel. Zij vreest een beperking van haar bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden nu de raad heeft nagelaten het hoveniersbedrijf dat zij ter plaatse exploiteert als zodanig te bestemmen. In dit verband wijst zij erop dat de hoveniersbedrijven op de percelen Boksheide 27 te Eersel en Eerselseweg 35 te Knegsel wel als zodanig zijn bestemd. Verder stelt Hortus Virides dat het plan tot een onevenredige belemmering van de bedrijfsvoering leidt, nu zij geen grondbewerkingen dieper dan 50 cm mag uitvoeren. Zij merkt in dit verband op dat de gronden reeds eerder tot één meter diep zijn losgetrokken en op het gehele perceel een beregeningsinstallatie is aangelegd op een diepte van 75 cm zodat eventuele archeologische waarden reeds verloren zijn gegaan.

2.41.1. De raad heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de hoveniersactiviteiten ondergeschikt zijn aan de boomkwekerij en derhalve niet in het plan behoeven te worden opgenomen.

2.41.2. S.[appellant sub 8] exploiteert sinds 1996 op het perceel Hees 6 het bedrijf Hortus Virides. Dit bedrijf bestaat volgens het deskundigenbericht uit een boomkwekerij en een hoveniersbedrijf. Naast het gebruik van het perceel Hees 6 voor de boomkwekerij wordt dit perceel tevens gebruikt voor hoveniersactiviteiten zoals onder meer de opslag van materialen en van planten.

2.41.3. Gelet op artikel 1.7 van de planregels is een boomkwekerij een agrarisch bedrijf zodat de boomkwekerijactiviteiten van Hortus Virides met het plan als zodanig zijn bestemd. In het onderhavige plan zijn gelet op artikel 1.10 van de planregels hoveniersactiviteiten aangemerkt als een vorm van een agrarisch aanverwant bedrijf. Nu het perceel niet is bestemd als agrarisch aanverwant bedrijf en de hoveniersactiviteiten evenmin zijn aangeduid als een nevenactiviteit als bedoeld in artikel 4.1.2 van de planregels kan Hortus Virides gelet op artikel 4.5.2, onder a, van de planregels de bestaande hoveniersactiviteiten op het perceel niet voortzetten.

Ter zitting heeft de raad verklaard geen bezwaar te hebben tegen het gebruik van het perceel voor hoveniersactiviteiten en gesteld dat de planregeling in zoverre opnieuw dient te worden bezien.

2.41.4. Verder heeft de raad ter zitting aangegeven dat bij de vaststelling van het bestemmingsplan niet op perceelsniveau naar de archeologische waarden is gekeken. De raad stelt dat indien kan worden vastgesteld dat de bodem ter plaatse van het plandeel in het verleden al tot één meter diep is omgewoeld, er waarschijnlijk van mag worden uitgegaan dat eventuele archeologische waarden reeds verloren zijn gegaan zodat het niet langer aangewezen is om daaraan de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie aandachtsgebied" toe te kennen. Ook dit dient volgens de raad opnieuw te worden bezien.

2.41.5. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit voor het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschap" en de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie aandachtsgebied" wat betreft het perceel Hees 6, te Eersel, niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het bestreden besluit is in zoverre vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Het beroep van [appellant sub 21]

2.42. Het beroep van [appellant sub 21] richt zich tegen de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Bos" en de aanduiding "specifieke vorm van recreatie-persoonsgebonden overgangsrecht" wat betreft het perceel 4353, dat is gelegen achter het perceel Kreiel 18 te Wintelre. Hij stelt dat aan dit perceel een recreatiebestemming had moeten worden toegekend. Hiertoe voert hij aan dat een recreatiewoning geen geurgevoelig object is en dat daarom de aanwezigheid van een nabijgelegen veehouderij geen belemmering is om de recreatiewoning als zodanig te bestemmen.

