Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU4551

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-11-2011
Datum publicatie
16-11-2011
Zaaknummer
201000602/1/R1 en 201001424/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 november 2009 heeft de raad van de voormalige gemeente Reiderland (thans Oldambt) het bestemmingsplan "Benedenloop Westerwoldse Aa, Hamdijk, Bovenlanden en Kuurbos", voor zover dat plan betrekking heeft op het grondgebied van de gemeente, vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:11
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2012/27 met annotatie van P. Jong
JOM 2012/251
Milieurecht Totaal 2012/5730

Uitspraak

201000602/1/R1 en 201001424/1/R1.

Datum uitspraak: 16 november 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in de gedingen tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Nieuweschans, gemeente Oldambt en anderen,

2. [appellant sub 2], wonend te Vriescheloo, gemeente Bellingwedde,

3. [appellant sub 3] en anderen, wonend te Drieborg, gemeente Oldambt,

en

1. de raad van de gemeente Oldambt,

2. de raad van de gemeente Bellingwedde,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 november 2009 heeft de raad van de voormalige gemeente Reiderland (thans Oldambt) het bestemmingsplan "Benedenloop Westerwoldse Aa, Hamdijk, Bovenlanden en Kuurbos", voor zover dat plan betrekking heeft op het grondgebied van de gemeente, vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 januari 2010, [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 januari 2010 en [appellant sub 3] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 januari 2010, beroep ingesteld. [appellant sub 1] en anderen hebben hun beroep aangevuld bij brief van 14 februari 2010. [appellant sub 2] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 8 februari 2010.

Bij besluit van 17 december 2009 heeft de raad van de gemeente Bellingwedde het bestemmingsplan "Benedenloop Westerwoldse Aa, Hamdijk, Bovenlanden en Kuurbos", voor zover dat plan betrekking heeft op het grondgebied van de gemeente, vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 februari 2010, beroep ingesteld. [appellant sub 1] en anderen hebben hun beroep aangevuld bij brief van 4 maart 2010.

De raden van de gemeenten Oldambt en Bellingwedde (hierna: de raden) hebben een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaken gevoegd ter zitting behandeld op 10 oktober 2011, waar [appellant sub 1] en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigden] [appellant sub 2], vertegenwoordigd door J. Huisman, [appellant sub 3] en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en de raden, vertegenwoordigd door mr. W.R. van der Velde, advocaat te Groningen, J.H. Samberg, werkzaam bij de gemeente Oldambt, en J.M. Heuff, werkzaam bij de gemeente Bellingwedde, zijn verschenen.

Voorts zijn daar het college van gedeputeerde staten van Groningen, vertegenwoordigd door H.G. Schuurman, E. Roels en M. Bakker, allen werkzaam bij de provincie, en het dagelijks bestuur van het waterschap Hunze en Aa's, vertegenwoordigd door W. Kastelein en H. van Norel, werkzaam bij het waterschap, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. De bestemmingsplannen van de gemeenten Oldambt en Bellingwedde (hierna tezamen: het plan) voorzien in een juridisch-planologische regeling voor de inrichting van de gebieden Benedenloop Westerwoldse Aa, Hamdijk, Bovenlanden en Kuurbos als (nood)waterberging, robuuste verbindingszone en dagrecreatief medegebruik.

Voorbereiding plan

2.2. [appellant sub 1] en anderen stellen dat het plan onzorgvuldig is voorbereid. Zij voeren hiertoe aan dat het ontwerpplan niet is gepubliceerd en dat in de toelichting wordt gesproken over 'Kuurbos' waar 'Bos op Houwingaham' wordt bedoeld, als gevolg waarvan het voor hen niet duidelijk was op welk gebied het plan betrekking heeft. [appellant sub 1] en anderen voeren voorts aan dat een aantal stukken ten onrechte niet ter inzage heeft gelegen, waaronder stukken waarin het relevante beleid van het rijk, de provincie, het waterschap en de gemeenten staat beschreven.

