Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU5397

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-11-2011
Datum publicatie
23-11-2011
Zaaknummer
201003766/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 januari 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Openbaar Vaarwater" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2012/5656

Uitspraak

201003766/1/R1.

Datum uitspraak: 23 november 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellante sub 1A] en [appellante sub 1B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellante sub 1]), gevestigd te Groningen,

2. [appellant sub 2A] en [appellante sub 2B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2]), wonend te Groningen,

3. [appellant sub 3] en anderen, wonend te Groningen,

en

de raad van de gemeente Groningen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 januari 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Openbaar Vaarwater" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellante sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 april 2010, [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 april 2010, en [appellant sub 3] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 april 2010, beroep ingesteld. [appellante sub 1] heeft zijn beroepschrift aangevuld bij brief van 12 mei 2010. [appellant sub 2] heeft zijn beroepschrift aangevuld bij brief van 12 mei 2010.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 oktober 2011, waar [appellante sub 1], in de persoon van mr. B. Hamminga en bijgestaan door mr. P.M.J. de Goede, advocaat te Groningen, [appellant sub 2], vertegenwoordigd door voormelde mr. De Goede, [appellant sub 3] en anderen, in de persoon van [appellant sub 3], bijgestaan door K. Koetje, en de raad, vertegenwoordigd door mr. M. Harmsma, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Met het plan wordt beoogd te voorzien in een eenduidige juridisch-planologische regeling voor het openbaar vaarwater, met uitzondering van de woonschepenhaven en de Scandinavische havens, en alle daarin voorkomende woonschepen binnen de gemeente Groningen. Tevens heeft het plan betrekking op oevers die gebruikt worden door woonschipbewoners.

Het beroep van [appellante sub 1]

2.2. [appellante sub 1] kan zich niet verenigen met het plandeel voor het gedeelte van het Hoendiep met bijbehorende oever tegenover zijn bedrijfslocatie aan de [locatie].

2.3. [appellante sub 1] voert aan dat de gronden tegenover de bedrijfslocatie ten onrechte zijn aangewezen als liggebied voor woonschepen. De functie van liggebied is niet te combineren met de bedrijfsactiviteiten van [appellante sub 1] welke zijn gericht op het verhuren van rijplaten en draglineschotten ten behoeve van diverse toepassingen. [appellante sub 1] vreest in de bedrijfsvoering te worden benadeeld door de met het plan mogelijk gemaakte ontwikkelingen, onder meer wat betreft het met vrachtwagens aan- en afrijden van het bedrijfsterrein. De verleende bouwvergunning en vrijstelling op grond van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) voor het aanleggen van het liggebied en het oprichten van nutsvoorzieningen zijn nog niet onherroepelijk. De belangen van [appellante sub 1] dienen daarom ten volle te worden meegewogen. De raad is ter plaatse ten onrechte van de richtafstanden uit de VNG-brochure "Bedrijven en milieuzonering" (hierna: VNG-brochure) afgeweken. Door geluid- en stofoverlast kan voorts voor de woonschipbewoners geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat worden gegarandeerd. Ook is volgens [appellante sub 1] de veiligheid van de woonschipbewoners in het geding door de verkeersbewegingen met zwaar materieel.

2.3.1. De raad stelt zich op het standpunt dat in het plan mocht worden uitgegaan van de krachtens artikel 19 van de WRO verleende vrijstelling. Volledigheidshalve is ingegaan op de inhoudelijke bezwaren van [appellante sub 1] en is gemotiveerd aangegeven dat de belangen van [appellante sub 1] zijn gewaarborgd. Zolang [appellante sub 1] zich houdt aan de normen van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit) zullen geen problemen ontstaan voor de bedrijfsvoering van [appellante sub 1], aldus de raad. Voorts brengt de raad naar voren dat ten aanzien van de woonschepen in redelijkheid van de richtafstanden uit de VNG-brochure kon worden afgeweken. De afstand van de woonschepen tot het bedrijfsterrein is uit het oogpunt van geluidoverlast acceptabel, waarbij is meegewogen dat het om een bestaand bedrijf gaat, voor woonschepen beperkt locaties beschikbaar zijn en de toekomstige bewoners van de schepen gelet op de situatie ter plaatse bewust een keuze kunnen maken. Aan de richtafstand van 10 meter vanaf de terreingrens van het bedrijf voor stof wordt ruimschoots voldaan. Aldus is volgens de raad geen sprake van een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat voor de bewoners van de woonschepen.

