Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU4561

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-11-2011
Datum publicatie
16-11-2011
Zaaknummer
201108111/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 juni 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "2e herziening Mortiere" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201108111/1/R2.

Datum uitspraak: 16 november 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], allen wonend te Middelburg,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Middelburg,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 juni 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "2e herziening Mortiere" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 juli 2011, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 oktober 2011, waar [appellanten], vertegenwoordigd door mr. H.U. van der Zee, en de raad, vertegenwoordigd door D.J.L. van Rijswijk en L.D. Huibregtse, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting verschenen Woongoed Middelburg, vertegenwoordigd door [gemachtigde] en mr. P.A. Kok, advocaat te Woerden.

2. Overwegingen

2.1. Het plan strekt tot een herziening van een deel van het ter plaatse vigerende bestemmingsplan "Mortiere". Het voorziet in een uit te werken bestemming voor een complex met maximaal 117 woningen en verschillende voorzieningen op de begane grond. [appellanten] wonen op korte afstand van het plangebied.

2.2. [appellanten] kunnen zich niet verenigen met het plan en voeren hiertoe de volgende gronden aan. Het plan is in strijd met het masterplan Mortiere en wijkt tevens af van het daarop gebaseerde bestemmingsplan "Mortiere". [appellanten] stellen dat zij misleid zijn, omdat zij bij de aankoop van hun woningen niet zijn geïnformeerd over de stedenbouwkundige invulling zoals mogelijk gemaakt door het plan. Voorts was de raad, aldus [appellanten], bij de vaststelling van het plan vooringenomen, nu in een eerder stadium al met de betrokken projectontwikkelaars overeenkomsten waren gesloten over de voorziene andere invulling van het gebied. Verder voeren [appellanten] aan dat de argumentatie voor de planherziening onduidelijk en ondeugdelijk is. Zij stellen tevens dat de hoogbouw hun woongenot, privacy en de waarde van hun woningen zal aantasten.

2.3. De raad heeft in de stukken en ter zitting de betekenis van het masterplan Mortiere en de reden voor de planherziening toegelicht. Dit masterplan hield geen beleid in van de gemeente, maar was een visie waarop het oorspronkelijke bestemmingsplan "Mortiere" was gebaseerd. De uitgangspunten van deze visie en dit bestemmingsplan bleken na enige jaren te zijn achterhaald doordat inmiddels door bevolkingsgroei en gezinsverdunning behoefte was ontstaan aan een ander type woningen dan voorzien was. Aangezien het bestemmingsplan "Mortiere" de hiervoor benodigde woningbouw niet mogelijk maakt, is gekozen voor een partiële herziening van dat plan, aldus de raad.

2.4. De Afdeling overweegt dat uit de toelichting van de raad blijkt dat het bestemmingsplan "Mortiere" de planologisch-juridische uitwerking vormt van het masterplan Mortiere. Gelet hierop gaat het bezwaar dat wordt afgeweken van het masterplan op in het bezwaar dat wordt afgeweken van dit bestemmingsplan. Aangaande dit laatste bezwaar overweegt de Afdeling dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen. In dit licht bezien bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat voormelde motivering die de raad aan de in geding zijnde herziening ten grondslag heeft gelegd, daartoe onvoldoende is.

Verder is niet gebleken dat aan Schepper en anderen voorafgaand aan de aankoop van hun woningen, door of vanwege de raad onjuiste of onvolledige informatie is verschaft over het gebied waar het plan op ziet. Het is dan ook niet aannemelijk dat [appellanten] door de raad op dit punt zijn misleid.

Voorts dwingt de omstandigheid dat het gemeentebestuur een samenwerkingsovereenkomst heeft afgesloten waarin afspraken zijn gemaakt over het bouwprogramma op zichzelf niet tot de conclusie dat de raad met vooringenomenheid in de zin van artikel 2:4 van de Algemene wet bestuursrecht het plan heeft vastgesteld. Er zijn geen overige gronden aangevoerd die aannemelijk maken dat de raad met vooringenomenheid heeft gehandeld.

2.5. Aangaande de aantasting van het woongenot en de privacy van [appellanten] heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat daarvan slechts in geringe mate sprake zal zijn, omdat ook reeds in het vorige bestemmingsplan bebouwing op de locatie van het plan mogelijk was.

2.6. De Afdeling overweegt dat ter zitting is komen vast te staan dat op de locatie met direct uitzicht op de woningen van [appellanten] in het vorige plan reeds bebouwing met een hoogte van zestien meter mogelijk was. In het bestreden plan is deze hoogte met vier meter vergroot. Nu er voorts in de bestaande situatie al woningen zijn met direct uitzicht op de woningen en tuinen van [appellanten], kan niet worden geoordeeld dat de bouwmogelijkheden waar het plan in voorziet een onevenredige aantasting van de privacy of anderszins van het woongenot opleveren. Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de woningen betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn.

2.7. In hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.W.L. Simons-Vinckx, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.P. de Rooy, ambtenaar van staat.

w.g. Simons-Vinckx w.g. De Rooy

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 november 2011

59-723.