2.2.1. De raden hebben zich op het standpunt gesteld dat het ontwerpplan op juiste wijze is gepubliceerd. De benaming 'Kuurbos' is de aanduiding die de gemeente hanteert, terwijl de benaming 'Bos op Houwingaham' door Staatsbosbeheer is geïntroduceerd. Uit de verbeelding valt volgens de raden duidelijk af te leiden welk gebied tot het plan behoort. Volgens de raden hebben voorts alle voor het plan relevante stukken ter inzage gelegen.

2.2.2. Ingevolge artikel 3.8, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening, voor zover thans van belang, is op de voorbereiding van een bestemmingsplan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van toepassing, met dien verstande dat in voormeld artikel enkele aanvullende voorschriften worden gegeven.

Ingevolge artikel 3:11, eerste lid, van de Awb legt het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage.

2.2.3. Anders dan [appellant sub 1] en anderen stellen is het ontwerpplan op voorgeschreven wijze bekend gemaakt. Op 3 en 10 juni 2009 heeft de kennisgeving van het ontwerpplan in de Staatscourant gestaan. Voorts hebben de raden onweersproken gesteld dat zij een week later een kennisgeving hiervan hebben geplaatst in een lokaal huis- aan huisblad.

Zoals de raden voorts terecht stellen, volgt uit het plan en de daarbij behorende verbeelding welke gebieden tot het plangebied behoren. In de toelichting bij het plan staat bovendien dat het plangebied het 'Kuurbos/Bos op Houwingaham' omvat, waarbij is aangegeven dat dit gebied in de verdere toelichting wordt aangeduid als 'Kuurbos', zodat het [appellant sub 1] en anderen duidelijk had kunnen en moeten zijn op welk gebied het plan betrekking heeft.

De door [appellant sub 1] en andere genoemde beleidsdocumenten bevatten algemeen beleid van het rijk, de provincie, het waterschap en de gemeenten en zijn niet ten behoeve van het plan opgesteld. De raden hebben zich terecht op het standpunt gesteld dat dit geen op het ontwerpplan betrekking hebbende stukken betreffen die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling daarvan. De raden hebben zich bovendien onbetwist op het standpunt gesteld dat deze documenten publiekelijk toegankelijk zijn. Hetgeen [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd, biedt geen grond voor het oordeel dat de raden niet alle stukken die op het ontwerpplan betrekking hebben en die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling hiervan ter inzage hebben gelegd.

Provinciaal beleid

2.3. Het plan geeft invulling aan de beleidskeuze van provinciale staten en van het college van gedeputeerde staten van Groningen om extra waterbergingsgebieden aan te leggen ten einde ongecontroleerde doorbraken van boezemkades in Groningen of Noord Drenthe zoals in 1997 en 1998 te voorkomen. Die beleidskeuze en de aanwijzing van de voorziene waterbergingsgebieden is vastgelegd in een uitwerking van het Provinciaal Omgevingsplan (hierna: POP) van 13 december 2005 als herzien bij besluit van 2 december 2008 en vervolgens overgenomen in het POP 2009-2013, vastgesteld op 17 juni 2009. De raden zijn ingevolge artikel 4.11 van de Omgevingsverordening provincie Groningen 2009, eveneens vastgesteld op 17 juni 2009, verplicht om de aangewezen gebieden zodanig te bestemmen dat zij geschikt zijn voor de functie van berging of noodberging van water. Ter zitting hebben de raden toegelicht dat ten tijde van het vaststellen van het plan voormeld artikel 4.11 nog niet in werking was getreden, maar dat zij het provinciale beleid, zoals opgenomen in het POP, tot het eigen beleid hebben gemaakt, zodat zij hieraan zijn gebonden.

2.3.1. De stelling van [appellant sub 1] en anderen dat voormeld beleid onvoldoende zorgvuldig is vastgesteld, kan niet slagen. Dat de besluiten waarbij het beleid is vastgesteld niet voor bezwaar en beroep vatbaar zijn, betekent, anders dan [appellant sub 1] en anderen stellen, niet dat deze niet met de vereiste zorgvuldigheid zijn genomen. In de enkele omstandigheid dat de door [appellant sub 1] ingediende zienswijze door het college van gedeputeerde staten niet is overgenomen is evenmin grond voor dit oordeel gelegen. Ook anderszins biedt hetgeen [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd, geen grond voor het oordeel dat het voormelde beleid onzorgvuldig is vastgesteld.

