Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU5369

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-11-2011
Datum publicatie
23-11-2011
Zaaknummer
201108616/1/T1/R4 en 201108616/2/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 juni 2011 heeft de raad van de gemeente Zwijndrecht het bestemmingsplan "Voorzieningencluster - Educatief Plein" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201108616/1/T1/R4 en 201108616/2/R4.

Datum uitspraak: 14 november 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:

[appellant], wonend te Heerjansdam, gemeente Zwijndrecht,

en

de raad van de gemeente Zwijndrecht,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 juni 2011 heeft de raad van de gemeente Zwijndrecht het bestemmingsplan "Voorzieningencluster - Educatief Plein" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 augustus 2011, beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 augustus 2011, heeft [appellant] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaken ter zitting behandeld op 4 oktober 2011, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. O.W. Wagenaar en [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door R. van der Kuijp en drs. N. Mol, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2. Uit artikel 8:86, eerste lid, van de Awb volgt dat de voorzitter in het geval toepassing wordt gegeven aan die bepaling dezelfde uitspraakbevoegdheden heeft als de Afdeling. Dit houdt in dat ook in het kader van de toepassing van artikel 8:86 van de Awb toepassing kan worden gegeven aan artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State.

2.3. Ingevolge artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State, voor zover hier van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

2.4. Het bestemmingsplan voorziet in twee scholen, een kinderdagverblijf (kdv), buitenschoolse opvang (bso) en peuterspeelzaal, een bibliotheek en een speel-o-theek. De sporthal behoudt zijn functie.

2.5. [appellant] vreest voor aantasting van zijn woon- en leefklimaat, aantasting van zijn privacy, vermindering van lichttoetreding en verlies van uitzicht als gevolg van de toegestane bouwhoogte, parkeeroverlast en geluidsoverlast. Hij voert aan dat het bouwvlak vele malen groter is dan nodig is voor het bouwplan.

2.6. De raad stelt zich op het standpunt dat op grond van de planregels maximaal twee bouwlagen mogen worden gebouwd. De bebouwde oppervlakte op de tweede bouwlaag mag maximaal 1700 m² bedragen en die op de begane grond maximaal 2200 m², zodat de tweede bouwlaag terugliggend wordt gebouwd. Voorts is gekozen voor een enigszins flexibele invulling van het bouwvlak, omdat de exacte locatie waar de bebouwing geprojecteerd zou worden nog niet bekend was. Het plan voldoet volgens de raad aan de CROW-normen. De raad acht de vrees voor geluidoverlast niet gerechtvaardigd, omdat de kinderen enkel in de pauze op schooldagen op het schoolplein spelen en de scholen ook nu al in het projectgebied gevestigd zijn.

2.7. De voorzitter overweegt dat uit de bouwtekening behorend bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van twee scholen, kdv, bso, peuterspeelzaal, bibliotheek en speel-o-theek van 23 juni 2011 blijkt dat het bestemmingsplan voorziet in een veel groter bouwvlak dan nodig is voor het bouwplan. De voorzitter acht dit bij gebreke van een onderbouwing van de noodzaak daarvan in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Daarbij neemt de voorzitter de grote invloed op het woon- en leefklimaat van [appellant] in aanmerking indien dat bouwvlak maximaal zou worden benut.

2.8. De voorzitter ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding de raad met toepassing van artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State op te dragen het gebrek in het bestreden besluit binnen de hierna te noemen termijn te herstellen. De raad dient daartoe dragend te motiveren waarom is gekozen voor de omvang van het bouwvlak in het plan en waarom dat uit oogpunt van het woon- en leefklimaat van [appellant] aanvaardbaar is, of het besluit te wijzigen door te voorzien in een beperkter bouwvlak, zonder dat daarbij toepassing behoeft te worden gegeven aan afdeling 3.4 van de Awb. In het laatste geval dient het nieuwe besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendgemaakt te worden.

2.9. De voorzitter ziet geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen ten aanzien van de mogelijkheden waarin het bestemmingsplan voorziet, waarop de aanvraag voor de omgevingsvergunning betrekking heeft. Deze hebben weliswaar gevolgen voor het woon- en leefklimaat van [appellant], maar zijn niet zodanig dat de raad het plan in zoverre bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid in strijd met een goede ruimtelijke ordening had moeten achten. Bij realisering van die aanvraag wordt een afstand van ongeveer tien meter tot het woonhuis van [appellant] in acht genomen. De raad heeft ter zitting vermeld met [appellant] in overleg te zullen treden over de mogelijkheden om een afscheiding te maken om het geluid vanwege de spelende kinderen te verminderen. De raad heeft de aanwezigheid van de speelplaats in de directe nabijheid van [appellant] niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening hoeven achten.

2.10. Gelet op het onder 2.7 overwogene ziet de voorzitter aanleiding met toepassing van artikel 8:81 van de Awb de na te melden voorlopige voorziening te treffen. Ten aanzien van dit verzoek dient de raad op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

2.11. In de einduitspraak zal worden beslist over de in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. draagt de raad van de gemeente Zwijndrecht op om:

-binnen twaalf weken na de verzending van deze tussenuitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen het besluit van 28 juni 2011 te herstellen door dragend te motiveren waarom is gekozen voor de omvang van het bouwvlak in het plan en waarom dat uit oogpunt van het woon- en leefklimaat van [appellant] aanvaardbaar is dan wel het bestreden besluit te wijzigen door te voorzien in een beperkter bouwvlak. In het laatste geval dient het nieuwe besluit op de wettelijk voorgeschreven termijn bekendgemaakt te worden, en

-de voorzitter van de uitkomst en van het eventuele nieuwe besluit mededeling te doen;

II. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van de raad van de gemeente Zwijndrecht van 28 juni 2011, voor zover het betrekking heeft op gronden waarop de bouwtekening behorend bij de aanvraag van 23 juni 2011 geen betrekking heeft;

III. veroordeelt de raad van de gemeente Zwijndrecht tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 437,00 (zegge: vierhonderzevenendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Zwijndrecht aan [appellant] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IV. gelast dat de raad van de gemeente Zwijndrecht aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. T.L.J. Drouen, ambtenaar van staat.

w.g. Polak w.g. Drouen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 november 2011

433.