Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU4559

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-11-2011
Datum publicatie
16-11-2011
Zaaknummer
201102111/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 augustus 2008 heeft de minister een verzoek van [appellant] om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag (hierna: VOG) ten behoeve van een chauffeurspas afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201102111/1/H3.

Datum uitspraak: 16 november 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Utrecht,

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 27 december 2010 in zaak nr. 09/185 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Justitie, thans: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 augustus 2008 heeft de minister een verzoek van [appellant] om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag (hierna: VOG) ten behoeve van een chauffeurspas afgewezen.

Bij besluit van 5 december 2008 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 december 2010, verzonden op 6 januari 2011, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Centrale Raad van Beroep ingekomen op 2 februari 2011, hoger beroep ingesteld. Na doorzending door de Centrale Raad van Beroep is het hoger beroepschrift bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State ingekomen op 15 februari 2011. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 15 maart 2011.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 oktober 2011, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. J. Visscher, advocaat te Amersfoort, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. R. Faasse, werkzaam bij het ministerie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (hierna: de Wjsg) is een verklaring omtrent het gedrag een verklaring van de minister dat uit een onderzoek met betrekking tot het gedrag van de betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon ingesteld, gelet op het risico voor de samenleving in verband met het doel waarvoor de afgifte is gevraagd en na afweging van het belang van betrokkene, niet is gebleken van bezwaren tegen die natuurlijke persoon of rechtspersoon. De verklaring bevat geen andere mededelingen.

Ingevolge artikel 35, eerste lid, weigert de minister de afgifte van een verklaring, indien in de justitiële documentatie met betrekking tot de aanvrager een strafbaar feit is vermeld, dat, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, aan een behoorlijke uitoefening van de taak of de bezigheden waarvoor de verklaring omtrent het gedrag wordt gevraagd, in de weg zal staan.

Bij de beoordeling van de aanvraag om afgifte van de VOG zijn de criteria gehanteerd die zijn neergelegd in de Beleidsregels VOG NP-RP 2008 (Stcrt. 2008, 119; hierna: de Beleidsregels).

Volgens paragraaf 3 wordt bij de beoordeling van de aanvraag in beginsel gekeken naar de justitiële gegevens die zijn opgenomen in de justitiële documentatie in de voor het doel van de aanvraag relevante termijn. Aan een aanvrager die in het geheel niet in de justitiële documentatie voorkomt, wordt zonder meer een VOG afgegeven. Wanneer de aanvrager wel in de justitiële documentatie voorkomt, wordt de vraag of een verklaring kan worden afgegeven beoordeeld aan de hand van een objectief criterium en een subjectief criterium.

Volgens paragraaf 3.1.1 vindt beoordeling in beginsel plaats op grond van de justitiële gegevens die in de justitiële documentatie in de vier jaren voorafgaand aan de aanvraag voorkomen. Indien in de voor de aanvraag relevante terugkijktermijn justitiële gegevens zijn aangetroffen, worden alle voor de aanvraag relevante gegevens uit de justitiële documentatie in de twintig jaren voorafgaand aan de aanvraag beoordeeld. Van de terugkijktermijn van vier jaren wordt onder meer afgeweken wanneer de aanvraag voor de VOG samenhangt met een bijzondere wet of regeling waarin een andere termijn is opgenomen. Volgens het specifieke screeningsprofiel geldend voor een taxichauffeur bedraagt de terugkijktermijn bij dit beroep vijf jaren.

Volgens paragraaf 3.2 betreft het objectieve criterium de vraag of de justitiële gegevens die ten aanzien van de aanvrager zijn aangetroffen indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie of het beoogde doel waarvoor de VOG is aangevraagd. Dit criterium is gebaseerd op artikel 35 van de Wjsg. Indien aan de hand van het objectieve criterium is vastgesteld dat het desbetreffende justitiële gegeven een risico voor de samenleving kan opleveren bij het vervullen van de betreffende functie, wordt de verklaring in beginsel geweigerd.

Volgens paragraaf 3.3 kan op grond van het subjectieve criterium worden geoordeeld dat het belang dat betrokkene bij het verstrekken van de VOG heeft zwaarder weegt dan het door middel van het objectieve criterium vastgestelde risico voor de samenleving. In dat geval wordt de verklaring afgegeven, ook als wordt voldaan aan het objectieve criterium voor weigering.