2.42.1. [appellant sub 21] is eigenaar van een perceel dat aan de achterzijde grenst aan het perceel met de woning Kreiel 18. Op zijn perceel is een recreatiewoning aanwezig. De raad heeft ter zitting gesteld dat niet kan worden aangetoond dat een bouwvergunning voor deze recreatiewoning is verleend maar dat dit aannemelijk is.

2.42.2. De raad heeft ter zitting verklaard dat het daarom bij nader inzien aangewezen is om in het plan het gebruik van de recreatiewoning ter plaatse van het perceel 4353 als zodanig te bestemmen. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit voor het plandeel met de bestemming "Bos" en de aanduiding "specifieke vorm van recreatie-persoonsgebonden overgangsrecht" wat betreft het perceel 4353 niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het bestreden besluit is in zoverre vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Het beroep van [appellant sub 22]

2.43. [appellant sub 22] richt zich tegen de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschap en natuur" wat betreft het perceel Meerven 8 te Vessem, gemeente Eersel (hierna: het plandeel Meerven). [appellant sub 22] betoogt dat het toegekende bouwvlak te klein is. Daartoe voert hij aan dat bestaande voeropslagen die ten zuiden van het voorheen geldende bouwblok liggen en reeds vergunde bebouwing ten onrechte niet binnen het bouwvlak zijn opgenomen. Verder wenst [appellant sub 22] een uitbreiding van het bouwvlak tot 1,5 hectare. Ter onderbouwing hiervan heeft [appellant sub 22] het rapport "Duurzame locatie intensieve veehouderij, Meerven 8" overgelegd, waaruit volgens hem blijkt dat de gewenste bedrijfsontwikkeling ruimtelijk en hygiënisch inpasbaar is.

2.43.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het 'bouwvlak op maat' principe op juiste wijze is toegepast en dat alle vergunde activiteiten binnen het bouwvlak zijn gebracht.

2.43.2. [appellant sub 22] exploiteert een intensieve veehouderij op het plandeel Meerven. In het voorheen geldende wijzigingsplan "Meerven 8" is aan het plandeel Meerven een bouwvlak toegekend van 7.910 m².

2.43.3. De raad heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat hij bij nader inzien aanvullend onderzoek noodzakelijk acht naar de situatie op het plandeel Meerven. Volgens hem dient nader onderzoek te worden gedaan naar de aanwezigheid van de voeropslagen ten zuiden van het plandeel, reeds vergunde bebouwing en de aanvraag van 4 februari 2009. Voorts heeft de raad aangegeven dat ook rekening dient te worden gehouden met een uitbreidingsruimte van vijftien procent. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit voor het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschap en natuur" wat betreft het perceel Meerven 8 te Vessem, gemeente Eersel, niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het bestreden besluit is in zoverre vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Bestuurlijke lus

2.44. De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding de raad op de voet van artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State op te dragen de gebreken in het bestreden besluit te herstellen. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen. De raad dient:

a. met inachtneming van 2.3.1 de artikelen 3.2.5, onder d, 4.2.5, onder d, 5.2.6, onder d, en artikel 9.2.3 van de planregels gewijzigd vast te stellen door verwijdering van de beperking dat de daarin bedoelde gebouwen niet mogen worden herbouwd;

b. met inachtneming van 2.4.3. een passende planregeling vast te stellen voor het plandeel met de bestemming "Bos" wat betreft het perceel aan de Kuilenhurk (ongenummerd) te Vessem, gemeente Eersel;

c. met inachtneming van 2.7.3., 2.10.3. en 2.11.2. een passende planregeling vast te stellen voor de bijgebouwen, de lichtmasten en de tennisbaan op het plandeel met de bestemming "Wonen" wat betreft het perceel Boksheidsedijk 10 te Eersel;

d. met inachtneming van 2.13.2. een passende planregeling vast te stellen voor het plandeel met de bestemming "Bos" wat betreft de percelen 1048 en 1049 ter plaatse van Stroomkesberg 2 te Vessem, gemeente Eersel;