Nut en noodzaak

2.4. [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] stellen dat de raden niet hebben onderkend dat de noodzaak voor het plan ontbreekt. Zij voeren hiertoe aan dat de aanleg van de waterbergingsgebieden een voorwendsel is voor de aanleg van natuur, wat het eigenlijke doel is van het plan. Dat in 1998 sprake was van ernstige wateroverlast in Groningen betekent niet dat het plan noodzakelijk is. Deze overlast is volgens [appellant sub 2] te wijten aan tekortkomingen op het bestuurlijk vlak. Bij deze overlast is volgens [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] bovendien gebleken dat de huidige waterhuishoudkundige systemen voor het lozen van water voldoende effectief zijn, zodat kan worden volstaan met slechts een kleine toevoeging aan de bergingscapaciteit. De in het plan voorziene vergroting van het bergingsvolume tot 69 miljoen m³ wordt evenmin gerechtvaardigd door de stijging van de zeespiegel en de verwachte neerslagvergroting. De onderzoeksrapporten waarin de benodigde vergroting van het bergingsvolume is berekend, zijn volgens [appellant sub 2] niet opgesteld door onafhankelijke en deskundige instanties en bevatten onjuistheden, zodat de raden zich bij de totstandkoming van het plan ten onrechte hierop hebben gebaseerd. Voorts is de in het plan voorziene spuiberging ten zuiden van Nieuwe Statenzijl volgens [appellant sub 2] vanuit waterhuishoudkundig oogpunt overbodig en veroorzaakt deze schade aan het op het perceel Stadspolder 1 gevestigde landbouwbedrijf van [appellant sub 2].

2.4.1. De raden hebben uiteengezet dat de waterbergingsgebieden in situaties met extreme wateroverlast als zodanig worden ingezet, maar dat deze onder normale omstandigheden als natuurgebieden fungeren. Dit betekent volgens de raden niet dat de aanleg van natuur het voornaamste doel is van het plan. De huidige waterhuishoudkundige systemen zijn volgens de raden niet berekend op extreme situaties, hetgeen bleek tijdens de wateroverlast in 1998. Deze wateroverlast was volgens de raden aanleiding voor het project 'Hoog water'. Volgens de onderzoeken die in het kader van dit project zijn uitgevoerd, komen hoge waterstanden in de Eemskanaal- en Dollardboezem vaker voor dan eerder is berekend. De noodzaak van het plan is volgens de raden gelegen in het zo lang mogelijk voorkomen van wateroverlast, ook in situaties die gemiddeld 1 keer in de 100 jaar plaatsvinden. Anders dan [appellant sub 2] stelt, hebben de in het plan voorziene waterbergingsgebieden een totale bergingscapaciteit die kleiner is dan 69 miljoen m³, aldus de raden. De raden hebben zich ten slotte op het standpunt gesteld dat de spuiberging een substantiële bijdrage levert aan de capaciteit van de voorziene waterbergingsgebieden. De spuiberging is gekoppeld aan de boezem en loopt bij hogere waterstanden vanzelf onder water zodat in tijden van wateroverlast op korte afstand van de spuisluis in Nieuwe Statenzijl een extra waterberging wordt gecreëerd die een positief effect heeft op de vrije lozing via de spuisluis, aldus de raden.

