Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU4564

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-11-2011
Datum publicatie
16-11-2011
Zaaknummer
201102347/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 augustus 2009 heeft het college de aan [appellant] verleende vergunning voor het verlenen van bemiddeling bij het verkrijgen van woonruimte ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201102347/1/H3.

Datum uitspraak: 16 november 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats], gemeente Noordoostpolder,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 januari 2011 in zaak nr. 10/656 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 augustus 2009 heeft het college de aan [appellant] verleende vergunning voor het verlenen van bemiddeling bij het verkrijgen van woonruimte ingetrokken.

Bij besluit van 15 januari 2010 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 januari 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 februari 2011, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 oktober 2011, waar [appellant], bijgestaan door mr. J.E. Groenenberg, advocaat te Hoofddorp, en het college, vertegenwoordigd door mr. J.A.J. Schwartzman en S.M.J. Nicolini, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder b, van de Verordening op de woning- en kamerbemiddelingsbureaus 2006 (hierna: de Verordening) wordt onder bemiddeling in de verordening verstaan: zowel het tegen vergoeding registreren van woning- of kamerzoekenden als het bedrijfsmatig of bij wijze van beroep of gewoonte, handelend als tussenpersoon, doen aanbieden van woonruimte van derden aan een woning- of kamerzoekende.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a en b, is het verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het college bemiddeling te verlenen bij het verkrijgen van woonruimte en zich met dat doel te vestigen of op te treden als woning- en kamerbemiddelingsbureau.

Ingevolge artikel 6, tweede lid, verleent het college de vergunning voor een periode van vijf jaar.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, geeft de vergunninghouder desgevraagd inzage in zijn gehele administratie.

Ingevolge het tweede lid kan het college nadere regels stellen met betrekking tot de uitvoering van het in het eerste lid gestelde.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, mag de vergunninghouder met betrekking tot zelfstandige woonruimte met een huurprijs tot de grens bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet op de Huurtoeslag uitsluitend bemiddelen, indien de overeen te komen huurprijs de maximale huurprijsgrens uit bijlage I van de Uitvoeringsregeling huurprijzen woonruimte niet overschrijdt.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, is de vergunninghouder verplicht, alvorens tot het verlenen van bemiddeling bij het verkrijgen van woonruimte, dan wel tot (onder)verhuur van woonruimte over te gaan, de eigenaar van de woonruimte in de zin van de Huisvestingswet een schriftelijke toestemming te vragen.

Ingevolge het tweede lid is de vergunninghouder verplicht, alvorens een woonruimte ter bemiddeling dan wel ter verhuur aan te bieden, vooraf bij de Dienst Wonen te informeren, of voor de desbetreffende woonruimte een huisvestingsvergunning nodig is en, zo ja, of deze zal worden verleend. Indien blijkt, dat de huisvestingsvergunning niet zal worden verleend, dient de vergunninghouder zijn medewerking aan de desbetreffende verhuur te onthouden.

Ingevolge artikel 13, eerste lid, kan het college, indien de bepalingen van deze verordening naar zijn oordeel niet of niet behoorlijk worden nageleefd of indien blijkt dat de vergunninghouder bij het verlenen van bemiddeling bij het verkrijgen van woonruimte de bevordering van een evenwichtige en rechtvaardige verdeling van schaarse woonruimte heeft geschaad of indien hij naar hun oordeel daarbij het belang van betrokken kamer- of woningzoekende onvoldoende heeft gewaarborgd, aan de vergunninghouder een waarschuwing zenden.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, kan het college in ieder geval de vergunning intrekken, indien niet wordt voldaan aan de waarschuwing als bedoeld in het eerste lid.

Ingevolge die aanhef en onder c, voor zover thans van belang, kan het college in ieder geval de vergunning intrekken, indien gedurende de in artikel 6 vermelde vergunningsperiode voor een tweede keer een overtreding plaatsvindt.