e. met inachtneming van 2.15.5. en 2.15.6. alsnog de planregeling voor de plandelen met de bestemmingen "Wonen" en "Agrarisch" wat betreft het perceel Koemeersedijk 4 te Wintelre, gemeente Eersel, toereikend te motiveren dan wel de planregeling voor dit perceel gewijzigd vast te stellen;

f. met inachtneming van 2.16.3. alsnog onderzoek te verrichten naar de mate van verstoring die in het verleden reeds heeft plaatsgevonden op gronden met de bestemming "Agrarisch", "Agrarisch met waarden - Landschap" of "Agrarisch met waarden - Landschap en natuur" met de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie aandachtsgebied" en naar de daar te verwachten resterende archeologische waarden en, indien de uitkomsten van dit onderzoek daartoe aanleiding geven, artikel 27.5.2, aanhef en onder a, van de planregels gewijzigd vast te stellen;

g. met inachtneming van 2.17.1. de situatie op het plandeel met de bestemming "Groen - Landschappelijke inpassing" wat betreft het perceel Oostelbeersedijk 18, te Wintelre, gemeente Eersel, nader te onderzoeken en zo nodig de planregeling voor dit perceel gewijzigd vast te stellen;

h. met inachtneming van 2.18.2. artikel 6.1.2, onder a, van de planregels gewijzigd vast te stellen waarbij rekening wordt gehouden met de bouwmogelijkheden die bij bouwvergunning van 23 juni 2009 voor het perceel Hees 4 te Eersel zijn verleend;

i. met inachtneming van 2.19.7. en 2.19.9. alsnog toereikend te motiveren waarom voor het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschap" wat betreft het perceel Eerselseweg 13, te Knegsel, gemeente Eersel, de uitbreidingsruimte van vijftien procent niet is opgeteld bij de concrete uitbreidingsplannen dan wel dit plandeel gewijzigd vast te stellen;

j. met inachtneming van 2.20.1. het plandeel met de bestemming "Agrarisch" wat betreft het perceel Vessemseweg 14 te Knegsel, gemeente Eersel, opnieuw vast te stellen en de aanduiding "gemengd" op te nemen;

k. met inachtneming van 2.21.6. artikel 37.3.1 van de planregels gewijzigd vast te stellen door het artikel zodanig te formuleren dat daar eenduidig uit kan worden afgeleid wanneer iemand als bestaande gebruiker kan worden aangemerkt;

l. met inachtneming van 2.22.7. een passende planregeling vast te stellen voor het plandeel met de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - 2" wat betreft het perceel Bijsterveld 12a te Wintelre, gemeente Eersel;

m. met inachtneming van 2.23.1. voor het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarde - Landschap" wat betreft het perceel Nedermolen 5 te Steensel, gemeente Eersel, een passende planregeling vast te stellen;

n. met inachtneming van 2.28.2. een passende planregeling vast te stellen voor de paardenbak op het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschap" wat betreft het perceel aan de Zandstraat (ongenummerd) te Steensel, gemeente Eersel;

o. met inachtneming van 2.29.1. voor het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarde - Landschap" ter plaatse van het pand Nedermolen 3/5a te Steensel, gemeente Eersel, een passende planregeling vast te stellen;

p. met inachtneming van 2.30.1 een passende planregeling vast te stellen voor de intensieve veehouderij op het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschap" met de aanduiding "gemengd" wat betreft het perceel Mr. de la Courtstraat 34 te Vessem, gemeente Eersel;

q. met inachtneming van 2.34.6. in artikel 37 van de planregels een bepaling op te nemen voor persoonsgebonden overgangsrecht voor wonen in een bedrijfsruimte, alsmede in zoverre in een passende planregeling te voorzien voor het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschap" en de aanduiding "specifieke vorm van wonen - persoonsgebonden overgangsrecht" wat betreft het perceel K307 ter plaatse van Hees 60 en 60a te Eersel;

