Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU4563

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-11-2011
Datum publicatie
16-11-2011
Zaaknummer
201102440/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 maart 2006 heeft het college een verzoek van [appellant] om vergoeding van planschade afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201102440/1/H2.

Datum uitspraak: 16 november 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant sub 1] en [appellant sub 2] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), wonend te [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 12 januari 2011 in zaak nr. 09/3811 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Vlist.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 maart 2006 heeft het college een verzoek van [appellant] om vergoeding van planschade afgewezen.

Bij besluit van 14 juli 2009 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 januari 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 februari 2011, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 oktober 2011, waar [appellant], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. S.W. Boot, advocaat te Rotterdam, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), zoals dit artikel luidde ten tijde hier van belang en voor zover hier van belang, kent het college, voor zover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van de bepalingen van een bestemmingsplan schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

2.2. Bij de beoordeling van een verzoek om planschadevergoeding dient te worden onderzocht of de verzoeker door wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient een vergelijking te worden gemaakt tussen de planologische maatregel waarvan gesteld wordt dat deze schade heeft veroorzaakt en het voordien geldende planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, doch hetgeen op grond van deze regimes maximaal kon onderscheidenlijk kan worden gerealiseerd, ongeacht de vraag of verwezenlijking daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.

2.3. [appellant] is in de periode van 9 oktober 1989 tot 31 mei 2001 eigenaar geweest van een pand, dat in gebruik was als twee woonhuizen in het buitengebied van Haastrecht, plaatselijk bekend als [locatie]. Aan het verzoek om vergoeding van planschade is ten grondslag gelegd dat ten tijde van het verkrijgen van de eigendom van het pand, op grond van de voorschriften behorende bij het destijds geldende bestemmingsplan 'Landelijk gebied 1976' van 26 april 1976, goedgekeurd door gedeputeerde staten van Zuid-Holland op 30 maart 1977 (hierna: bestemmingsplan 1976), het college een binnenplanse vrijstelling voor het herbouwen van beide in gebruik zijnde woningen had kunnen verlenen en dat deze mogelijkheid als gevolg van wijzigingen van dat bestemmingsplan bij het bestemmingsplan 'Landelijk gebied Haastrecht' van 27 januari 1992, goedgekeurd door gedeputeerde staten op 11 augustus 1992 (hierna: bestemmingsplan 1992) en bij het bestemmingsplan 'Landelijk gebied Haastrecht, derde herziening' van 28 mei 1996, goedgekeurd door gedeputeerde staten op 17 september 1996 (hierna: bestemmingsplan 1996) niet meer bestaat.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte eraan voorbij is gegaan dat het bestemmingsplan 1992 geen herbouw van de woningen met nummer [..] en [..] meer toeliet, omdat het voor de nummers [..], [..] en [..] in één bestemmingsvlak voorzag.

2.4.1. Bij het beoordelen van het planschadeverzoek van [appellant] dienen het bestemmingsplan 1976 en de daaropvolgende bestemmingsplannen met elkaar te worden vergeleken.

Ingevolge artikel 9, tweede lid, van het bestemmingsplan 1976 was één agrarische bedrijfswoning per agrarisch bedrijf toegestaan. [appellant] oefende geen agrarisch bedrijf op zijn perceel uit, waardoor hij onder dat regime geen van de twee bestaande woningen kon herbouwen.

Onder het bestemmingsplan 1992 is een andere bestemming, namelijk "Maatschappelijke doeleinden", subbestemming "nutsvoorziening", gaan gelden. Op grond van artikel 19, derde lid, aanhef en onder b, mocht op zijn perceel slechts een dienstwoning worden gebouwd, waardoor hij onder dat regime ook geen van de twee bestaande burgerwoningen kon herbouwen.

In het bestemmingsplan 1996 is de bestemming gewijzigd in "Woondoeleinden" en is ingevolge artikel 14, derde lid, aanhef en onder a, één burgerwoning op zijn perceel toegestaan. Onder dit regime kon hij, na sloop van beide bestaande woningen, wel een woning herbouwen.

Nu [appellant] op grond van het bestemmingsplan 1976 geen woningen kon herbouwen, is hij zowel door het bestemmingsplan 1992 als door het bestemmingsplan 1996 niet in een planologisch nadeliger positie terechtgekomen, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, maar eerder in een voordeliger positie, en heeft hij derhalve geen planschade geleden.

2.4.2. Het betoog van [appellant], dat de rechtbank heeft miskend dat hij op grond van de vrijstellingsmogelijkheid ingevolge artikel 9, zestiende lid, van de planvoorschriften bij het bestemmingsplan 1976 een woning kon herbouwen, faalt. Gelet op de bij artikel 9, zestiende lid, van de planvoorschriften toegevoegde tekst "goedk. onth." en het stuk van het adviesbureau 'stad en landschap' met de tekst "30-3-1977 GS B 19706: ged. goedgekeurd. Goedk. onthouden aan: […] art. 9-16", heeft de rechtbank terecht en op goede gronden overwogen dat aannemelijk is dat gedeputeerde staten aan deze bepaling goedkeuring hebben onthouden, zodat deze bepaling nimmer in werking is getreden.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. J.H. van Kreveld en mr. A. Hammerstein, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, ambtenaar van staat.

w.g. Slump w.g. Poot

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 november 2011

362-705.