Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU5377

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-11-2011
Datum publicatie
23-11-2011
Zaaknummer
201102887/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 oktober 2009 heeft de raad een aanvraag van [appellante] om een toevoeging voor rechtsbijstand afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201102887/1/H2.

Datum uitspraak: 23 november 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te 's-Graveland, gemeente Wijdemeren,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 25 januari 2011 in zaak nr. 10/643 in het geding tussen:

[appellante]

en

de raad voor rechtsbijstand Amsterdam (thans: het bestuur van de raad voor rechtsbijstand; hierna: de raad).

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 oktober 2009 heeft de raad een aanvraag van [appellante] om een toevoeging voor rechtsbijstand afgewezen.

Bij besluit van 28 december 2009 heeft de raad het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 januari 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 maart 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 4 april 2011.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 oktober 2011, waar [appellante], in persoon, en de raad, vertegenwoordigd door mr. C.W. Wijnstra, werkzaam bij het centraal kantoor van de raad te Utrecht, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 12, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: de Wrb) wordt rechtsbijstand niet verleend indien het rechtsbelang waarop de aanvraag betrekking heeft, de uitoefening van een zelfstandig beroep of bedrijf betreft, tenzij:

1º. voortzetting van het beroep of bedrijf voor zover het niet in de vorm van een rechtspersoon wordt gevoerd, afhankelijk is van het resultaat van de aangevraagde rechtsbijstand, of

2º. het beroep of bedrijf ten minste één jaar geleden is beëindigd, de aanvrager in eerste aanleg als verweerder bij de procedure is betrokken of betrokken is geweest en de kosten van rechtsbijstand niet op andere wijze kunnen worden vergoed.

2.1.1. In de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling is het volgende vermeld: "Rechtsbijstand wordt verstrekt aan degenen die geacht worden zelf de kosten daarvan niet of niet volledig te kunnen dragen. Ook rechtspersonen en natuurlijke personen die een zelfstandig beroep of bedrijf uitoefenen kunnen in een situatie terecht komen waarin zij rechtsbijstand nodig hebben. Voorzover het bij zelfstandigen gaat om rechtsbelangen die niet in verband staan met hun beroep of bedrijf, bijvoorbeeld bij een verzoek om echtscheiding, verkeren zij in dezelfde positie als alle andere natuurlijke personen die een dergelijke procedure aanhangig willen maken. Zij komen, indien zij minder draagkrachtig zijn, voor rechtsbijstand in aanmerking. Voorzover die rechtsbelangen echter de uitoefening van hun beroep of bedrijf betreffen, komt hun situatie overeen met die van een als rechtspersoon georganiseerde onderneming. Het kan naar ons oordeel niet zo zijn dat de rechtsbijstandkosten die voortvloeien uit de bedrijfsvoering van de rechtzoekende worden afgewenteld op de overheid. Deelname aan het economisch leven brengt nu eenmaal risico's met zich. De ondernemer, of deze zelfstandige is of niet, kan voor dit soort risico's reserveren of zich verzekeren. Voor hem zijn de kosten van rechtsbijstand bovendien een fiscale aftrekpost. Om deze redenen worden, zoals ook thans het geval is, rechtsbelangen die de zelfstandige beroeps- of bedrijfsuitoefening betreffen, van rechtsbijstand uitgesloten. Deze bepaling geldt zowel voor de natuurlijke persoon als de rechtspersoon," (memorie van antwoord; Kamerstukken II 1992/93, 22 609, nr. 6, blz. 12).

2.2. [appellante] verrichtte als handelsagente werkzaamheden voor de in Oostenrijk gevestigde [firma]. Deze werkzaamheden voerde zij uit op basis van een door haar met [firma] afgesloten 'Werkvertrag'. Op 15 april 2009 heeft [firma] het Werkvertrag opgezegd. Mr. R.A. Franken, advocaat, heeft namens [appellante] de toevoeging aangevraagd om een Oostenrijkse advocaat, die aldaar de zaak aanhangig zal maken, bij te staan voor wat betreft het Nederlandse recht. De raad heeft deze aanvraag afgewezen.

2.3. Aan het besluit op bezwaar van 28 december 2009 heeft de raad ten grondslag gelegd dat het rechtsbelang waarop de aanvraag betrekking heeft de uitoefening van een zelfstandig beroep of bedrijf door [appellante] betreft, nu het geschil rechtstreeks voortvloeit uit de overeenkomst met [firma] en niet is gebleken dat het voortbestaan van dat bedrijf afhankelijk is van het resultaat van de verzochte rechtsbijstand. Daarnaast heeft de zaak waarvoor de toevoeging is aangevraagd volgens de raad geen betrekking op een binnen de Nederlandse rechtssfeer liggend rechtsbelang. Om beide redenen heeft de raad de aanvraag om toevoeging geweigerd.

De rechtbank heeft dit standpunt gevolgd.

