Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU4555

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-11-2011
Datum publicatie
16-11-2011
Zaaknummer
201102590/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 maart 2010 heeft het Participatiefonds de aanvraag van 17 december 2009 van Sint Bavo om de kosten van uitkeringen als gevolg van het ontslag van [werknemer] ten laste van het Participatiefonds te laten komen, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201102590/1/H2.

Datum uitspraak: 16 november 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting Stichting katholiek en interconfessioneel (RK/PC) onderwijs Sint Bavo, gevestigd te Haarlem,

appellante,

en

het bestuur van de Stichting Participatiefonds voor het Onderwijs (hierna: het Participatiefonds),

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 maart 2010 heeft het Participatiefonds de aanvraag van 17 december 2009 van Sint Bavo om de kosten van uitkeringen als gevolg van het ontslag van [werknemer] ten laste van het Participatiefonds te laten komen, afgewezen.

Bij besluit van 19 januari 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft het Participatiefonds het door Sint Bavo hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft Sint Bavo bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 februari 2011, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 27 maart 2011.

Het Participatiefonds heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 september 2011, waar Sint Bavo, vertegenwoordigd door W.W.T. Damen en F. Schings, beiden werkzaam bij Sint Bavo, bijgestaan door mr. W. Brussee, advocaat te Den Haag, en het Participatiefonds, vertegenwoordigd door mr. H.P. Coppens, werkzaam bij het Participatiefonds, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 138, derde lid, van de Wet op het primair onderwijs worden op de bekostiging ten behoeve van personeelskosten in mindering gebracht de kosten van werkloosheidsuitkeringen, suppleties inzake arbeidsongeschiktheid alsmede uitkeringen wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid van gewezen personeel anders dan op grond van de Ziektewet. Dit is niet van toepassing, indien het Participatiefonds, op een daartoe strekkend verzoek van het bevoegd gezag, voorafgaand aan het ontslag heeft ingestemd met het te zijnen laste brengen van de kosten van uitkeringen of suppleties als bedoeld in de eerste volzin.

Ingevolge artikel 184, vierde lid, voor zover hier van belang, stelt het Participatiefonds regels vast voor de behandeling, beoordeling en beantwoording van een verzoek van het bevoegd gezag als bedoeld in artikel 138, derde lid.

Het Participatiefonds heeft het Reglement Participatiefonds voor het Primair Onderwijs voor het schooljaar 2009-2010 (hierna: het Reglement) vastgesteld. Dit is in werking getreden op 1 februari 2009. Het heeft betrekking op ontslagen die zijn of worden geëffectueerd per of na 1 augustus 2009.

Ingevolge artikel 4.1 van het Reglement rust op het bevoegd gezag de verplichting in redelijkheid te doen wat van hem verwacht mag worden ter voorkoming van werkloosheid, respectievelijk om instroom in een werkloosheidsuitkering te voorkomen.

Ingevolge artikel 4.4 wordt bij elke melding beoordeeld of aan het in artikel 4.1 gestelde is voldaan. Indien blijkt dat onvoldoende uitvoering is gegeven aan de activiteiten genoemd in het artikel dat op het ontslag van toepassing is, wordt het vergoedingsverzoek afgewezen. Het bevoegd gezag heeft tal van mogelijkheden en instrumenten van personeelsbeleid die gericht zijn op het voorkomen van een beroep op een werkloosheidsregeling. Omdat niet voor iedere soort ontslag eenzelfde inspanning kan worden verwacht, is bij iedere ontslaggrond zoals gesteld in de artikelen 7 tot en met 11, vermeld aan welke eisen het bevoegd gezag dient te voldoen.

De inspanningsverplichting is in categorieën ondergebracht. In de categorie hier van belang, categorie IV-A, welke ziet op het ontslag uit een vast dienstverband, behelst, voor zover thans van belang, de inspanningsverplichting:

1. extern een passende functie zoeken (indien aangesloten, gebruik maken van een mobiliteitscentrum/arbeidspool, zoeken bij een ander bevoegd gezag, of buiten het onderwijs); en

2. (vervallen)

3. voormelding dreigend ontslag bij het Participatiefonds; of

4. […].

Ingevolge artikel 4.4.1 wordt bij de categorieën I, II, III en IV in alle gevallen schriftelijk bewijs gevraagd.

In onderdeel 3 van deze categorie wordt als bewijsstuk geaccepteerd een afschrift van de voormelding zelf, dan wel een afschrift van de ontvangstbevestiging daarvan.

Ingevolge artikel 6.1 kan een vergoedingsverzoek alleen worden toegewezen indien het ontslag is verleend met inachtneming van de artikelen 7 tot en met 11 en wanneer tevens is voldaan aan artikel 4.4.

Ingevolge artikel 6.3 wordt een vergoedingsverzoek afgewezen indien niet is voldaan aan het gestelde in artikel 4.4.

Ingevolge artikel 9, aanhef en onder u, voor zover hier van belang, kan een grond voor toewijzing van het vergoedingsverzoek gelegen zijn in ontslag op grond van een beschikking van de sector kanton van de rechtbank. Bij een ontslag als bedoeld in deze bepaling dient, indien sprake was van een vast dienstverband, het bevoegd gezag te voldoen aan de inspanningsverplichting van bovenvermelde categorie IV-A.