r. met inachtneming van 2.35.2. alsnog te onderzoeken in hoeverre de gronden op het plandeel met de bestemming "Bos" en de aanduiding "specifieke vorm van bos - rododendronkwekerij" wat betreft het perceel K305 ter plaatse van Hees 60 en 60a te Eersel door het aanbrengen van een beregeningsinstallatie reeds zijn verstoord en alsnog toereikend te motiveren dat ter bescherming van aanwezige waarden voor deze gronden het opnemen van een aanlegvergunningplicht noodzakelijk is dan wel de planregeling voor dit perceel in zoverre gewijzigd vast te stellen;

s. met inachtneming van 2.35.2. een passende planregeling vast te stellen voor het containerveld op het plandeel met de bestemming "Bos" en de aanduiding "specifieke vorm van bos -rododendronkwekerij" wat betreft het perceel K305 ter plaatse van Hees 60 en 60a te Eersel;

t. met inachtneming van 2.39.1. artikel 4.5.2, onder a, van de planregels zodanig gewijzigd vast te stellen dat de daarin opgenomen uitzondering ter plaatse van de aanduiding "bouwvlak" ook ziet op gebouwen die vallen onder de in het plan opgenomen zogenoemde bijgebouwenregeling;

u. met inachtneming van 2.40.5. artikel 6.1.2, onder a, van de planregels gewijzigd vast te stellen door in die bepaling aan te geven dat naast detailhandel in volumineuze goederen in hout, ook detailhandel is toegestaan in aan het houtbewerkingsbedrijf aanverwante artikelen;

v. met inachtneming van 2.41.3. een passende planregeling vast te stellen voor de hoveniersactiviteiten op het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschap" wat betreft het perceel Hees 6 te Eersel;

w. met inachtneming van 2.41.5. alsnog te onderzoeken in hoeverre de gronden op het perceel Hees 6 te Eersel reeds zijn verstoord en alsnog toereikend te motiveren waarom de ter plaatse te verwachten aanwezige archeologische waarden de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie" rechtvaardigen dan wel de planregeling in zoverre gewijzigd vast te stellen;

x. met inachtneming van 2.42.2. een gewijzigde planregeling vast te stellen voor het plandeel met de bestemming "Bos" en de aanduiding "specifieke vorm van recreatie-persoonsgebonden overgangsrecht" ter plaatse van het perceel 4353 te Wintelre, gemeente Eersel;

ij. met inachtneming van 2.43.3 op basis van nader onderzoek alsnog de planregeling voor het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschap en natuur" wat betreft het perceel Meerven 8 te Vessem, gemeente Eersel, toereikend te motiveren dan wel de planregeling voor dit perceel gewijzigd vast te stellen;

z. indien nodig in verband met de uitkomst van de hiervoor genoemde opdrachten eveneens de onderdelen van het bestemmingsplan die niet zijn genoemd onder a. tot en met ij. gewijzigd vast te stellen.

2.45. Bij de voorbereiding van het nieuwe besluit behoeft afdeling 3.4 van de Awb niet te worden toegepast. De raad dient het nieuwe besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken.

2.46. Onder verwijzing naar 2.16.2. en 2.44. onder f ziet de Afdeling voorts aanleiding om de na te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.47. In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. draagt de raad van de gemeente Eersel op om binnen 24 weken na de verzending van deze tussenuitspraak:

a. met inachtneming van 2.3.1 de artikelen 3.2.5, onder d, 4.2.5, onder d, 5.2.6, onder d, en artikel 9.2.3 van de planregels gewijzigd vast te stellen door verwijdering van de beperking dat de daarin bedoelde gebouwen niet mogen worden herbouwd;

b. met inachtneming van 2.4.3. een passende planregeling vast te stellen voor het plandeel met de bestemming "Bos" wat betreft het perceel aan de Kuilenhurk (ongenummerd) te Vessem, gemeente Eersel;

