Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU5367

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-11-2011
Datum publicatie
23-11-2011
Zaaknummer
201011530/2/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 september 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Wolfsveld 2010" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201011530/2/R3.

Datum uitspraak: 14 november 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

1. [verzoekers sub 1], wonend te Gemert, gemeente Gemert-Bakel (hierna tezamen en in enkelvoud : [verzoeker sub 1]),

2. [verzoeker sub 2], wonend te Gemert, gemeente Gemert-Bakel,

3. [verzoeker sub 3], wonend te Gemert, gemeente Gemert-Bakel,

verzoekers,

en

de raad van de gemeente Gemert-Bakel,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 september 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Wolfsveld 2010" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben onder meer [verzoeker sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 december 2010, [verzoeker sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 december 2010, en [verzoeker sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 december 2010, beroep ingesteld. [verzoeker sub 1] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 20 oktober 2011. [verzoeker sub 2] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 21 oktober 2011. [verzoeker sub 3] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 2 september 2010.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 september 2011, heeft [verzoeker sub 1] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 september 2011, heeft [verzoeker sub 2] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 september 2011, heeft [verzoeker sub 3] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

Daarop hebben onder meer [verzoeker sub 1], [verzoeker sub 2], [verzoeker sub 3] en de raad hun zienswijze naar voren gebracht.

De voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 2 november 2011, waar [verzoeker sub 1], [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 3], allen bijgestaan door mr. J.A.J.M. van Houtum, werkzaam bij Achmea rechtsbijstand, en de raad, vertegenwoordigd door mr. F.T.H. Branten, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het plan voorziet onder meer in een juridisch-planologische regeling voor de uitbreiding van het bestaande bedrijventerrein Wolfsveld te Gemert.

2.3. [verzoeker sub 1], [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 3] verzoeken schorsing van het plan om te voorkomen dat omgevingsvergunningen op grond van het vastgestelde plan worden verleend en reeds op grond van het plan verleende vergunningen onherroepelijk worden.

Zij betogen dat de raad onvoldoende rekening heeft gehouden met de geurcontouren van de veehouderijen van [verzoeker sub 1], [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 3] en bij de afweging omtrent deze geurcontouren ten onrechte is uitgegaan van de geurnorm die op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: Wgv) geldt voor geurbelasting op geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom. Zij betogen dat de bedrijfsvoering van hun veehouderijen belemmerd wordt door het mogelijk maken van geurgevoelige bebouwing in de directe nabijheid van de veehouderijen.

2.4. Ingevolge artikel 3 van de Wgv wordt een omgevingsvergunning met betrekking tot een veehouderij geweigerd indien de geurbelasting van die veehouderij op een geurgevoelig object, gelegen binnen een concentratiegebied, binnen de bebouwde kom meer bedraagt dan 3,0 odour units per kubieke meter lucht en indien het geurgevoelig object is gelegen binnen een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom als de geurbelasting meer bedraagt dan 14,0 odour units per kubieke meter lucht.

Zoals de Afdeling eerder onder verwijzing naar de Memorie van Toelichting van de Wgv heeft overwogen (uitspraak van 25 maart 2009 in zaak nr. 200807566/1/H1) wordt de grens van de bebouwde kom in de Wgv evenals in de ruimtelijke ordening bepaald door de aard van de omgeving. Binnen een bebouwde kom is de bebouwing op korte afstand van elkaar gelegen en geconcentreerd tot een samenhangende structuur.

2.5. De raad heeft er onder de verwijzing naar de toelichting bij de gemeentelijke Verordening geurhinder en veehouderij op gewezen dat in Gemert-Bakel de bebouwde kom wordt beschouwd als op korte afstand van elkaar gelegen bebouwing, bestemd voor menselijk wonen, waarbinnen een sociale en samenhangende structuur aanwezig is. Bedrijventerreinen en industrieterreinen worden door de raad gezien als gevoelige objecten buiten de bebouwde kom, waarvoor een geurnorm van 14,0 odour units per kubieke meter lucht geldt.

Naar voorlopig oordeel verdraagt deze uitleg van de Wgv zich niet zonder meer met hetgeen hiervoor onder 2.4 is overwogen. Uit de stukken, waaronder het op dit punt niet bestreden deskundigenbericht, kan worden afgeleid dat het bedrijventerrein als het geheel ontwikkeld is, compact is opgezet met een hoge bebouwingsconcentratie en weinig groen. Het terrein ligt tegen de kern van Gemert aan. Naar voorlopig oordeel is het dan ook niet uitgesloten dat in de bodemprocedure geoordeeld zal worden dat het bedrijventerrein als het geheel ontwikkeld is tot de bebouwde kom gaat behoren en derhalve de norm van 3,0 odour units per kubieke meter lucht van toepassing is. Het ter zitting gedane beroep op de Verordening geurhinder en veehouderij kan ook verder niet slagen, nu deze Verordening voor het betrokken gebied geen van de Wgv afwijkende geurnormen bevat.

2.6. Ter zitting is door de raad bevestigd dat indien de geurbelasting van 3,0 odour units per kubieke meter lucht van toepassing is, dit de bedrijfsvoering van de bedrijven van [verzoeker sub 1], [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 3] zal kunnen belemmeren.

2.7. Op grond van het voorgaande heeft de voorzitter twijfel of het bestreden besluit in zoverre in de bodemprocedure in stand zal blijven. Gelet hierop ziet de voorzitter, alle belangen afwegend, aanleiding het verzoek in te willigen en het bestreden besluit bij wijze van voorlopige voorziening te schorsen.

2.8. Gelet op het vorenstaande ziet de voorzitter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.9. De raad dient ten aanzien van [verzoeker sub 1], [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 3] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van de raad van de gemeente Gemert-Bakel van 30 september 2010, kenmerk besluit nr. 87, zaaknr. 279432;

II. veroordeelt de raad van de gemeente Gemert-Bakel tot vergoeding van bij [verzoekers sub 1] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

veroordeelt de raad van de gemeente Gemert-Bakel tot vergoeding van bij [verzoeker sub 2] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro);

veroordeelt de raad van de gemeente Gemert-Bakel tot vergoeding van bij [verzoeker sub 3] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III. gelast dat de raad van de gemeente Gemert-Bakel aan [verzoekers sub 1] het door hen voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

gelast dat de raad van de gemeente Gemert-Bakel aan [verzoeker sub 2] het door hem voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) vergoedt.

gelast dat de raad van de gemeente Gemert-Bakel aan [verzoeker sub 3] het door hem voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Postma, ambtenaar van staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Postma

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 november 2011

539-752.