2.4.2. In de plantoelichting staat, samengevat weergeven, dat sinds het begin van de jaren negentig grote delen van Nederland meer keren te kampen hebben gehad met ernstige wateroverlast als gevolg van extreme regenval. Vooral in 1998 was de situatie in de provincie Groningen en in noord Drenthe ernstig. Deze gebeurtenissen vormden de aanleiding tot het project 'Hoog water: een visie op waterhuishouding in de 21e eeuw' (hierna: Hoog water). Dit project is uitgevoerd in opdracht van de Stuurgroep Water 2000+ (hierna: de Stuurgroep). Onder meer op basis van het in dit kader door WL|Delft Hydrolics, thans Deltares, Royal Haskoning en Iwaco uitgevoerde onderzoek 'Hoog Water 1' (HOWA 1) van juni 2001 en het vervolgonderzoek 'Hoog Water 2' (HOWA 2), heeft de Stuurgroep voor onder meer het beheergebied van het waterschap de adviezen 'Project "hoog water: een visie op waterhuishouding in de 21e eeuw", fase 1: de waterhuishouding tot 2010' van maart 2001, 'Stroomgebiedvisie Groningen/Noord- en Oost-Drenthe Over leven met water' van 30 september 2002 en het 'Vervolgadvies waterberging' (hierna: het Vervolgadvies) van januari 2003 opgesteld. Volgens het Vervolgadvies hebben de onderzoeken aangetoond dat extreem hoge boezemwaterstanden in de regio tegenwoordig vaker voorkomen en hoger zijn dan eerder werd aangenomen en is ook gebleken dat de waterhuishouding daar onvoldoende bescherming tegen biedt. De waterhuishouding moet daarom op korte termijn worden verbeterd en in de toekomst op orde worden gehouden met het oog op doorgaande klimaatverandering en bodemdaling. De te nemen maatregelen moeten daarom zowel op de korte als op de lange termijn bruikbaar zijn. De Stuurgroep heeft geadviseerd om in de periode tot 2025 een aantal maatregelen tegen wateroverlast te treffen. Een van deze maatregelen is het aanwijzen en inrichten van een aantal gebieden waarin tijdelijk overtollig boezemwater kan worden opgeslagen. De uiteindelijk voor waterberging in aanmerking komende gebieden in het Groningse deel van het beheergebied van het Waterschap Hunze en Aa's zijn in onderling overleg tussen de provincie Groningen en het waterschap bepaald. Het college van gedeputeerde staten heeft deze gebieden gepresenteerd in een brief aan provinciale staten met daarbij de beleidsnota 'Doorbraak Waterberging' (2004). In het POP zijn de plannen voor de waterberging uitgewerkt. Deze planuitwerking 'De aanwijzing van bergingsgebieden en noodbergingsgebieden in het waterschap Hunze en Aa's' is vastgesteld op 13 december 2005 en partieel herzien op 2 december 2008.

2.4.3. Anders dan [appellant sub 1] en anderen stellen, volgt uit de plantoelichting en uit de in 2.4.2 genoemde onderzoeken dat de huidige waterhuishoudkundige systemen onvoldoende bescherming bieden tegen extreme weersomstandigheden. Het doel van het plan is bescherming te bieden tegen wateroverlast door deze weersomstandigheden en het verbeteren van de waterhuishouding. Dat de waterbergingsgebieden onder normale omstandigheden als natuurgebied fungeren, betekent niet dat de aanleg hiervan wordt gehanteerd als voorwendsel om natuurgebieden aan te kunnen leggen. Ter zitting hebben de raden en het college van gedeputeerde staten hierover toegelicht dat bij de zoektocht naar gebieden die geschikt zijn als waterbergingsgebied met een aantal omstandigheden rekening moest worden gehouden. De waterbergingsgebieden konden niet worden voorzien in gebieden die fungeerden als woongebied en moesten derhalve worden voorzien in landbouw- en natuurgebieden. Daarbij hebben de raden getracht om zo min mogelijk beslag te leggen op gronden door de gebieden zowel te laten fungeren als natuurgebied en als waterbergingsgebied. Volgens de plantoelichting is de noodzaak voor het plan voortgekomen uit de conclusies van de in het kader het project 'Hoog water' uitgevoerde onderzoeken. De stelling van [appellant sub 2] dat de noodzaak voor het plan ontbreekt, omdat de wateroverlast in 1998 geheel te wijten is geweest aan ernstige tekortkomingen in watermanagement en bestuur, kan, wat daar verder ook van zij, niet slagen.