2.3.2. Ingevolge artikel 6, lid 6.1, van de planregels zijn de op de verbeelding voor water aangewezen gronden onder meer bestemd voor ligplaatsen voor woonschepen, uitsluitend voor zover aan de gronden op de verbeelding de aanduiding ligplaats is gegeven.

2.3.3. Bij besluit van 10 maart 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen bouwvergunning en vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de WRO verleend voor het realiseren van elf ligplaatsen voor woonschepen, plaatselijk bekend U.T. Delfiaweg 1001 tot en met 1011. Bij brief van 15 februari 2010 heeft [appellante sub 1] daartegen bezwaar gemaakt. Het college van burgemeester en wethouders heeft dat bezwaar bij besluit van 16 augustus 2010 niet-ontvankelijk verklaard. Op het daartegen door [appellante sub 1] ingestelde beroep is nog niet beslist.

2.3.4. Met gebruikmaking van de verleende vrijstelling is langs de T.U. Delfiaweg in 2009 een nieuw liggebied aangelegd en vervolgens is een deel van de 11 ligplaatsen in gebruik genomen. Het gebied bestaat uit twee delen. Een open gedeelte waar de ligplaatsen zichtbaar zijn vanaf de straat en een gesloten gedeelte waar de ligplaatsen achter een bosgebiedje liggen. Ter hoogte van het open gedeelte is langs de straat een haag geplant. Ter zitting is gebleken dat de ligplaatsen alle op ongeveer 15 meter van de terreingrens van [appellante sub 1] zijn gelegen.

2.3.5. De Afdeling stelt vast dat de verleende vrijstelling nog niet in rechte onaantastbaar is. De raad heeft derhalve terecht in volle omvang bezien of de bestemming in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Niet kan worden staande gehouden dat de belangen van [appellante sub 1] niet in de belangenafweging zijn betrokken.

De woonschepen liggen binnen de 50 dB(A) zone van het industrieterrein Groningen West-Hoogkerk, maar zijn niet aan te merken als geluidsgevoelige objecten waarop de bepalingen van hoofdstuk V van de Wet geluidhinder van toepassing zijn. Het vaststellen van een hogere waarde en het in dat kader doen van onderzoek naar verdere geluidsreducerende maatregelen zijn dan ook niet aan de orde. De situering van de ligplaatsen betekent niet dat [appellante sub 1] aan een strengere geluidsnorm moet gaan voldoen dan de norm die voor het bedrijf uit het Activiteitenbesluit voortvloeit. Ten aanzien van het tegengaan van stofoverlast kan niet worden staande gehouden dat [appellante sub 1] door de aanwezigheid van de ligplaatsen niet meer aan de ter zake ingevolge het Activiteitenbesluit geldende norm kan voldoen. Daarbij is van belang dat de ligplaatsen niet binnen de door de raad op grond van de VNG-brochure toegepaste richtafstand voor stof van 10 meter zijn gelegen. [appellante sub 1] heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat het met vrachtwagens aan- en afrijden van het bedrijfsterrein zal worden belemmerd door het gebruik dat de bewoners van de woonschepen van de weg tussen het bedrijf en de schepen zullen maken. Gelet op het voorgaande heeft [appellante sub 1] niet aannemelijk gemaakt dat de bedrijfsvoering zal worden gehinderd.