2.4. [appellante] betoogt dat de raad ten onrechte aan het besluit op bezwaar van 28 december 2009 een weigeringsgrond ten grondslag heeft gelegd die niet in het besluit van 16 oktober 2009 is vermeld, namelijk dat het rechtsbelang waarop de aanvraag betrekking heeft, de uitoefening van een zelfstandig beroep of bedrijf betreft.

2.4.1. Uit artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht volgt dat op grondslag van het bezwaar een heroverweging plaatsvindt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 1 oktober 2008 in zaak nr. 200708648/1) is de bezwaarschriftenprocedure bedoeld voor een volledige heroverweging die niet gebonden is aan de argumenten of omstandigheden die in het bezwaarschrift aan de orde zijn gesteld. Deze bepaling stond er dan ook niet aan in de weg dat de raad de weigering van de gevraagde toevoeging handhaafde op een grond die niet in het besluit van 16 oktober 2009 is vermeld.

2.5. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat er een gezagsverhouding bestond tussen haar firma], zodat het Werkvertrag het karakter heeft van een arbeidsovereenkomst. Voorts voert [appellante] aan dat zij, gelet op dit karakter, in Nederland een rechtszaak tegen [firma] wil aanspannen.

2.5.1. Voor zover [appellante] hiermee betoogt dat artikel 12, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wrb in dit geval niet van toepassing is, faalt het betoog. In de aanvraag om toevoeging is vermeld dat door [firma] het Werkvertrag, een agentuurovereenkomst, is opgezegd, zonder dat daartoe een termijn in acht is genomen. Met de procedure tegen [firma] wil [appellante] in verband hiermee schadevergoeding vorderen. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht overwogen dat het geschil met [firma] zijn oorsprong vindt in de bedrijfsactiviteiten van [appellante] als zelfstandig handelsagente en de overeenkomst die zij hiertoe had afgesloten. Dit vindt voorts bevestiging in de aard van de werkzaamheden die [appellante] voor [firma] verrichtte, zoals vermeld in de door haar uitgebrachte dagvaarding, en hetgeen daarover is bepaald in het Werkvertrag. De omstandigheid dat, naar [appellante] stelt, de klanten rechtstreeks contracten sloten met [firma] en betalingen verrichtten aan [firma], brengt op zichzelf niet mee dat niet kan worden gesteld dat zij als handelsagente bemiddelde. Anders dan [appellante] betoogt, kan derhalve niet worden geoordeeld dat de aanvraag betrekking heeft op rechtsbijstand voor een geschil voortvloeiende uit een arbeidsovereenkomst.

2.6. [appellante] voert voorts aan dat de rechtbank eraan voorbij is gegaan dat zij over onvoldoende financiële draagkracht beschikt om zelf de kosten van rechtsbijstand te kunnen dragen.

2.6.1. Voor zover [appellante] hiermee betoogt dat toepassing van artikel 12, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wrb in haar geval ertoe leidt dat het recht op toegang tot de rechter, zoals neergelegd in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, wordt aangetast, wordt verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 20 juli 2011 in zaak nr. 201008269/1/H2. Hierin is overwogen dat, mede met het oog op de financiële beheersbaarheid van het systeem van rechtsbijstandsverlening, het gerechtvaardigd moet worden geacht rechtsbijstandskosten in civiele procedures die voortvloeien uit beroep of bedrijf voor rekening van de ondernemer te laten. In het kader van een verantwoorde bedrijfsvoering dient een ondernemer met dit soort kosten rekening te houden en kan hij - zoals in de onder 2.1.1 aangehaalde passage uit de memorie van antwoord bij de Wrb wordt opgemerkt - daarvoor reserveren of zich verzekeren. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat artikel 12, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wrb het recht op toegang tot de rechter in de kern aantast en niet een gerechtvaardigd belang dient.

Evenmin kan worden geoordeeld dat de gevolgen van de afwijzing voor [appellante] onevenredig zijn in verhouding tot het daarmee te dienen doel. De door haar gestelde omstandigheden, waaronder haar leeftijd en de verplichtingen op grond van een concurrentiebeding, bieden daartoe onvoldoende grond.

Het betoog faalt.

2.7. Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat de raad de gevraagde toevoeging terecht heeft geweigerd op de grond dat het rechtsbelang waarop de aanvraag betrekking heeft, de uitoefening van een zelfstandig beroep of bedrijf betreft. De rechtbank is terecht tot dezelfde conclusie gekomen. Het hoger beroep dient reeds hierom ongegrond te worden verklaard. Hetgeen [appellante] voor het overige heeft aangevoerd met betrekking tot het binnen de Nederlandse rechtssfeer liggende rechtsbelang behoeft geen bespreking meer, omdat dit niet kan leiden tot het door haar beoogde doel.

De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van staat.

w.g. Borman w.g. Van Meurs-Heuvel

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 november 2011

47-710.