2.4.4. De stelling van [appellant sub 2] dat de opstellers van de in 2.4.2 genoemde onderzoeken niet deskundig zijn, heeft hij niet nader gestaafd. Dit geldt eveneens voor de stelling dat de onderzoeken niet op onafhankelijke en onpartijdige wijze zijn verricht. [appellant sub 2] heeft niet onderbouwd dat de initiatiefnemers van het project 'Hoog water' een zodanige invloed hebben uitgeoefend op de totstandkoming en de uitkomst van de onderzoeken dat deze niet meer als objectief zijn te beschouwen. Voorts biedt hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de onderzoeken niet op deugdelijke en zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen of dat deze niet inzichtelijk en concludent zijn. Hiertoe wordt overwogen dat het door [appellant sub 2] genoemde verschil tussen de gemeten en berekende lozingen en waterstanden bij kalibratie van het gehanteerde computerprogramma Sobek in het onderzoek HOWA 1 volgens het onderzoeksrapport het gevolg is van de tijdelijke berging van water in het stroomgebied door kleine overstromingen in de bodem en op het maaiveld en de in die periode geïnundeerde polders, die waterstandverlagend werken. Dat in dit onderzoeksrapport staat dat de inrichting van de reguliere berging van Binnen Aa zal leiden tot een stijging van het Boezempeil in Zuidbroek en Veendam, betekent evenmin dat het onderzoek niet op deugdelijke en zorgvuldige wijze tot stand is gekomen of niet inzichtelijk en concludent is. Deze stijging wordt volgens het onderzoeksrapport gecompenseerd door verlaging van de waterstanden op andere plaatsen. Uit de door [appellant sub 2] overgelegde pagina uit het rapport 'Risico's in bedijkte termen' blijkt, anders dan [appellant sub 2] stelt, niet dat de zeespiegel geen zorgwekkende veranderingen kent, nu hierin staat dat voor de komende 100 jaar een verwachte zeespiegelstijging van tussen de 9 en 88 cm wordt verwacht. Ten slotte volgt uit de door [appellant sub 2] overgelegde pagina uit het rapport 'Evaluatie Wateroverlast' van december 1998 geenszins dat in de in 2.4.2 genoemde rapporten de frequenties van hoge boezemstanden in het plangebied onzorgvuldig zijn vastgesteld.

2.4.5. [appellant sub 2] heeft de conclusies van de in 2.4.2 genoemde onderzoeksrapporten niet gemotiveerd, bijvoorbeeld aan de hand van een deskundigenrapport, betwist, maar heeft volstaan met het plaatsen van enkele kritische kanttekeningen hierbij. [appellant sub 2] heeft hierbij niet aangevoerd op welke wijze de door hem geplaatste kanttekeningen van invloed zijn op de conclusies van de onderzoeksrapporten, noch deze conclusies gemotiveerd weerlegd. Onder deze omstandigheden biedt hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de raden niet van de juistheid van voormelde onderzoeksrapporten hebben kunnen uitgaan.

2.4.6. Anders dan [appellant sub 2] stelt, voorziet het plan niet in een vergroting van het bergingsvolume tot 69 miljoen m³. Uit het POP en de partiële herziening hiervan volgt dat de voorziene waterbergingsgebieden gezamenlijk een volume hebben van ongeveer 50 miljoen m³. De raden hebben toegelicht dat zij een veiligheidsniveau nastreven waarbij wateroverlast wordt voorkomen in situaties die zich één keer in de 100 jaar voordoen. Ter zitting hebben zij toegelicht dat voor bepaalde gevoelige gebieden, zoals steden en aardgaswinningsgebieden, een hoger veiligheidsniveau wordt nagestreefd met een overstromingsrisico van 1 op de 300 jaar tot 1 op de 1000 jaar. De stelling van [appellant sub 2] dat de voorziene waterbergingsgebieden niet worden gerechtvaardigd door de stijging van de zeespiegel en de verwachte neerslagvergroting, kan derhalve niet slagen, nu deze gebieden ook zijn voorzien om wateroverlast te voorkomen die wordt veroorzaakt door zeldzame extreme weersomstandigheden waarbij in een korte periode hevige neerslag valt. Anders dan [appellant sub 2] stelt, hebben de raden zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de voorziene waterbergingsgebieden noodzakelijk zijn om het nagestreefde veiligheidsniveau te realiseren, waarbij zij zich niet ten onrechte hebben gebaseerd op de in 2.4.2 genoemde onderzoeken.