De Afdeling overweegt voorts dat de in de VNG-brochure opgenomen afstanden indicatief zijn en dat hiervan gemotiveerd kan worden afgeweken. De raad is uitgegaan van een richtafstand voor geluid van 30 meter. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de afstand tussen de woonschepen en het bedrijfsterrein van 15 meter in dit geval niet onaanvaardbaar is uit een oogpunt van geluidhinder voor de bewoners van de woonschepen. Daarbij is in aanmerking genomen dat onbetwist is gesteld dat de woonschepen meer dan 30 meter van de meest belastende bedrijfsactiviteiten op het terrein van [appellante sub 1] zijn gelegen. Ten aanzien van stofoverlast heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat gelet op de hiervoor vermelde richtafstand geen sprake is van onaanvaardbare hinder. De raad heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de ligplaatsen voor woonschepen is gewaarborgd.

[appellante sub 1] heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat als gevolg van de verkeersbewegingen door vrachtwagens van en naar het bedrijfsterrein voor de bewoners van de woonschepen een zodanig onveilige situatie zal ontstaan dat de raad de desbetreffende locatie niet in redelijkheid heeft kunnen aanwijzen als plek voor ligplaatsen.

2.4. [appellante sub 1] betoogt voorts dat de regels met betrekking tot het gebruik en de bebouwing van gronden met de bestemming "Groen" niet eenduidig zijn en ongewenste mogelijkheden bieden. Artikel 4, lid 4.2.1, aanhef en onder f, van de planregels laat toe dat op gronden met de aanduiding "bijgebouwen" gebouwen, niet zijnde bergingen, worden opgericht waarvoor geen maximale oppervlakte geldt. Aldus is volgens [appellante sub 1] denkbaar dat bijvoorbeeld een gebouw voor recreatief dagverblijf of een groot chalet wordt gebouwd dat de gehele bij een ligplaats behorende oever beslaat.

2.4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de oppervlakte van gebouwen op gronden met de aanduiding "bijgebouwen" beperkt is door de begrenzing van het gebied waaraan de aanduiding is toegekend.

2.4.2. Ingevolge artikel 4, lid 4.1, van de planregels zijn de op de verbeelding voor groen aangewezen gronden bestemd voor:

a. groenvoorzieningen;

b. bermen en beplantingen;

c. recreatieve voorzieningen;

d. wegen, fiets- en voetpaden;

e. kades en oevers;

f. tuin, uitsluitend voor zover aan de gronden op de verbeelding de aanduiding ligplaats is gegeven;

g. bergingen ten behoeve van woonschepen, uitsluitend binnen bouwvlakken òf voor zover aan de gronden op de verbeelding de aanduiding bijgebouwen is gegeven;

h. additionele voorzieningen, waaronder ruimtes ten behoeve van sluis- en brugbediening.

Ingevolge lid 4.2.1 gelden voor het bouwen van gebouwen de volgende bepalingen:

a. gebouwen (waaronder bergingen) mogen uitsluitend binnen een op de verbeelding aangegeven bouwvlak worden gebouwd;

b. per ligplaats is maximaal 1 gebouw in de vorm van een berging toegestaan;

c. in afwijking van het bepaalde onder a en b mogen geen gebouwen worden gebouwd op de gronden waaraan op de verbeelding de aanduiding bijgebouwen niet toegestaan is gegeven;

d. de hoogte van gebouwen mag maximaal 3 meter bedragen, dan wel de hoogte die op de verbeelding is aangegeven;

e. het bebouwingspercentage mag maximaal 15 van het bouwvlak bedragen, met dien verstande dat de maximale oppervlakte van de berging per ligplaats 12 m2 bedraagt en de oppervlakte van de berging per ligplaats ten minste 7,5 m2 mag bedragen;

f. in afwijking van het bepaalde onder a en e mogen gebouwen worden gebouwd op de met de aanduiding bijgebouwen aangegeven gronden, met dien verstande dat de maximale oppervlakte van de berging per ligplaats 12m2 bedraagt.

