Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU5252

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-11-2011
Datum publicatie
22-11-2011
Zaaknummer
201103881/2/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

WRAKING. Verzoek tot wraking vanwege gang van zaken ter zitting. Verschil in opvatting tussen verzoeker en staatsraad omtrent de kern van de in hoger beroep voorgelegde zaak houdt geen verband met de (schijn van) partijdigheid van de staatsraad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201103881/2/H1.

Datum beslissing: 9 november 2011

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Beslissing op het verzoek van:

[verzoeker], wonend te Veenendaal,

om toepassing van artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

1. Procesverloop

Bij brief van 27 oktober 2011, bij de Raad van State ingekomen op 31 oktober 2011, heeft [verzoeker] verzocht om wraking van mr. H. Troostwijk (hierna: de staatsraad) bij de behandeling van de zaak nr. 201103881/1/H1.

De staatsraad heeft niet in de wraking berust.

De Afdeling heeft het verzoek op 3 november 2011 ter zitting behandeld, waar [verzoeker] is gehoord. De staatsraad heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid te worden gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Op verzoek van een partij kan ingevolge artikel 8:15 van de Awb elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

Ingevolge artikel 49, eerste lid, van de Wet op de Raad van State is dit artikel van overeenkomstige toepassing indien bij de Afdeling hoger beroep wordt ingesteld.

2.2. [verzoeker] heeft in zijn verzoek en ter zitting aangevoerd dat hem tijdens de op 25 oktober 2011 gehouden zitting uit opmerkingen van de staatsraad bleek dat zij slechts beperkt kennis had genomen van de door hem ingebrachte stukken en voorts een onjuist beeld had van de kern van het geschil. Voorts heeft hij aangevoerd dat de communicatie met de staatsraad ter zitting stroef verliep. Uit een en ander leidt hij af dat de onpartijdigheid van de staatsraad niet is gewaarborgd.

2.3. Voorop staat dat als maatstaf heeft te gelden dat de staatsraad uit hoofde van haar aanstelling wordt verondersteld onpartijdig te zijn en dat het aan verzoeker is om aannemelijk te maken dat zich bijzondere omstandigheden voordoen die een uitzondering op deze veronderstelling rechtvaardigen.

2.4. Uit hetgeen door [verzoeker] naar voren is gebracht over de (wijze van) vraagstelling van de staatsraad in samenhang met hetgeen ter zake blijkt uit het van de zitting van 25 oktober 2011 opgemaakte proces-verbaal, leidt de Afdeling af dat [verzoeker] met de inhoud van het door hem op die zitting gevoerde betoog geen gehoor vond bij de staatsraad. De Afdeling acht, mede gelet op het verhandelde ter zitting van 3 november 2011, aannemelijk dat het hier in essentie gaat om een verschil in opvatting omtrent de kern van de in hoger beroep aan de Afdeling ter beoordeling voorgelegde zaak. De Afdeling plaatst in dit licht ook de opmerkingen over de vermeende ondeskundigheid van de staatsraad en het volgens [verzoeker] stroeve verloop van de zitting. De door [verzoeker] gekozen "insteek" in het geschil met het college van B en W was kennelijk een andere dan die waarvan de staatsraad na bestudering van het dossier uitging. Vorenstaande houdt naar het oordeel van de Afdeling geen verband met de (schijn van) partijdigheid van de staatsraad. Hetzelfde geldt voor het verwijt van [verzoeker] dat het college van B en W door de staatsraad onvoldoende kritisch tegemoet is getreden. Ook dat verwijt ziet de Afdeling als samenhangend met de inhoud van de zaak.

2.5. Het bovenstaande leidt ertoe dat er geen grond is voor het oordeel dat sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden. Ook anderszins geeft het door [verzoeker] aangevoerde geen aanknopingspunt voor die conclusie.

2.6. Gelet op het vorenstaande dient het verzoek te worden afgewezen.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. J.H. van Kreveld en mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Hanrath

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 november 2011

392.