Ingevolge artikel 28, tweede lid, kan het Participatiefonds om zwaarwegende redenen afwijken van hetgeen in het reglement is gesteld.

In het algemeen deel van de toelichting bij het Reglement is onder het kopje 'Re-integratiebeleid' vermeld: Het Participatiefonds voert een re-integratiebeleid met als doel (potentiële) uitkeringsgerechtigden en de aanbieders op de arbeidsmarkt sneller bijeen te brengen. Onderdeel van het re-integratiebeleid is het verschijnsel van de voormelding. Personeel dat nog in dienst is, maar bijvoorbeeld door plaatsing in het risicodragend deel van de formatie of door een slechte beoordeling de redelijke kans loopt ontslagen te worden, kan "gemeld" worden bij het Participatiefonds, zodat reeds voor het vermoedelijke ontslag kansen verkend worden op een nieuwe baan. De voormelding vindt uitsluitend via internet plaats middels het digitale formulier 'Voormelding dreigend ontslag' dat via de website van het Participatiefonds beschikbaar wordt gesteld.

2.2. De arbeidsovereenkomst tussen de stichting RK/IC speciaal basisonderwijs De Satelliet en [werknemer] is per 15 januari 2010 ontbonden bij beschikking van de kantonrechter. De Satelliet valt per 1 januari 2010 onder het bestuur van Sint Bavo. Het betreft een ontslag uit een vast dienstverband. Sint Bavo heeft dit ontslag bij brief van 17 december 2009 bij het Participatiefonds gemeld en daarbij verzocht om de daaruit voortvloeiende kosten ten laste van het Participatiefonds te laten komen.

Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 8 maart 2010 heeft het Participatiefonds dit verzoek afgewezen, op de grond dat niet was voldaan aan de inspanningsverplichting van categorie IV-A. Hieraan is, voor zover thans van belang, ten grondslag gelegd dat Sint Bavo geen document heeft overgelegd waaruit blijkt dat voorafgaand aan het ontslag is gezocht naar een functie buiten het bevoegd gezag of buiten het onderwijs en dat zij de voormelding dreigend ontslag bij het Participatiefonds pas heeft gedaan na de ontslagdatum, zodat niet is voldaan aan de onderdelen 1 en 3 van de inspanningsverplichting van categorie IV-A.

2.3. Ten tijde van het ontslag maakte de voormelding dreigend ontslag onderdeel uit van de inspanningsverplichting. Niet in geschil is dat Sint Bavo pas op 26 januari 2010, dus na de ingangsdatum van het ontslag van [werknemer], het formulier 'Voormelding dreigend ontslag' heeft ingezonden. Zij betoogt evenwel dat de brief van 17 december 2009, waarin zij heeft verzocht om vergoeding, als een voormelding dreigend ontslag moet worden aangemerkt. Voorts heeft het Participatiefonds haar niet in de gelegenheid gesteld alsnog tijdig het formulier in te dienen, nu het Participatiefonds haar eerst op 22 januari 2010 heeft bericht dat de aanvraag onvolledig was. Daarom kan het Participatiefonds haar daarom het ontbreken van het formulier niet tegenwerpen, aldus Sint Bavo.

2.3.1. Uit artikel 4.4.1, in samenhang gelezen met artikel 4.4, van het Reglement, alsmede met de in 2.1 weergegeven toelichting op het Reglement volgt dat de voormelding door middel van het genoemde formulier dient te geschieden. Bij de aanvraag om vergoeding van 17 december 2009 is dat formulier niet gebruikt. Bovendien blijkt ook uit de bewoordingen van die aanvraag niet dat beoogd is daarmee tevens de voormelding te doen. Het Participatiefonds behoefde die aanvraag dan ook niet als voormelding op te vatten. Dat Sint Bavo meende dat haar brief van 17 december 2009 kon worden aangemerkt als voormelding dreigend ontslag, komt voor haar rekening en risico.

Het doen van een voormelding is een inspanningsverplichting teneinde instroom in de werkloosheidsuitkering te voorkomen en niet slechts een document dat vereist is voor de beoordeling van de aanvraag om vergoeding. Dat het Participatiefonds reeds in december 2009 de aanvraag heeft ontvangen, maar eerst na de datum van ontslag heeft opgemerkt dat Sint Bavo geen voormelding had gedaan, brengt niet mee dat het Participatiefonds haar het ontbreken ervan niet mocht tegenwerpen. Het beginsel van fair play is, anders dan Sint Bavo heeft gesteld, dan ook niet geschonden.

Gelet op het vorenoverwogene behoefde het Participatiefonds evenmin aanleiding te zien toepassing te geven aan artikel 28, tweede lid, van het Reglement.

Het betoog faalt.

2.4. Aan de inspanningsverplichting van categorie IV-A kan worden voldaan door de inspanningen, volgend uit de onderdelen 1 en 3 te vervullen. Deze zijn cumulatief. Nu uit het vorenoverwogene volgt dat Sint Bavo niet heeft voldaan aan onderdeel 3, kan het betoog dat het Participatiefonds ten onrechte heeft aangenomen dat Sint Bavo niet heeft voldaan aan onderdeel 1 niet leiden tot het oordeel dat zij heeft voldaan aan de inspanningsverplichting van categorie IV-A, zodat dit betoog geen bespreking behoeft.

2.5. Het beroep is ongegrond.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Poot

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 november 2011

362-710.