c. met inachtneming van 2.7.3., 2.10.3. en 2.11.2. een passende planregeling vast te stellen voor de bijgebouwen, de lichtmasten en de tennisbaan op het plandeel met de bestemming "Wonen" wat betreft het perceel Boksheidsedijk 10 te Eersel;

d. met inachtneming van 2.13.2. een passende planregeling vast te stellen voor het plandeel met de bestemming "Bos" wat betreft de percelen 1048 en 1049 ter plaatse van Stroomkesberg 2 te Vessem, gemeente Eersel;

e. met inachtneming van 2.15.5. en 2.15.6. alsnog de planregeling voor de plandelen met de bestemmingen "Wonen" en "Agrarisch" wat betreft het perceel Koemeersedijk 4 te Wintelre, gemeente Eersel, toereikend te motiveren dan wel de planregeling voor dit perceel gewijzigd vast te stellen;

f. met inachtneming van 2.16.3. alsnog onderzoek te verrichten naar de mate van verstoring die in het verleden reeds heeft plaatsgevonden op gronden met de bestemming "Agrarisch", "Agrarisch met waarden - Landschap" of "Agrarisch met waarden - Landschap en natuur" met de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie aandachtsgebied" en naar de daar te verwachten resterende archeologische waarden en, indien de uitkomsten van dit onderzoek daartoe aanleiding geven, artikel 27.5.2, aanhef en onder a, van de planregels gewijzigd vast te stellen;

g. met inachtneming van 2.17.1. de situatie op het plandeel met de bestemming "Groen - Landschappelijke inpassing" wat betreft het perceel Oostelbeersedijk 18, te Wintelre, gemeente Eersel, nader te onderzoeken en zo nodig de planregeling voor dit perceel gewijzigd vast te stellen;

h. met inachtneming van 2.18.2. artikel 6.1.2, onder a, van de planregels gewijzigd vast te stellen waarbij rekening wordt gehouden met de bouwmogelijkheden die bij bouwvergunning van 23 juni 2009 voor het perceel Hees 4 te Eersel zijn verleend;

i. met inachtneming van 2.19.7. en 2.19.9. alsnog toereikend te motiveren waarom voor het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschap" wat betreft het perceel Eerselseweg 13, te Knegsel, gemeente Eersel, de uitbreidingsruimte van vijftien procent niet is opgeteld bij de concrete uitbreidingsplannen dan wel dit plandeel gewijzigd vast te stellen;

j. met inachtneming van 2.20.1. het plandeel met de bestemming "Agrarisch" wat betreft het perceel Vessemseweg 14 te Knegsel, gemeente Eersel, opnieuw vast te stellen en de aanduiding "gemengd" op te nemen;

k. met inachtneming van 2.21.6. artikel 37.3.1 van de planregels gewijzigd vast te stellen door het artikel zodanig te formuleren dat daar eenduidig uit kan worden afgeleid wanneer iemand als bestaande gebruiker kan worden aangemerkt;

l. met inachtneming van 2.22.7. een passende planregeling vast te stellen voor het plandeel met de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - 2" wat betreft het perceel Bijsterveld 12a te Wintelre, gemeente Eersel;

m. met inachtneming van 2.23.1. voor het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarde - Landschap" wat betreft het perceel Nedermolen 5 te Steensel, gemeente Eersel, een passende planregeling vast te stellen;

n. met inachtneming van 2.28.2. een passende planregeling vast te stellen voor de paardenbak op het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschap" wat betreft het perceel aan de Zandstraat (ongenummerd) te Steensel, gemeente Eersel;

o. met inachtneming van 2.29.1. voor het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarde - Landschap" ter plaatse van het pand Nedermolen 3/5a te Steensel, gemeente Eersel, een passende planregeling vast te stellen;

p. met inachtneming van 2.30.1 een passende planregeling vast te stellen voor de intensieve veehouderij op het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschap" met de aanduiding "gemengd" wat betreft het perceel Mr. de la Courtstraat 34 te Vessem, gemeente Eersel;

