Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU5394

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-11-2011
Datum publicatie
23-11-2011
Zaaknummer
201104520/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 oktober 2009 heeft het college, voor zover thans van belang, afwijzend besloten op het verzoek van [verzoeker A] en [verzoeker B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [verzoeker]) tot handhavend optreden tegen het gebruik van de onbebouwde gronden, gelegen naast het perceel [locatie] te Fijnaart (hierna: het perceel), als ligplaats voor een woonschip.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201104520/1/H1.

Datum uitspraak: 23 november 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellante B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), wonend te Fijnaart, gemeente Moerdijk,

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 9 maart 2011 in

zaak nr. 10/2455 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Moerdijk.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 oktober 2009 heeft het college, voor zover thans van belang, afwijzend besloten op het verzoek van [verzoeker A] en [verzoeker B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [verzoeker]) tot handhavend optreden tegen het gebruik van de onbebouwde gronden, gelegen naast het perceel [locatie] te Fijnaart (hierna: het perceel), als ligplaats voor een woonschip.

Bij besluit van 6 mei 2010 heeft het college, voor zover thans van belang, het door [verzoeker] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en alsnog [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast het gebruik van de onbebouwde gronden, gelegen naast het perceel, als ligplaats voor een woonschip te staken en gestaakt te houden.

Bij uitspraak van 9 maart 2011, verzonden op 14 maart 2011, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 april 2011, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het college en [appellant] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 september 2011, waar [appellant], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door mr. R.W. Kranenburg, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. In zijn nader stuk van 18 augustus 2011 merkt [appellant] de weigering van de Afdeling om zijn verzoek om uitstel van de zitting in te willigen, aan als een inbreuk op zijn recht van vrije keuze van een advocaat.

2.1.1. Naar aanleiding van het tweede verzoek van [appellant] om uitstel van de zitting in verband met een afspraak van zijn gemachtigde bij een medisch specialist die dag om 14.00 uur in Antwerpen, heeft de Afdeling [appellant] aangeboden om de geplande aanvang van de zitting met een uur te vervroegen en deze aldus op 26 september 2011 om 09.00 uur in plaats van 10.00 uur te laten plaatsvinden. Van dit aanbod is geen gebruik gemaakt. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat daarmee de vrije keuze van een advocaat in het gedrang is gebracht.

2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college [verzoeker] ten onrechte als belanghebbende heeft aangemerkt bij het verzoek om handhavend optreden. Hij voert daartoe aan dat het water waarin het woonschip ligt afgemeerd, anders dan de rechtbank heeft overwogen, niet grenst aan het perceel van [verzoeker] en [verzoeker] bovendien vanaf zijn perceel geen zicht heeft op het woonschip.

2.2.1. Zoals ter zitting is komen vast te staan, grenst het perceel van [verzoeker] aan het perceel van [appellant] en aan het water waarin het woonschip van [appellant] ligt afgemeerd, wat er verder zij van de benaming van dat water. De rechtbank heeft dan ook met juistheid overwogen dat het college [verzoeker] terecht als belanghebbende bij het verzoek om handhaving heeft aangemerkt.

Het betoog faalt.

2.3. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied Moerdijk, eerste herziening", rust op de gronden waar het woonschip is gelegen, de bestemming "Water".

Ingevolge artikel 21, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de gronden op de kaart aangewezen voor "Water" bestemd voor de wateraanvoer en -afvoer, de waterberging en het verkeer te water.

Ingevolge artikel 56, eerste lid, is het verboden gronden en bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de aan de betrokken grond gegeven (sub)bestemmingen, de daarbij behorende doeleindenomschrijvingen en de overige voorschriften.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder g, wordt onder strijdig gebruik in ieder geval verstaan onbebouwde gronden te gebruiken of te laten gebruiken als ligplaats voor woonschepen, tenzij dit in hoofdstuk II van de voorschriften uitdrukkelijk is toegestaan.

Ingevolge het vijfde lid, aanhef en onder d, wordt onder strijdig gebruik als bedoeld in het tweede lid niet verstaan het gebruik als ligplaats voor vaartuigen voor de duur van ten hoogste 24 uur.

Ingevolge artikel 57, eerste lid, mag het gebruik van gronden en bouwwerken dat afwijkt van het plan op het tijdstip waarop het plan rechtskracht verkrijgt, worden voortgezet.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet bevoegd is om handhavend op te treden, omdat het met het bestemmingsplan strijdige gebruik wordt beschermd door het overgangsrecht. Volgens [appellant] moet, anders dan de rechtbank heeft overwogen, onder strijdig gebruik als bedoeld in artikel 56, tweede lid, van de planvoorschriften niet de feitelijke bewoning van het woonschip "Myron II" worden verstaan, maar het gebruik van het water als ligplaats voor een woonschip. Laatstgenoemd gebruik is volgens [appellant] niet langer dan vier maanden onderbroken geweest, zodat volgens hem sprake is van voortgezet gebruik als bedoeld in artikel 57, eerste lid, van de planvoorschriften. Van objectgebonden overgangsrecht is volgens [appellant] geen sprake.

2.4.1. Anders dan [appellant] betoogt, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het gebruik van de onbebouwde gronden als ligplaats voor het woonschip "Myron II", niet onder het gebruiksovergangsrecht als bedoeld in artikel 57, eerste lid, van de planvoorschriften, valt.

Onder verwijzing naar de uitspraak van 14 juli 2004 in zaak nr. 200308369/1, heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat voortzetting van het gebruik als bedoeld in artikel 57, eerste lid, van de planvoorschriften, alleen betrekking kan hebben op bouwwerken die reeds bestonden en ter plaatse aanwezig waren op het moment dat het plan rechtskracht heeft verkregen. Nu niet in geschil is dat het woonschip "Myron II", tegen de bewoning waarvan door het college handhavend is opgetreden, niet op het perceel aanwezig was op 2 december 2005, te weten de datum waarop het bestemmingsplan "Buitengebied Moerdijk" rechtskracht verkreeg, is reeds daarom geen sprake van voorzetting van het gebruik als bedoeld in artikel 57, eerste lid, van de planvoorschriften.

Het betoog faalt.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, voorzitter, en mr. C.J.M. Schuyt en mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.G.P. Oudenaller, ambtenaar van staat.

w.g. Wortmann w.g. Oudenaller

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 november 2011

531-641.