Zoals de raden voorts terecht stellen, volgt uit de in 2.4.2 genoemde onderzoeksrapporten dat de voorziene spuiberging een positief effect heeft op de vrije lozing via de spuisluis in Nieuwe Statenzijl. Ter zitting hebben de raden onweersproken toegelicht dat met de spuiberging overtollig water sneller en effectiever kan worden geloosd. Hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd, biedt geen aanleiding voor de conclusie dat dit standpunt onjuist is. De raden hebben zich derhalve in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de in het plan voorziene spuiberging noodzakelijk is voor de realisering van de met het plan nagestreefde doelstellingen. De stelling dat de voorziene spuiberging schade aan het bedrijf van [appellant sub 2] zal veroorzaken heeft [appellant sub 2] niet nader gemotiveerd, zodat hierin geen grond is gelegen voor vernietiging van het bestreden besluit.

Aanleg natuur

2.5. [appellant sub 1] en anderen stellen dat de in het plan voorziene robuuste verbindingszone niet kan worden aangelegd, nu geen verbinding naar de Brualer Schloot in Duitsland kan worden gerealiseerd. [appellant sub 2] stelt dat de in het plan voorziene aanleg van natuur negatieve effecten zal hebben op de volksgezondheid. Hij voert hiertoe aan dat zich in de voorziene natte natuur ziektekiemen kunnen verspreiden door muggenpopulaties en het niet opruimen van kadavers.

2.5.1. De raden hebben zich op het standpunt gesteld dat in Europees verband met Duitsland is gewerkt aan een ecologische verbindingszone tussen Nederlandse natte natuurgebieden en natuurgebieden langs de Eems. Volgens de raden is een deel van de verbinding langs de Brualer Schloot reeds gerealiseerd. Voorts hebben de raden zich op het standpunt gesteld dat in het ten behoeve van het plan opgestelde inrichtingsplan maatregelen zijn opgenomen om muggenoverlast te voorkomen.

2.5.2. In de plantoelichting staat dat het plangebied, behalve een waterbergingsfunctie, een belangrijke betekenis krijgt voor de robuuste verbindingszone die vanuit Midden-Groningen via Blauwestad naar Duitsland en de Dollard loopt. De gebieden Hamdijk en Bovenlanden zullen worden ingericht als stapsteen in deze robuuste verbindingszone die de natte natuurgebieden onderling met elkaar verbindt

2.5.3. De raden hebben ter zitting toegelicht dat de verbinding van het plangebied met de Brualer Schloot in Duitsland niet noodzakelijk is voor de realisering van de in het plan voorziene robuuste verbinding, hetgeen [appellant sub 1] en anderen niet hebben betwist. Reeds hierom kan de stelling van [appellant sub 1] en anderen, daargelaten dat deze niet is gestaafd, niet leiden tot het oordeel dat het plan niet uitvoerbaar is.

Voorts zijn ingevolge artikel 5, lid 5.1 van de planregels onder de bestemming "Natuur" maatregelen begrepen met het oog op de ontwikkeling van natuurwaarden conform het ten behoeve van het plan opgestelde inrichtingsplan. Zoals de raden stellen, staat in dit inrichtingsplan dat het voorkomen van muggen- en wateroverlast voor omwonenden een uitgangspunt vormt bij de natuurinrichting. De voorziene natte natuur zal op afstand van bestaande bebouwing worden aangelegd en voorts zal worden gezorgd voor een goede doorstroming van het water. [appellant sub 2] heeft niet aangevoerd dat het plan het niet mogelijk maakt deze maatregelen te treffen. De raden hebben zich ten slotte op het standpunt gesteld dat het opruimen van kadavers onder de verantwoordelijkheid valt van de beheerder van het plangebied. De niet nader gestaafde stelling dat deze kadavers niet zullen worden opgeruimd, kan, daargelaten dat niet valt in te zien op welke wijze het plan hierop van invloed is, niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

