Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU4582

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-11-2011
Datum publicatie
16-11-2011
Zaaknummer
201102718/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 juli 2008 heeft het college het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen het egaliseren door [partij] van het terrein op het perceel [locatie] (hierna: het perceel) te Kerkrade, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201102718/1/H1.

Datum uitspraak: 16 november 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Kerkrade,

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 18 februari 2011 in zaak nr. 10/1738 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Kerkrade.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 juli 2008 heeft het college het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen het egaliseren door [partij] van het terrein op het perceel [locatie] (hierna: het perceel) te Kerkrade, afgewezen.

Bij besluit van 26 augustus 2008 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 december 2009 heeft de rechtbank Maastricht het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 juli 2010, in zaak nr. 200910316/1/H1, heeft de Afdeling het door [appellant] daartegen ingestelde hoger beroep gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank van 9 december 2009 vernietigd, voor zover daarbij het beroep ten aanzien van de weigering om handhavend op te treden ongegrond is verklaard.

Bij besluit van 26 oktober 2010 heeft het college opnieuw beslist op het door [appellant] tegen het besluit van 1 juli 2008 gemaakte bezwaar en dit bezwaar, onder aanvulling van de motivering, ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 februari 2011, verzonden op 18 februari 2011, heeft de rechtbank Maastricht het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 maart 2011, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 oktober 2011, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door C.M.L. Hofland, en het college, vertegenwoordigd door H.G.L. Mertens, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge het bestemmingsplan "Luikerheide Noord/Vink" rust op een deel van het perceel de bestemming "Woondoeleinden vrijstaand" en op de overige delen de bestemmingen "Erf bebouwd" en "Erf onbebouwd".

2.2. Ingevolge artikel 3, zevende lid, van de planvoorschriften dienen de natuurlijke hoogteverschillen in het terrein, zoals deze bestaan ten tijde van ter visie leggen van het bestemmingsplan te worden gerespecteerd en gehandhaafd. Een gesloten grondbalans is uitgangspunt.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, is het verboden de in het plan begrepen gronden en de daarop voorkomende bouwwerken te gebruiken voor een doel of op een wijze strijdig met de in dit plan opgenomen bestemmingen.

Ingevolge het tweede lid wordt tot strijdig gebruik van de gronden en bouwwerken, als bedoeld in het eerste lid, in ieder geval gerekend het doen of laten wegnemen van de natuurlijke hoogteverschillen in het terrein, ingegeven door de topografische gesteldheid van het plangebied, een en ander zoals deze bestaan ten tijde van het ter visie leggen van het ontwerp-bestemmingsplan, alsmede het ophogen, egaliseren, bodem verlagen en afgraven.

2.3. [appellant] betoogt, kort weergegeven, dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet heeft voldaan aan de in de uitspraak van de Afdeling van 28 juli 2010 weergegeven onderzoeksplicht. [appellant] blijft van mening dat het college handhavend diende op te treden tegen [partij] wegens het afgraven van zijn perceel ter hoogte van de garage van [appellant]. Voorts betoogt [appellant] dat het college op grond van de aan hem verleende bouwvergunning bevoegd was om handhavend op te treden tegen [partij].

2.3.1. In de uitspraak van 28 juli 2010, in zaak nr. 200910316/1/H1, heeft de Afdeling het college opdracht gegeven om, voorafgaand aan het nieuw te nemen besluit, te onderzoeken of de natuurlijke hoogteverschillen in het terrein, zoals deze bestonden ten tijde van het ter visie leggen van het bestemmingsplan, zijn aangetast. Het college dient daarbij de door [appellant] overgelegde stukken, waaronder de getuigenverklaring van [getuige], afgelegd naar aanleiding van een tussenvonnis van de rechtbank Maastricht van 30 juni 2004, die op dat moment werkzaam was bij de gemeente, daarbij mede te betrekken.

2.3.2. Het college heeft aan het besluit op bezwaar van 26 oktober 2010 onder meer ten grondslag gelegd dat uit een recente meting blijkt dat de ten tijde van de tervisielegging van het bestemmingsplan bestaande peilen nauwelijks afwijken van de peilen zoals die zijn vastgesteld op 29 september 2010. Verder blijkt volgens het college uit een tijdens de bouw van de woning van [appellant] genomen foto dat de fundering van de garage ruim boven het onaangeroerde perceel van [partij] ligt. Volgens het college blijkt uit de getuigenverklaring van [getuige] dat [partij] ter plaatse van de inrit heeft ingegraven, maar ter hoogte van de garage niet heeft afgegraven. Uit deze verklaring blijkt niet of het ter plekke van de inrit ingraven een aantasting van de natuurlijke hoogteverschillen van het terrein tot gevolg heeft gehad, aldus het college.

2.3.3. Gelet op hetgeen het college aan het besluit van 26 oktober 2010 ten grondslag heeft gelegd heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college heeft voldaan aan de door de Afdeling gestelde onderzoeksplicht. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat er geen bevoegdheid bestond om handhavend op te treden, nu op grond van het uitgevoerde onderzoek niet is gebleken dat de natuurlijke hoogteverschillen in het terrein zijn aangetast, zodat niet in strijd is gehandeld met het ter plaatse geldende bestemmingsplan.

Voorts geldt dat noch in de bouwvergunning die is verleend aan [appellant], noch in de bouwvergunning die is verleend aan [partij], bepalingen zijn opgenomen die [partij] ertoe zouden verplichten een glooiend terrein op zijn perceel aan te leggen. Anders dan [appellant] betoogt, kunnen uit de voor zijn garage verleende bouwvergunning geen verplichtingen voor derden voortvloeien. Gelet hierop is het college, anders dan [appellant] betoogt, niet bevoegd om wegens afwijking van die bouwvergunning handhavend op te treden jegens [partij] en hem te verplichten een glooiend terrein op zijn perceel aan te leggen.

Het betoog faalt.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van staat.

w.g. Hagen w.g. Lodder

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 november 2011

17-651.