q. met inachtneming van 2.34.6. in artikel 37 van de planregels een bepaling op te nemen voor persoonsgebonden overgangsrecht voor wonen in een bedrijfsruimte, alsmede in zoverre in een passende planregeling te voorzien voor het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschap" en de aanduiding "specifieke vorm van wonen - persoonsgebonden overgangsrecht" wat betreft het perceel K307 ter plaatse van Hees 60 en 60a te Eersel;

r. met inachtneming van 2.35.2. alsnog te onderzoeken in hoeverre de gronden op het plandeel met de bestemming "Bos" en de aanduiding "specifieke vorm van bos - rododendronkwekerij" wat betreft het perceel K305 ter plaatse van Hees 60 en 60a te Eersel door het aanbrengen van een beregeningsinstallatie reeds zijn verstoord en alsnog toereikend te motiveren dat ter bescherming van aanwezige waarden voor deze gronden het opnemen van een aanlegvergunningplicht noodzakelijk is dan wel de planregeling voor dit perceel in zoverre gewijzigd vast te stellen;

s. met inachtneming van 2.35.2. een passende planregeling vast te stellen voor het containerveld op het plandeel met de bestemming "Bos" en de aanduiding "specifieke vorm van bos -rododendronkwekerij" wat betreft het perceel K305 ter plaatse van Hees 60 en 60a te Eersel;

t. met inachtneming van 2.39.1. artikel 4.5.2, onder a, van de planregels zodanig gewijzigd vast te stellen dat de daarin opgenomen uitzondering ter plaatse van de aanduiding "bouwvlak" ook ziet op gebouwen die vallen onder de in het plan opgenomen zogenoemde bijgebouwenregeling;

u. met inachtneming van 2.40.5. artikel 6.1.2, onder a, van de planregels gewijzigd vast te stellen door in die bepaling aan te geven dat naast detailhandel in volumineuze goederen in hout, ook detailhandel is toegestaan in aan het houtbewerkingsbedrijf aanverwante artikelen;

v. met inachtneming van 2.41.3. een passende planregeling vast te stellen voor de hoveniersactiviteiten op het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschap" wat betreft het perceel Hees 6 te Eersel;

w. met inachtneming van 2.41.5. alsnog te onderzoeken in hoeverre de gronden op het perceel Hees 6 te Eersel reeds zijn verstoord en alsnog toereikend te motiveren waarom de ter plaatse te verwachten aanwezige archeologische waarden de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie" rechtvaardigen dan wel de planregeling in zoverre gewijzigd vast te stellen;

x. met inachtneming van 2.42.2. een gewijzigde planregeling vast te stellen voor het plandeel met de bestemming "Bos" en de aanduiding "specifieke vorm van recreatie-persoonsgebonden overgangsrecht" ter plaatse van het perceel 4353 te Wintelre, gemeente Eersel;

ij. met inachtneming van 2.43.3 op basis van nader onderzoek alsnog de planregeling voor het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschap en natuur" wat betreft het perceel Meerven 8 te Vessem, gemeente Eersel, toereikend te motiveren dan wel de planregeling voor dit perceel gewijzigd vast te stellen;

z. indien nodig in verband met de uitkomst van de hiervoor genoemde opdrachten eveneens de onderdelen van het bestemmingsplan die niet zijn genoemd onder a. tot en met ij. gewijzigd vast te stellen.

aa. het nieuwe besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

bb. de uitkomst aan de Afdeling mede te delen;

II. treft de voorlopige voorziening dat artikel 27.5.2, aanhef en onder a, van de planregels, voor zover het betreft de zinsnede "met dien verstande dat ter plaatse van de bestemmingen "Agrarisch", "Agrarisch met waarden - Landschap" en/of "Agrarisch met waarden - Landschap en natuur" een diepte geldt van 50 cm onder het bestaande maaiveld" wordt geschorst totdat de Afdeling een einduitspraak heeft gedaan in deze zaak.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en mr. J. Hoekstra en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Postma, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Postma

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 november 2011

432-483-539-685.