Volgens paragraaf 3.3.2 ziet het subjectieve criterium op omstandigheden van het geval die ertoe kunnen leiden dat de objectieve vaststelling van een risico voor de samenleving ten aanzien van deze aanvrager niet zou moeten leiden tot een afwijzing. Relevante omstandigheden van het geval zijn onder meer de wijze waarop de strafzaak is afgedaan, het tijdsverloop en de hoeveelheid antecedenten. De omstandigheden waaronder het strafbare feit heeft plaatsgevonden zijn alleen relevant indien de minister, na weging van de subjectieve criteria, niet tot een goede oordeelsvorming kan komen en twijfelt of een VOG kan worden afgegeven. De omstandigheden waaronder het feit is gepleegd kunnen op velerlei zaken zien, bijvoorbeeld of het feit zich in de privésfeer heeft voorgedaan.

Om vast te stellen of het aangetroffen antecedent een belemmering kan vormen voor de afgifte van de VOG, hanteert de minister bij de Beleidsregels behorende screeningsprofielen, bedoeld in paragraaf 3.2.3.

In het specifieke screeningsprofiel 'taxibranche; chauffeurspas' staat onder meer vermeld dat de taxichauffeur is belast met de zorg voor het welzijn en de veiligheid van mensen. Chauffeurs in (straat)taxivervoer gaan daarnaast met contante en girale waarden om. Een van de risico's in de taxibranche is het in gevaar brengen van de veiligheid van personen en goederen. Denk bijvoorbeeld aan rijden onder invloed van alcohol, agressief rijgedrag enz. Daarnaast bestaat ook het gevaar van machtsmisbruik (zedendelicten), afpersing, afdreiging, diefstal of verduistering en vervalsing van bijvoorbeeld taxipassen.

2.2. Aan de in bezwaar gehandhaafde weigering heeft de minister ten grondslag gelegd dat in de justitiële documentatie op naam van [appellant] de volgende strafbare feiten zijn geregistreerd. Op 17 oktober 2007 is [appellant] in eerste aanleg veroordeeld wegens bedreiging en mishandeling, meermalen gepleegd, tot 40 uren werkstraf subsidiair 20 dagen hechtenis en 2 weken gevangenisstraf voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met als bijzondere voorwaarde dat hij zich dient te houden aan het opgelegde contactverbod. Op 17 oktober 2007 heeft [appellant] een rechtsmiddel ingesteld. Deze zaak staat nog open. [appellant] is op 2 oktober 2006 veroordeeld wegens het overschrijden van de maximumsnelheid. Op 22 september 2006 is hij veroordeeld wegens bumperkleven. Daarnaast is hij op 30 mei 2005 veroordeeld wegens het niet afsluiten of in stand houden van de juiste verzekering. Ten slotte is [appellant] buiten de terugkijktermijn in de periode van 1996 tot en met 1999 met justitie in aanraking gekomen wegens bedreiging en meer gevallen van (poging tot) diefstal onder verzwarende omstandigheden. Hiervoor is [appellant] veroordeeld tot een (on)voorwaardelijke gevangenisstraf, (on)voorwaardelijke jeugddetentie en een geldboete. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat de veroordeling wegens geweldsdelicten die op naam van [appellant] zijn geregistreerd in de justitiële documentatie, indien herhaald, een risico opleveren voor de veiligheid van personen, waaronder passagiers. Ten aanzien van de verkeersdelicten die op naam van [appellant] zijn geregistreerd in de justitiële documentatie, heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat deze delicten, indien herhaald, eveneens een risico opleveren voor de veiligheid van passagiers en medeweggebruikers.

Gelet op het beperkte tijdsverloop en de hoeveelheid antecedenten is de minister van oordeel dat onvoldoende tijd is verstreken om te kunnen concluderen dat het risico voor de samenleving voldoende is afgenomen. Het te beschermen belang van de samenleving dient volgens de minister zwaarder te wegen dan het belang van [appellant] bij afgifte van de VOG.

2.3. Ten aanzien van het objectieve criterium betoogt [appellant] dat in de uitspraak van de Afdeling van 3 januari 2007 in zaak nr. 200606020/1, is overwogen dat het niet van doorslaggevend belang is of strafbare feiten zich hebben voorgedaan tijdens of in verband met het functioneren van de aanvrager als taxichauffeur. Waar de aangehaalde uitspraak ten aanzien van de omstandigheid dat een strafbaar feit in privétijd heeft plaatsgevonden enkel spreekt van een omstandigheid van 'niet doorslaggevend belang' wordt diezelfde omstandigheid door verweerder expliciet en door de rechtbank impliciet gelezen en geïnterpreteerd als 'irrelevant', aldus[appellant].