2.4.3. De Afdeling overweegt ten aanzien van de in artikel 4, lid 4.2.1, aanhef en onder f, van de planregels voorziene mogelijkheid om op de met de aanduiding bijgebouwen aangegeven gronden gebouwen te realiseren, dat voor bergingen op grond van die bepaling een maximale oppervlakte geldt, maar niet voor gebouwen, niet zijnde bergingen. Voor die gebouwen valt het maximaal te bebouwen oppervlak samen met de gronden waaraan op de verbeelding de aanduiding "bijgebouwen" is toegekend. Gebleken is dat de met de aanduiding "bijgebouwen" aangegeven gronden langs het Hoendiep ter hoogte van de [locatie] een beperkte omvang hebben. Gelet daarop kunnen geen gebouwen, niet zijnde bergingen, worden gebouwd die de gehele bij een ligplaats behorende oever beslaan. Voorts kunnen, naast bergingen, alleen gebouwen worden gerealiseerd die zijn aan te merken als recreatieve of additionele voorzieningen die passen binnen de groenbestemming. Een recreatief dagverblijf of een chalet is op grond van de planregels niet mogelijk. De vrees van [appellante sub 1] is ongefundeerd.

2.5. In hetgeen [appellante sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 2]

2.6. Het beroep van [appellant sub 2] richt zich tegen het plandeel met de bestemming "Water" en de bestemming "Groen" voor het liggebied Reitdiep, dat grenst aan de Dr. C. Hofstede de Grootkade.

2.7. [appellant sub 2] betoogt dat de bouwregels voor de oevers niet eenduidig zijn en ongewenste bebouwing mogelijk maken. Artikel 4, lid 4.2.1, aanhef en onder f, van de planregels laat toe dat op gronden met de aanduiding "bijgebouwen" gebouwen, niet zijnde bergingen, worden opgericht waarvoor geen maximale oppervlakte geldt. Aldus is volgens [appellant sub 2] denkbaar dat bijvoorbeeld een gebouw voor recreatief dagverblijf of een groot chalet wordt gebouwd dat de gehele bij een ligplaats behorende oever beslaat.

2.7.1. Het beroep van [appellant sub 2] heeft in zoverre betrekking op plandelen met de aanduiding "bijgebouwen". Ter plaatse van de Dr. C. Hofstede de Grootkade is die aanduiding niet toegekend. Ten aanzien van de plandelen waar dat wel het geval is, is [appellant sub 2] gelet op de afstand van zijn woning tot die plandelen niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht aan te merken. Het beroep is in zoverre niet-ontvankelijk.

2.8. [appellant sub 2] voert verder aan dat het plan onvoldoende waarborgen biedt om het karakter van woonschepen ter plaatse te laten overeenkomen met het karakter van de omliggende bebouwing die deel uitmaakt van een beschermd stadsgezicht. De koppeling tussen beschermd stadsgezicht en authentieke schepen zoals opgenomen in de Verordening openbaar vaarwater (hierna: de VOV) dient ook in het plan te worden opgenomen. Ten onrechte is het beschermd stadsgezicht niet verankerd in het plan, nu daarmee ingrijpende bouwmogelijkheden worden geschapen die daaraan afbreuk doen.

2.8.1. De raad stelt zich op het standpunt dat is gekozen voor het in de VOV neerleggen van een koppeling tussen grenzen aan of liggen in een beschermd stadsgezicht en het mogen afmeren van enkel authentieke schepen. In het plan is opgenomen waar ligplaatsen voor woonschepen zijn toegestaan. Het regelt niets over de schepen zelf, zoals afmetingen, aantal bijboten en dergelijke. Wel bevat het plan een regeling van de hoogte, omvang en aantal bergingen bij woonschepen en de locatie ervan. In zoverre is sprake van een handhaving van de onder het vorige plan bestaande mogelijkheden. Het beschermde stadsgezicht Schildersbuurt, dat ook het water van het Reitdiep omvat en doorloopt tot aan de overkant van dit water, is gelet op de planregels in het plan voldoende beschermd, aldus de raad.