2.5.4. Voor zover [appellant sub 2] nog betoogt dat het inrichtingsplan niet via de juiste procedure is vastgesteld, kan dit, wat daar verder ook van zij, niet slagen, nu dit niet ter toetsing voorligt. Het inrichtingsplan is vastgesteld door het algemeen bestuur van het Waterschap Hunze en Aa's en goedgekeurd door het college van gedeputeerde staten bij besluit van 31 augustus 2009. De door [appellant sub 2] en [appellant sub 1] en anderen tegen het goedkeuringsbesluit ingestelde beroepen zijn door de Rechtbank Groningen bij uitspraak van 29 maart 2010, verzonden op 31 maart 2010, ongegrond verklaard (AWB 09/1146 en AWB 09/1175). In deze uitspraak heeft de rechtbank de beroepsgrond van [appellant sub 2] omtrent de onzorgvuldigheden bij de totstandkoming van het inrichtingsplan verworpen. Het door [appellant sub 1] en anderen tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij uitspraak van de Afdeling van 19 januari 2011 in zaak nr. 201004688/1/H2 (www.raadvanstate.nl) ongegrond verklaard.

Landschappelijke en cultuurhistorische waarden

2.6. [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] stellen voorts dat in het plan onvoldoende rekening is gehouden met de landschappelijke en cultuurhistorische waarden van het plangebied. Zij voeren hiertoe aan dat het huidige open landschap zal worden aangetast door aanleg van de in het plan voorziene kaden.

2.6.1. Ingevolge artikel 12, lid 12.1 en artikel 13, lid 13.1, van de planregels zijn de op de verbeelding voor 'Waterstaat - bergingsgebied' en 'Waterstaat - noodbergingsgebied' aangewezen gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de berging en noodberging van water. Onder de bestemmingen zijn de aanleg van dijken, waterlopen, kaden, gemalen, inlaten en overige kunstwerken ten behoeve van het inlaten, bergen en afvoeren van boezemwater begrepen, conform het door het Waterschap Hunze en Aa's en de provincie voor het gebied vastgestelde inrichtingsplan.

Ingevolge artikel 15, lid 15.1, kan het college van burgemeester en wethouders het bepaalde in het plan wijzigen in die zin dat:

a. veranderingen in het voor het gebied opgestelde inrichtingsplan ten aanzien van de inrichting en het gebruik van de gronden op basis van de in het plan opgenomen bestemmingen zijn toegestaan;

b. veranderingen in het voor het gebied opgestelde inrichtingsplan ten aanzien van het bouwen aan de bouwregels van de in het plan opgenomen bestemmingen worden toegevoegd.

2.6.2. Vast staat dat voor omwonenden van de in te richten waterbergingsgebieden alleen de aan te leggen kaden zichtbaar en merkbaar zullen zijn. In het inrichtingsplan staat dat deze kaden verschillende hoogtes hebben met een maximum van 2 meter boven NAP. Ter zitting hebben de raden toegelicht dat dit betekent dat de hoogste kaden maximaal 3,5 meter boven het maaiveld uitkomen. Volgens de raden zijn de kaden nodig om de veiligheid van het gebied tegen wateroverlast te waarborgen. In het inrichtingsplan staat voorts dat de kaden zo goed mogelijk in het bestaande landschap worden ingepast en zodanig zullen worden gesitueerd dat de aanwezige boerderijen en woningen deels vrij uitzicht behouden. Daarnaast sluiten de kaden aan bij de optrekkende verkavelingsrichting.

