Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU4607

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-11-2011
Datum publicatie
16-11-2011
Zaaknummer
201102260/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 december 2009 heeft de minister [appellante] een boete van € 440,00 opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201102260/1/H3.

Datum uitspraak: 16 november 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 7 januari 2011 in zaak nr. 10/724 in het geding tussen:

[appellante]

en

de minister van Infrastructuur en Milieu, voorheen: de minister van Verkeer en Waterstaat.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 december 2009 heeft de minister [appellante] een boete van € 440,00 opgelegd.

Bij besluit van 22 maart 2010 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 januari 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 februari 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 16 maart 2011.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 oktober 2011, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. K. Vierhout, advocaat te Haarlem, vergezeld door [gemachtigden], en de minister, vertegenwoordigd door mr. M.J.G. van den Bosch, werkzaam bij het ministerie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 8, tweede lid, van verordening (EG) nr. 561/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer, tot wijziging van Verordeningen (EEG) nr. 3821/85 en (EG) nr. 2135/98 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad (hierna: verordening 561/2006) moet een bestuurder binnen elke periode van 24 uur na het einde van de voorafgaande dagelijkse of wekelijkse rusttijd een nieuwe dagelijkse rusttijd genomen hebben. Indien het gedeelte van de dagelijkse rusttijd dat binnen die periode van 24 uur valt ten minste negen doch niet meer dan elf uur bedraagt, wordt deze dagelijkse rusttijd als een verkorte dagelijkse rusttijd aangemerkt.

Ingevolge artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Arbeidstijdenwet (hierna: de Atw) wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder werkgever:

1°. degene jegens wie een ander krachtens arbeidsovereenkomst of publiekrechtelijke aanstelling gehouden is tot het verrichten van arbeid, behalve indien die ander aan een derde ter beschikking wordt gesteld voor het verrichten van arbeid, welke die derde gewoonlijk doet verrichten.

Ingevolge die aanhef en onder b, wordt verstaan onder werknemer: de ander bedoeld onder a.

Ingevolge artikel 5:12, eerste lid, aanhef en onder a, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld met betrekking tot bepaalde arbeid of arbeid onder bepaalde omstandigheden die afwijken van of strekken tot aanvulling van het bij paragraaf 5.2 bepaalde, ten aanzien van de rusttijd.

Ingevolge artikel 2.5:1, tweede lid, van het Arbeidstijdenbesluit vervoer (hierna: Atbv), voor zover thans van belang, handelt de bestuurder in overeenstemming met artikel 8 van verordening 561/2006.

Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, voor zover thans van belang, levert het niet naleven van artikel 2.5:1, tweede lid, een overtreding op.

Ingevolge het tweede lid wordt, behoudens de artikelen 2.4:4 en 2.4:13, tweede tot en met vijfde lid, indien de bestuurder werknemer is, ingeval van het niet naleven van een tot de bestuurder gerichte bepaling de werkgever aangemerkt als degene die die bepaling niet heeft nageleefd.

Ingevolge het derde lid is het tweede lid niet van toepassing indien de werkgever aantoont dat door hem de nodige bevelen zijn gegeven, de nodige maatregelen zijn genomen, de nodige middelen zijn verschaft en het redelijkerwijs te vorderen toezicht is gehouden om de naleving van de bepaling te verzekeren.

2.2. Tijdens een controle op dinsdag 2 juni 2009, omstreeks 9:50 uur, heeft een toezichthouder van de Inspectie Verkeer en Waterstaat geconstateerd dat [persoon] als bestuurder van een bus werkzaamheden voor [appellante] verrichtte. Alvorens hij deze werkzaamheden is aangevangen, had hij een te korte dagelijkse rusttijd genoten van 6 uren en 15 minuten.

Op grond hiervan heeft de minister zich in het in bezwaar gehandhaafde besluit op het standpunt gesteld dat [persoon] artikel 2.5:1, tweede lid, van het Atbv gelezen in samenhang met artikel 8, tweede lid, van verordening 561/2006 niet heeft nageleefd. Omdat [appellante] ingevolge artikel 8, tweede lid, van het Atbv wordt aangemerkt als degene die de bepaling niet heeft nageleefd en het niet naleven van de bepaling ingevolge het eerste lid een overtreding oplevert, heeft de minister [appellante] een boete van € 440,00 opgelegd.