2.8.2. Bij besluit van 9 mei 2000 hebben de toenmalige staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke ordening en Milieubeheer het gebied Schildersbuurt in de gemeente Groningen aangewezen als beschermd stadsgezicht in de zin van artikel 1, onder g, van de Monumentenwet 1988.

Ingevolge artikel 20, eerste lid, van de VOV mogen in de kanaalvakken die vallen onder dan wel grenzen aan die gebieden die zijn aangewezen als beschermd stadsgezicht enkel authentieke schepen ligplaats innemen.

Ingevolge artikel 20, tweede lid, kunnen ook schepen ligplaats innemen die wat betreft hun uiterlijke verschijningsvorm in overwegende mate gelijkenis vertonen met de in het eerste lid bedoelde schepen.

2.8.3. De Afdeling overweegt dat de keuze om de in artikel 20 van de VOV neergelegde norm niet ook in de planregels op te nemen niet onredelijk is. De raad heeft in dit verband in aanmerking mogen nemen dat voorkomen moet worden dat in de regelgeving op verschillende plaatsen hetzelfde wordt geregeld en dat uitgangspunt is om in het plan geen nadere eisen in die zin aan de woonschepen te stellen. Uit de Monumentenwet 1988 volgt niet dat in een bestemmingsplan het beschermde stadsgezicht dient te worden bevroren in de toestand waarin het zich bevindt. Hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de bescherming van de waarden die met de aanwijzing tot beschermd stadsgezicht beschermd dienen te worden op zich voldoende in het plan is gewaarborgd. Daarbij is van belang dat van ingrijpende bouwmogelijkheden geen sprake is.

2.9. Volgens [appellant sub 2] is in het plan ten onrechte niet voorzien in de mogelijkheid voor bewoners van omliggende panden om gebruik te maken van de oevers bij het water. Gebruik van de gehele oever langs de Dr. C. Hofstede de Grootkade als tuin is in strijd met het openbare karakter van de tot die weg behorende bermen.

2.9.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de wens van [appellant sub 2] om daadwerkelijk bij het water te kunnen komen, niet kan worden gehonoreerd. Daarbij voert hij aan dat vanuit beheersaspecten ervoor is gekozen de gehele oever als tuin in bruikleen te geven aan woonschipbewoners, omdat anders veel kleine stukjes oever tussen particuliere tuinen door de gemeente moeten worden beheerd, en dat een haag over de gehele lengte van de tuin voor een rustig en net beeld zorgt met zicht op het water.

2.9.2. Ingevolge artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder f, van de planregels zijn de op de verbeelding voor groen aangewezen gronden bestemd voor tuin, uitsluitend voor zover aan de gronden op de verbeelding de aanduiding ligplaats is gegeven.

2.9.3. Het Reitdiep is in het plan over de gehele lengte van de Dr. C. Hofstede de Grootkade aangewezen als liggebied voor woonschepen. De aanduiding "ligplaats" strekt zich ook uit tot de aangrenzende oevers. Gelet op artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder f, van de planregels mogen daarop tuinen worden aangelegd. [appellant sub 2] heeft niet aangegeven waarom de oever van het Reitdiep voor anderen dan de bewoners van de woonschepen toegankelijk moet zijn. In aanmerking genomen dat de toegankelijkheid van de oever onder het voorheen geldende planologische regime ook niet was gewaarborgd, overweegt de Afdeling dat de keuze van de raad om het mogelijk te maken dat de gehele oever als tuin aan woonschipbewoners in bruikleen wordt gegeven niet onredelijk is.

2.10. [appellant sub 2] betoogt dat ten onrechte geen hoogtevoorschrift voor hagen is opgenomen.