In de Uitvoeringsinstructie nummer 15 Woning- en kamerbemiddelingsbureaus van 18 april 2006 zijn nadere regels over de woning- en kamerbemiddelingsbureaus neergelegd.

Onder het kopje 'Controle' staat vermeld, voor zover thans van belang, dat de vergunninghouder zijn administratie zodanig dient in te richten dat in ieder geval gecontroleerd kan worden door wie welke woningen/kamers ter bemiddeling zijn aangeboden en voor welke huurprijs. Tevens dient de toestemming van de eigenaar van de woning/kamer schriftelijk vastgelegd te worden.

Onder het kopje 'Huurprijs' staat vermeld, voor zover thans van belang, dat de vergunninghouder dient aan te kunnen geven op welke wijze hij heeft gecontroleerd of de door de aanbieder gevraagde huurprijs voor zelfstandige woonruimte met een huurprijs tot de grens bedoeld in artikel 13, lid 1, onder a, van de Wet op de Huurtoeslag de maximale huurprijsgrens uit bijlage 1 van de Uitvoeringsregeling huurprijzen woonruimte niet overschrijdt.

2.2. Aan het in bezwaar gehandhaafde besluit van 6 augustus 2009 heeft het college ten grondslag gelegd dat [appellant] de bepalingen van de Verordening opnieuw niet of niet behoorlijk naleeft. Volgens het college heeft [appellant], ondanks een in een brief van 30 september 2008 vervatte waarschuwing dat een volgende overtreding van de Verordening kan leiden tot intrekking van zijn vergunning, in strijd met artikel 8, eerste lid, van de Verordening desgevraagd geen inzage gegeven in zijn gehele administratie en in strijd met artikel 10, eerste lid, van die Verordening in ieder geval vijf woningen bemiddeld voor een kale huurprijs boven de voor die woning geldende maximale huurprijs. Daarom heeft het college op grond van artikel 13, tweede lid, aanhef en onder a en c, van de Verordening de aan [appellant] verleende vergunning van 16 augustus 2007 voor het verlenen van bemiddeling bij het verkrijgen van woonruimte ingetrokken.

2.3. [appellant] bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat hij artikel 8, eerste lid, van de Verordening heeft overtreden. Volgens [appellant] heeft hij afdoende op de verzoeken om informatie van het college gereageerd. Daarnaast heeft de rechtbank volgens [appellant] niet onderkend dat hij de overtreding van artikel 10, eerste lid, van de Verordening heeft betwist en wijst daartoe op zijn bezwaar- en beroepschrift. Bovendien heeft de rechtbank miskend dat de waarschuwingsbrief van 6 augustus 2009 geen betrekking had op artikel 8, eerste lid, van de Verordening.

2.3.1. Het college heeft zich gebaseerd op twee reguliere onderzoeken verricht op 28 februari 2008 (hierna: onderzoek I) onderscheidenlijk op 24 februari 2009 (hierna: onderzoek II). Uit de resultaten van onderzoek I komt naar voren dat [appellant] enige woningen voor een te hoge kale huurprijs heeft bemiddeld en dat hij voor bepaalde woningen de eigenaar van de woonruimte in de zin van de Huisvestingswet geen schriftelijke toestemming heeft gevraagd, alvorens tot het verlenen van bemiddeling bij het verkrijgen van woonruimte, dan wel tot (onder)verhuur van woonruimte over te gaan. Daarnaast blijkt uit onderzoek I dat voor bewoners van een aantal woningen geen huisvestingsvergunning is aangevraagd. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college deze feiten terecht aangemerkt als overtredingen van de artikelen 10, eerste lid, en 11, eerste en tweede lid, van de Verordening.

Blijkens onderzoek II heeft [appellant] pas na herhaalde verzoeken daartoe van het college een deel van zijn administratie ter inzage overgelegd. Daarna heeft hij op een verzoek om aanvullende gegevens pas na de vooraankondiging tot intrekking van de vergunning van 16 juli 2009 gereageerd. Uit onderzoek II is gebleken dat [appellant] opnieuw enige woningen voor een te hoge kale huurprijs heeft bemiddeld.

Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd biedt geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van de op basis van onderzoek II geconstateerde feiten en omstandigheden. Dat [appellant] bij het berekenen van het aantal punten het formulier 'waardering zelfstandige woning' hanteert, betekent niet dat zijn puntentelling juist is. Het college hoefde in de omstandigheid dat zijn puntentelling afwijkt van die van [appellant] geen aanleiding te zien om, zoals [appellant] heeft betoogd, een nader onderzoek in te stellen, omdat de afwijkingen van dien aard zijn, dat de door [appellant] gehanteerde puntentelling redelijkerwijs niet kan zijn uitgevoerd overeenkomstig de daarvoor geldende regels. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het college zich ter zake baseert op tellingen van ter zake gespecialiseerde buitendienstinspecteurs. Het ter zitting van de Afdeling door [appellant] gevoerde betoog dat bijvoorbeeld grote afwijkingen in het aantal geconstateerde vierkante meters vloeroppervlakte van een bepaalde woning juist aanleiding voor het college moeten vormen tot overleg, volgt de Afdeling niet, reeds omdat de vloeroppervlakte van de woning een feitelijk gegeven is. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college de in en tijdens onderzoek II geconstateerde feiten en omstandigheden terecht aangemerkt als overtredingen van artikelen 8, eerste lid, en 10, eerste lid, van de Verordening.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat [appellant] in ieder geval tweemaal dezelfde bepaling, te weten artikel 10, eerste lid, van de Verordening heeft overtreden. Daarnaast hebben de in en tijdens onderzoek II geconstateerde overtredingen plaatsgevonden in weerwil van de in de brief van 30 september 2008 vervatte waarschuwing dat een volgende overtreding kan leiden tot intrekking van de vergunning. Of de waarschuwingsbrief ziet op overtreding van artikel 8, eerste lid, van de Verordening, hetgeen [appellant] betwist, is niet relevant omdat voor toepassing van artikel 13, tweede lid, aanhef en onder a, van de Verordening slechts is vereist dat niet is voldaan aan de waarschuwing. Het voorgaande betekent dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het college op grond van artikel 13, tweede lid, aanhef en onder a en c, van de Verordening bevoegd was om over te gaan tot intrekking van de vergunning van [appellant].

2.4. Voorts betoogt [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte geen kenbare belangenafweging aan het besluit ten grondslag heeft gelegd en dat de rechtbank ten onrechte is voorbijgegaan aan de door hem gestelde feiten en omstandigheden.

2.4.1. Het betoog faalt. Het college heeft in redelijkheid in de door [appellant] gestelde feiten en omstandigheden die verband houden met zijn economische belang dat is gediend bij behoud van zijn vergunning geen aanleiding hoeven zien geen gebruik te maken van zijn bevoegdheid. De rechtbank heeft terecht overwogen dat [appellant] vanaf de verlening van de vergunning op 16 augustus 2007 een aantal keer is gewezen op zijn verplichtingen voorvloeiend uit de Verordening en de mogelijke gevolgen van overtreding daarvan. [appellant] had de economische gevolgen die intrekking van de vergunning met zich brengt kunnen voorkomen. Voorts heeft het college ter zitting van de rechtbank uiteengezet dat in de bemiddelingsbranche veel misstanden voorkomen, zodat het belang van handhaving groot is. Gelet op deze toelichting heeft het college naar het oordeel van de Afdeling het algemene belang dat is gediend met handhaving van de Verordening in redelijkheid zwaarder kunnen laten wegen dan de economische belangen van [appellant].

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college de vergunning van [appellant] in redelijkheid heeft kunnen intrekken.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. C.H.M. van Altena en mr. J. Hoekstra, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, ambtenaar van staat.

w.g. Vlasblom w.g. Neuwahl

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 november 2011

280-671.