De raden hebben voorts toegelicht dat bij de planopstelling verschillende alternatieven, waaronder dat van [appellant sub 1] en anderen zijn betrokken en dat delen daarvan zijn overgenomen in het plan dan wel in het inrichtingsplan, waaronder verbreding van de zichtlijnen. Voorts hebben de raden onweersproken gesteld dat bij de planopstelling de gevolgen van het plan voor de inrichting van het landschap door verschillende deskundige instanties positief zijn beoordeeld. Anders dan [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] stellen, bestaat in het licht hiervan geen grond voor het oordeel dat de raden bij de vaststelling van het plan onvoldoende rekening hebben gehouden met de landschappelijke en cultuurhistorische waarden van het plangebied. Hoewel de aanleg van de voorziene kaden gevolgen kunnen hebben voor het open landschap en het vrije uitzicht van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2], hebben de raden in redelijkheid aan dit belang geen doorslaggevend gewicht hoeven toekennen.

Economische gevolgen

2.7. [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 2] en [appellant sub 3] en anderen stellen voorts dat de raden bij de vaststelling van het plan onvoldoende rekening hebben gehouden met de economische gevolgen hiervan. Zij voeren hiertoe aan dat door realisatie van het plan de landbouwgrond in het plangebied vermindert, waardoor landbouwbedrijven grond verliezen. [appellant sub 3] en anderen stellen dat zij vanwege het plan ongeveer 10 hectare grond verliezen. Voor zover de landbouwbedrijven hiervoor compensatiegrond krijgen aangeboden, zal deze grond veelal op enige afstand van de bedrijven zijn gelegen. [appellant sub 2] stelt voorts dat de in het plan voorziene natuur onkruid veroorzaakt die door landbouwbedrijven chemisch zal moeten worden bestreden. Volgens [appellant sub 3] en anderen zal door realisering van de robuuste verbindingszone wildschade door eenden, smienten en ganzen toenemen.

2.7.1. Het plan heeft betrekking op agrarische gronden die thans voor het grootste gedeelte in eigendom zijn van de overheid (gemeente, provincie of waterschap) en die zijn aangekocht om daaraan een andere dan agrarische bestemming te geven. De raden hebben toegelicht dat zij voor zover de gronden in het plangebied nog niet in het bezit zijn van de overheid en niet kunnen worden aangekocht, tot onteigening over zullen gaan. [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 2] en [appellant sub 3] en anderen stellen terecht dat hierdoor landbouwbedrijven uit het plangebied zullen verdwijnen. Gelet op de belangen die met realisering van het plan zijn gediend, hebben de raden zich evenwel in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat hieraan geen doorslaggevend belang toekomt.

Voorts zal realisering van het plan ertoe leiden dat de landbouwbedrijven die niet uit het plangebied verdwijnen, waaronder dat van [appellant sub 3] en anderen, grond verliezen. De raden hebben zich op het standpunt gesteld dat zij ernaar streven om voor de landbouwbedrijven die gronden in eigendom moeten afstaan in de nabijheid van het bedrijf compensatiegronden te verkrijgen en beschikbaar te stellen. Gelet hierop hebben de raden zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat aan de belangen van de aanwezige landbouwbedrijven bij behoud van grond evenmin doorslaggevend belang toekomt.

Voor zover de in het plan voorziene ontwikkelingen zullen leiden tot een toename van onkruid en wildschade, hebben de raden zich ten slotte in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de kosten en de schade die in verband hiermee ontstaan, niet zodanig zullen zijn dat zij bij afweging van de belangen hieraan een groter gewicht hadden moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn.

Overig

2.8. [appellant sub 1] en anderen hebben zich in de beroepschriften voor het overige beperkt tot het herhalen van de inhoud van de zienswijzen. In de overwegingen van de bestreden besluiten is ingegaan op deze zienswijzen.

[appellant sub 1] en anderen hebben in de beroepschriften noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijzen in de bestreden besluiten onjuist zou zijn.

Conclusie

2.9. In hetgeen [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 2] en [appellant sub 3] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raden zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat de bestreden besluiten in zoverre anderszins zijn voorbereid of genomen in strijd met het recht. De beroepen zijn ongegrond.

Proceskostenveroordeling

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. E. Helder, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Schaaf, ambtenaar van staat.

w.g. Hoekstra w.g. Schaaf

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 november 2011

523.