2.10.1. De raad stelt zich op het standpunt dat er uit het oogpunt van handhaving voor gekozen is om in de gehele gemeente de maximale hoogte van beplanting (1,20 meter) via bruikleenovereenkomsten met de bewoners van de woonschepen te regelen en niet ook in het plan vast te leggen, daargelaten of dat mogelijk is.

2.10.2. De Afdeling acht het standpunt van de raad dat de hoogte van de beplanting via bruikleenovereenkomsten wordt geregeld niet onredelijk. [appellant sub 2] heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij door deze wijze van regelen onevenredig in zijn belangen wordt geschaad.

2.11. In hetgeen [appellant sub 2] voor het overige heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Het beroep is voor het overige ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 3] en anderen

2.12. [appellant sub 3] en anderen richten zich tegen de begrenzing van het plan ter plaatse van het Oosterhamrikkanaal. Zij vrezen dat, nu de oevers van het Oosterhamrikkanaal buiten het plan zijn gelaten, het bestaande gebruik van de oevers als tuin met schuurtjes niet langer mogelijk zal zijn. Daarbij voeren zij aan dat de raad in de plantoelichting niet heeft onderkend dat de oevers wel als tuin in gebruik zijn en voorts dat door de oevers buiten het plan te laten in strijd is gehandeld met de doelstelling van het plan om een duidelijke en eenduidige regeling voor alle woonschepen te bieden. Tevens verzetten zij zich tegen een regeling waarbij de grootte van bergingen afhankelijk is gesteld van de grootte van de tuin.

2.12.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de doelstelling van het plan er niet aan in de weg staat dat ten aanzien van de regels voor tuinen en bergingen per kanaalvak wordt gekeken naar wat mogelijk en wenselijk is, zodat niet voor elk woonschip dezelfde regeling geldt. De oevers van het Oosterhamrikkanaal zijn niet in het plan opgenomen, omdat daarvoor de Ontwikkelingsvisie Oosterhamriktracé geldt. Voor regeling in een actualiserend, conserverend plan als het voorliggende plan is daarom geen aanleiding gezien. Voor de gebruiksmogelijkheden ter plaatse maakt het volgens de raad geen verschil in welk plan de oever wordt opgenomen. Het oostelijk deel van de oever is opgenomen in het bestemmingsplan "Waterrand Oosterparkwijk" en voor het westelijk deel zal de uitwerking van de Ontwikkelingsvisie plaatsvinden in het bestemmingsplan "Oosterparkwijk".

2.12.2. Gelet op de systematiek van de Wet ruimtelijke ordening komt de raad in beginsel een grote mate van beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening of anderszins in strijd met het recht.

In hetgeen [appellant sub 3] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. De raad heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat de oevers deel uitmaken van een ontwikkelingsgebied en om die reden in andere, ontwikkelingsgerichte, plannen worden opgenomen. Gelet daarop was het niet nodig om in de plantoelichting in te gaan op het gebruik van de oevers van het Oosterhamrikkanaal. Er is ook geen aanleiding te veronderstellen dat [appellant sub 3] en anderen wat hun gebruiksmogelijkheden van de oevers betreft in een slechtere positie zijn gekomen doordat de oevers buiten het plan zijn gelaten.

De Afdeling overweegt voorts dat voor zover de bezwaren van [appellant sub 3] en anderen betrekking hebben op de gebruiksmogelijkheden van de oevers van het Oosterhamrikkanaal en de grootte van bergingen, deze niet in deze procedure aan de orde kunnen komen.

Het beroep is ongegrond.

Proceskostenveroordeling

2.13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 2A] en [appellante sub 2B] voor zover gericht tegen de plandelen waaraan de aanduiding "bijgebouwen" is toegekend niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep van [appellant sub 2A] en [appellante sub 2B] voor het overige en het beroep van [appellante sub 1A] en [appellante sub 1B] en het beroep van [appellant sub 3] en anderen geheel ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, voorzitter, en mr. N.S.J. Koeman en mr. J. Kramer, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Spoel w.g. Zwemstra

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 november 2011

91.