2.3. De rechtbank heeft de stelling van [appellante] dat de overtreding haar niet kan worden aangerekend, omdat de aanvang hiervan lag buiten haar invloedssfeer, niet gevolgd. De rechtbank heeft geoordeeld dat, aangezien [persoon] ten tijde van de constatering van de overtreding voor [appellante] werkzaam was, [appellante] is aan te merken als werkgever als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1°, van de Atw, in samenhang bezien met artikel 8:1 van het Atbv.

Voorts heeft de rechtbank, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 3 juni 2009 in zaak nr. 200806502/1/H3, overwogen dat het ingevolge artikel 8:1, derde lid, van het Atbv aan de werkgever die zich op deze bepaling beroept is om aan te tonen dat hij het redelijkerwijs te vorderen toezicht heeft gehouden om de naleving van een tot de bestuurder gerichte bepaling te verzekeren. Dit volgt eveneens uit de Nota van toelichting bij het Besluit van 27 november 2000, houdende wijziging van het Arbeidstijdenbesluit vervoer (Stb. 2001, 5), bij welk besluit aan artikel 8:1, derde lid, van het Atbv zijn huidige formulering is gegeven. In die toelichting staat dat het in deze bepaling opgenomen principe van fictief daderschap inhoudt dat de werkgever in eerste instantie aansprakelijk is voor overtredingen. Indien deze aantoont al het mogelijke te hebben gedaan om ervoor te zorgen dat er volgens de normen wordt gehandeld kan hij zich disculperen en wordt de werknemer aansprakelijk gesteld.

De rechtbank heeft overwogen dat uit de door [appellante] overgelegde email van 30 mei 2009 blijkt dat [appellante] ervan op de hoogte was dat [persoon] op 31 mei en 1 juni 2009 voor [bedrijf] werkzaam zou zijn. Uit de stukken is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken dat [appellante] voorafgaande aan de rit op 2 juni 2009 bekend was met de tijden waarop [persoon] zijn werkzaamheden voor [bedrijf] zou verrichten. Voorts is niet gebleken dat [appellante] [persoon] expliciet gevraagd heeft naar die tijden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [appellante] daarmee niet aangetoond dat zij de nodige maatregelen heeft genomen en het redelijkerwijs te vorderen toezicht heeft gehouden om naleving van de overtreden bepaling te verzekeren. Hierbij heeft de rechtbank tevens van belang geacht dat [persoon] de enige bij [appellante] werkzame bestuurder is die voor meer dan een bedrijf rijdt.

2.4. Vooropgesteld zij dat [appellante] in haar hogerberoepschrift heeft volstaan met het herhalen van haar in beroep bij de rechtbank aangevoerde gronden. De rechtbank is in haar uitspraak ingegaan op die gronden. [appellante] heeft niet toegelicht waarom het oordeel van de rechtbank onjuist is. Voor zover [appellante] ter zitting van de Afdeling heeft aangevoerd dat het te vorderen toezicht niet redelijk is, is de Afdeling van oordeel dat zij op 1 juni 2009 voldoende in de gelegenheid is geweest de door [persoon] in acht genomen rust- en rijtijden te controleren. De door [appellante] overgelegde verklaring van [persoon] werpt geen ander licht op de zaak. Uit deze verklaring blijkt weliswaar dat [persoon] om hem moverende redenen bewust artikel 2.5:1, tweede lid, van het Atbv gelezen in samenhang met artikel 8, tweede lid, van verordening 561/2006 niet heeft nageleefd, maar met het overleggen van de verklaring maakt [appellante] niet aannemelijk dat zij al het mogelijke heeft gedaan om naleving van de betreffende bepaling te verzekeren. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank terecht en op goede gronden geoordeeld dat [appellante] als werkgever niet heeft aangetoond dat zij de nodige maatregelen heeft genomen en het redelijkerwijs te vorderen toezicht heeft gehouden om naleving van de betreffende bepaling te verzekeren.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. C.H.M. van Altena en mr. J. Hoekstra, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, ambtenaar van staat.

w.g. Vlasblom w.g. Neuwahl

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 november 2011

280-671.