Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU4562

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-11-2011
Datum publicatie
16-11-2011
Zaaknummer
201106028/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 april 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Wezep, Bovenheigraaf" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201106028/1/R2.

Datum uitspraak: 16 november 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats], gemeente Oldebroek,

appellant,

en

de raad van de gemeente Oldebroek,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 april 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Wezep, Bovenheigraaf" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 mei 2011, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 oktober 2011, waar [appellant], bijgestaan door mr. K. Baoutou, en de raad, vertegenwoordigd door M. Emming en F. Hoogenraad, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [partij], vertegenwoordigd door [gemachtigde], als partij verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het plan is opgesteld om de bouw van een zevental woningen op de locatie "Stoffers" mogelijk te maken.

2.2. Het beroep van [appellant], wiens perceel naast het plangebied ligt, strekt tot vernietiging van het gehele besluit, waartoe hij de volgende gronden aanvoert. Zijn uitzicht op een weiland zal verdwijnen, doordat hij tegen hoge woningen zal aankijken. Hierdoor zal er ook zonlicht uit zijn woning worden weggenomen. Ook zal de geplande bouw door de toegestane hoogte hinder opleveren voor de duiven die hij hobbymatig houdt. Verder voert hij aan dat door de bouw van deze woningen zijn eigen woning slecht verkoopbaar zal zijn; deze staat sinds 2009 te koop. Voorts vreest hij een toename van geluidhinder en verkeersonveiligheid door de woningbouw. Deze aspecten zijn, aldus [appellant], ten onrechte niet onderzocht.

2.2.1. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat het verlies aan uitzicht en zonlichttoetreding voor [appellant] als gevolg van de voorziene woningbouw niet zo ernstig is dat daaraan overwegende betekenis toekomt.

2.2.2. Aangaande de hier bedoelde bezwaren overweegt de Afdeling dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. Voorts kan niet worden geoordeeld dat de raad niet in redelijkheid meer gewicht heeft kunnen toekennen aan de met de woningbouw gediende belangen dan aan het daarmee gepaard gaande verlies aan uitzicht en zonlichttoetreding voor [appellant]. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de afstand van de te realiseren woningen tot het perceel van [appellant] tien meter is en tot zijn huis twintig meter en dat deze woningen een goothoogte van maximaal vier meter en een bouwhoogte van maximaal tien meter mogen krijgen. Een en ander kan in een bebouwde omgeving als waarvan hier sprake is niet uitzonderlijk geacht worden.

2.2.3. Uit de stukken blijkt dat de afstand tussen de duivenhokken en de toekomstige woningen minimaal tien meter zal bedragen. De raad heeft het standpunt ingenomen dat gelet hierop en op het feit dat geen sprake is van hoogbouw binnen het plangebied, er rondom de achtertuin van [appellant] voldoende open ruimten aanwezig blijven die als vliegroute voor de duiven gebruikt kunnen worden. De Afdeling komt dit standpunt niet onaannemelijk voor.

2.2.4. De Afdeling vat het betoog van [appellant] over de verkoopbaarheid van zijn huis op als een betoog dat zijn huis een waardevermindering zal ondergaan. Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de woning van [appellant] betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn.

Overigens merkt de Afdeling nog op dat de vertegenwoordiger van [partij] ter zitting heeft verklaard bereid te zijn met [appellant] nader in overleg te treden.

2.2.5. Blijkens de verbeelding zullen de woningen worden ontsloten op de Bovenheigraaf. In de plantoelichting is vermeld dat daardoor het aantal voertuigbewegingen op de Bovenheigraaf met circa 1% zal toenemen. In aanmerking genomen dat [appellant] dit niet heeft betwist, komt de Afdeling deze aanname niet onredelijk voor. Nu voorts de woning van [appellant] aan de Oranjeboomlaan door de voorziene woningen gedeeltelijk zal worden afgeschermd van de Bovenheigraaf valt niet te verwachten dat [appellant] een toename van geluidhinder van betekenis zal ondervinden. Tevens valt niet te verwachten dat de verkeersveiligheid daardoor in het geding zal zijn. Voor het oordeel dat deze aspecten onvoldoende zijn onderzocht, ziet de Afdeling geen grond.

2.3. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.W.L. Simons-Vinckx, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.P. de Rooy, ambtenaar van staat.

w.g. Simons-Vinckx w.g. De Rooy

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 november 2011

59-723.