Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU4592

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-11-2011
Datum publicatie
16-11-2011
Zaaknummer
201105864/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 maart 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Nijmegen Brakkenstein" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201105864/1/R2.

Datum uitspraak: 16 november 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Nijmegen,

en

de raad van de gemeente Nijmegen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 maart 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Nijmegen Brakkenstein" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 mei 2011, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 oktober 2011, waar de raad, vertegenwoordigd door mr. L.C.G. Hoenselaar, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. [appellant] verzet zich tegen de in het plan vastgestelde maximale goothoogte van 3 meter en bouwhoogte van 8 meter van zijn woning op het perceel [locatie]. Hij wenst een maximale goothoogte van 7 meter en een bouwhoogte van 10 meter. [appellant] betoogt dat het argument van de raad dat de Burggraafstraat een bungalowachtig karakter heeft, zodat een ophoging stedenbouwkundig ongewenst is, niet opgaat. Hij voert hiertoe aan dat voor de woningen aan de Burggraafstraat 4 en 7 t/m 15 en de woning aan de Schoutstraat 51 grotere hoogten zijn toegestaan. Voorts geldt voor de woningen aan de Sint Annastraat 353 t/m 361, gelegen in het zelfde bouwblok en optisch verbonden met zijn woning een toegestane goothoogte van 7 meter en bouwhoogte van 10 meter.

2.2. De raad stelt zich op het standpunt dat aan het plan het principe ten grondslag ligt om de bestaande situatie en de reeds bestaande bouwmogelijkheden zo veel mogelijk te handhaven. De toegelaten maatvoering voor de woning van [appellant] sluit aan bij dit principe. Bovendien levert de bungalowachtige omgeving van de woning stedenbouwkundige bezwaren op tegen de door hem gewenste hoogten. Dit wordt, aldus de raad, niet anders doordat voor de percelen aan de Burggraafstraat 7 t/m 15 grotere (goot)hoogten zijn toegestaan, omdat deze op een vrij grote afstand aan de overkant staan en dus niet in een ruimtelijke relatie staan tot de woning van [appellant]. Evenmin wordt dit anders door de grotere toegestane (goot)hoogten van het perceel aan de Schoutstraat 51. Dit pand heeft, anders dan het pand van [appellant], nauwelijks uitbreidingsmogelijkheden aan de zijkant, zodat een marginale verhoging is toegestaan. Voorts is Burggraafstraat 4 niet vergelijkbaar met het pand van [appellant], omdat het een bijzondere architectuur heeft.

2.3. De Afdeling is van oordeel dat het aan het plan ten grondslag gelegde principe om de bestaande situatie en de bestaande bouwmogelijkheden te handhaven niet onredelijk geacht kan worden. Voorts overweegt de Afdeling dat de raad kan worden gevolgd in zijn standpunt dat de woning van [appellant] in een bungalowachtige omgeving staat. In dit verband is van belang dat voor de in hetzelfde blok en in de onmiddellijke omgeving staande woningen aan de Burggraafstraat 8 en 10 en aan de Sint Annastraat 385 t/m 389 ook een maximale goothoogte van 3 meter geldt, gelijk aan de maximale goothoogte van de woning van [appellant]. Het standpunt van de raad dat de omstandigheid dat voor Burggraafstraat 7 t/m 15 grotere hoogten zijn toegestaan geen afbreuk doet aan het bungalowachtige karakter van de omgeving van de woning van [appellant], acht de Afdeling niet onredelijk nu deze woningen aan de overkant van de straat staan, in een ander blok zijn gesitueerd en niet in de onmiddellijke omgeving van zijn perceel staan. Overigens geldt voor de woningen aan de Burggraafstraat 1 en 3, welke recht tegenover het perceel van [appellant] zijn gesitueerd, een lagere goothoogte, namelijk 4, respectievelijk 3 meter. Het bungalowachtige karakter wordt evenmin weggenomen door de omstandigheid dat voor Burggraafstraat 4 en Schoutstraat 51 een grotere goothoogte geldt, gelet op de door de raad gestelde en door [appellant] onweersproken gelaten feiten en omstandigheden ten aanzien van deze panden. Over de woningen aan de Sint Annastraat 353 t/m 361 overweegt de Afdeling dat de raad ter zitting aannemelijk heeft gemaakt dat deze visueel niet verbonden zijn met de woning van [appellant], zodat ook de grotere bouwhoogte van deze woningen geen afbreuk doet aan de bungalowachtige omgeving van zijn woning. De raad heeft gelet op het bovenstaande in redelijkheid het standpunt kunnen innemen dat tegen de door [appellant] gewenste hoogten stedenbouwkundige bezwaren bestaan, zodat op goede gronden gekozen is voor de in het plan opgenomen (goot)hoogten. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat, waar voor woningen in de omgeving grotere (goot)hoogten zijn toegestaan dan voor de woning van [appellant], deze zijn afgestemd op de bestaande situatie dan wel bestaande bouwmogelijkheden. Voor de woning van [appellant] is dit niet anders. Voorts is van belang dat gesteld noch gebleken is dat voor [appellant] een noodzaak bestaat voor een grotere goothoogte en bouwhoogte voor zijn woning. Het plan laat immers nog aanzienlijke uitbreiding van de woning toe nu het hele bouwvlak mag worden bebouwd en de maximaal toegestane hoogte van zijn woning nog niet is bereikt. Ook is niet gebleken van concrete bouwplannen waaraan het plan in de weg zou staan.

2.4. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.W.L. Simons-Vinckx, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van drs. M.H. Kuggeleijn-Jansen, ambtenaar van staat.

w.g. Simons-Vinckx w.g. Kuggeleijn-Jansen

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 november 2011

59-723.