2.3.1. Niet in geschil is dat de strafbare gedragingen die door de minister ten grondslag zijn gelegd aan de weigering tot afgifte van de VOG door [appellant] zijn begaan. De rechtbank heeft terecht overwogen dat gelet op het gevoerde beleid en de veroordelingen die de minister in aanmerking heeft genomen, de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de hier aan de orde zijnde strafbare feiten, indien herhaald, een behoorlijke uitoefening van de functie van taxichauffeur zouden verhinderen, omdat daarbij een risico bestaat voor de veiligheid van personen, waaronder passagiers en andere weggebruikers. Daarmee is voldaan aan het zogenoemde objectieve criterium. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat, zoals eerder overwogen door de Afdeling in de uitspraak van 3 januari 2007 in zaak nr. 200606020/1, niet van doorslaggevend belang is dat de strafbare feiten zich niet hebben voorgedaan tijdens of in verband met het functioneren van de aanvrager als taxichauffeur. Het is evenmin van doorslaggevend belang dat de strafbare feiten waarop de veroordeling van 17 oktober 2007 betrekking heeft, zich hebben voorgedaan in de relationele sfeer.

De Afdeling deelt het standpunt van de staatssecretaris dat de overweging in het besluit op bezwaar dat het irrelevant is of de strafbare feiten hebben plaatsgevonden in de uitoefening van een functie geen afbreuk doet aan de rechtmatigheid van de beoordeling. De betrokken overweging sluit aan op de overweging dat het gaat om strafbare feiten die naar hun aard niet zijn te verenigen met de functie van taxichauffeur. Gelet op deze motivering heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de minister de strafbare feiten mocht betrekken in de vaststelling van het objectieve criterium. Het verschil tussen de begrippen 'irrelevant' en 'niet van doorslaggevend belang' heeft de rechtbank daarom buiten beschouwing mogen laten.

2.4. Ten aanzien van het subjectieve criterium betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte de aangevoerde omstandigheden niet of onvoldoende in haar overwegingen heeft betrokken. Dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden is onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank heeft ten onrechte een groot aantal relevante omstandigheden op geen enkele wijze in haar overwegingen betrokken. [appellant] draagt zorg voor drie kinderen en probeert de functie van taxichauffeur met behulp van de sociale dienst te bemachtigen, hetgeen wijst op een serieuze ontsnappingspoging aan de vicieuze cirkel waarin hij verkeert. Voorts betoogt [appellant] dat hij geen alternatieven heeft wat betreft beroepsuitoefening wegens zijn medische situatie. Ten slotte stelt [appellant] dat hij vanwege zijn Roma afkomst negatief wordt gediscrimineerd.

2.4.1. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de minister belang heeft mogen toekennen aan de omstandigheden dat [appellant] in de vijf terug te kijken jaren viermaal is veroordeeld en dat eerdere veroordelingen hem er niet van hebben weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. De minister heeft, gelet op de aard van de strafbare feiten, het ontbreken van voldoende tijdsverloop en de hoeveelheid relevante antecedenten, in redelijkheid meer gewicht kunnen toekennen aan het risico voor de samenleving dan aan het belang van [appellant] bij afgifte van de VOG. De omstandigheid dat [appellant] door de weigering van de afgifte van de VOG de functie van taxichauffeur niet kan uitoefenen, is een bij het vaststellen van de Beleidsregels voorzien mogelijk gevolg, en om die reden geen bijzondere omstandigheid in verband waarmee de minster niettemin tot afgifte van de VOG had moeten besluiten. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 19 augustus 2009 in zaak nr. 200901817/1/H3. De door [appellant] genoemde omstandigheden zijn door de minister in de besluitvorming betrokken, waarbij de minister met juistheid heeft overwogen dat ondanks dat het wellicht lastiger is om een passende functie te vinden, niet is gebleken dat [appellant] geen andere werkzaamheden zou kunnen verrichten. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank terecht overwogen dat aan het subjectieve criterium een juiste toepassing is gegeven.

Het betoog faalt.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. de Leeuw-van Zanten, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. De Leeuw-van Zanten

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 november 2011

97-721.