Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU4546

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-11-2011
Datum publicatie
16-11-2011
Zaaknummer
201007811/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 juni 2009 heeft het Cvz de bij besluit van 16 oktober 2008 (thans aan te merken als een besluit van de Svb) aan [appellant] verstrekte verklaring, waaruit blijkt dat hij niet verzekerd is op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna: de AWBZ), met ingang van 1 juli 2009 ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2012/388
V-N 2012/16.18

Uitspraak

201007811/1/H2.

Datum uitspraak: 16 november 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Sas van Gent, gemeente Terneuzen,

en

het College voor zorgverzekeringen (hierna: Cvz), thans de raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb),

verweerster.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 juni 2009 heeft het Cvz de bij besluit van 16 oktober 2008 (thans aan te merken als een besluit van de Svb) aan [appellant] verstrekte verklaring, waaruit blijkt dat hij niet verzekerd is op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna: de AWBZ), met ingang van 1 juli 2009 ingetrokken.

Bij besluit van 14 september 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft het Cvz het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de rechtbank Middelburg ingekomen op 19 oktober 2009, beroep ingesteld. Op 10 augustus 2010 heeft de rechtbank het beroep ter behandeling aan de Afdeling doorgezonden.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

De Svb en [appellant] hebben ieder nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 mei 2011, waar [appellant] in persoon, bijgestaan door mr. A.B.B. Beelaard, advocaat te Den Haag, en de Svb, vertegenwoordigd door P.C.J. van de Nes, werkzaam bij de Svb en mr. K. Siemeling, werkzaam bij het Cvz, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder j, van Verordening (EEG) Nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB 1971 L 28; hierna: Verordening 1408/71), zoals deze Verordening luidt na wijziging bij Verordening (EG) nr. 259/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 (PB 2008 L 177), voor zover hier van belang, worden voor de toepassing van de Verordening ten aanzien van elke Lid-Staat onder wetgeving of wettelijke regeling verstaan de bestaande of toekomstige wetten, regelingen statutaire bepalingen en alle andere uitvoeringsmaatregelen, welke betrekking hebben op de in artikel 4, leden 1 en 2, bedoelde takken en stelsels van sociale zekerheid, of de bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestaties als bedoeld in artikel 4, lid 2 bis.

Ingevolge die aanhef en onder t worden onder prestaties, uitkeringen, verstrekkingen, pensioenen en renten verstaan alle prestaties, uitkeringen, verstrekkingen, pensioenen en renten, met inbegrip van alle bedragen ten laste van de openbare middelen, verhogingen in verband met aanpassingen aan het loon- of prijsniveau of aanvullende uitkeringen, zulks behoudens het bepaalde in titel III, alsmede de als afkoopsom uitgekeerde bedragen welke in de plaats kunnen treden van de pensioenen of renten, en de terugstortingen van premies of bijdragen.

Ingevolge artikel 27 krijgt de rechthebbende op pensioenen of renten, verschuldigd krachtens de wettelijke regelingen van twee of meer Lid-Staten, waaronder de Lid-Staat op het grondgebied waarvan hij woonachtig is, die recht heeft op prestaties op grond van de wettelijke regeling van laatstbedoelde Lid-Staat, eventueel met inachtneming van artikel 18 en van bijlage VI, evenals zijn gezinsleden, prestaties van het orgaan van de woonplaats en voor rekening van dit orgaan, alsof de betrokkene uitsluitend recht had op een pensioen of rente, verschuldigd krachtens de wettelijke regeling van deze Lid-Staat.

Ingevolge artikel 28, eerste lid, heeft de rechthebbende op een pensioen of rente verschuldigd krachtens de wettelijke regeling van een Lid-Staat, of op pensioenen of renten verschuldigd krachtens de wettelijke regelingen van twee of meer Lid-Staten, die geen recht op prestaties heeft op grond van de wettelijke regeling van de Lid-Staat op het grondgebied waarvan hij woont, niettemin zelf, evenals zijn gezinsleden, recht op deze prestaties, voor zover hij op grond van de wettelijke regeling van de voor de pensioenverzekering bevoegde Lid-Staat, of van ten minste één van de voor deze verzekering bevoegde Lid-Staten, eventueel met inachtneming van artikel 18 en van bijlage VI recht op prestaties zou hebben, indien hij op het grondgebied van de betrokken Staat woont. De prestaties worden verleend op de volgende voorwaarden:

a. de verstrekkingen worden voor rekening van het in lid 2 bedoelde orgaan verleend door het orgaan van de woonplaats, alsof de betrokkene recht had op een pensioen of een rente krachtens de wettelijke regeling van de Staat op het grondgebied waarvan hij woont, en hij recht op verstrekkingen had;

b. de uitkeringen worden in voorkomend geval verleend door het overeenkomstig lid 2 bepaalde bevoegde orgaan volgens de wettelijke regeling welke door dit orgaan wordt toegepast. Deze uitkeringen kunnen evenwel, in overleg tussen het bevoegde orgaan en het orgaan van de woonplaats, door dit laatste orgaan voor rekening van het eerste worden verleend volgens de wettelijke regeling van de bevoegde Staat.

Ingevolge het tweede lid komen in de in het eerste lid bedoelde gevallen de verstrekkingen voor rekening van het overeenkomstig de volgende regels vastgestelde orgaan:

a) indien de rechthebbende krachtens de wettelijke regeling van één Lid-Staat recht op bedoelde verstrekking heeft, komen deze voor rekening van het bevoegde orgaan van deze Staat;

b) indien de rechthebbende krachtens de wettelijke regelingen van twee of meer Lid-Staten recht op bedoelde verstrekkingen heeft, komen deze voor rekening van het bevoegde orgaan van de Lid-Staat aan de wettelijke regeling waarvan de rechthebbende het langst onderworpen is geweest; ingeval de toepassing van deze regel ertoe leidt dat de verstrekkingen voor rekening van meer dan een orgaan komen, komen zij voor rekening van het orgaan, dat de wettelijke regeling toepast waaraan de rechthebbende het laatst onderworpen is geweest.

Ingevolge artikel 33, eerste lid, is het orgaan van een Lid-Staat dat een pensioen of rente verschuldigd is en dat een wettelijke regeling toepast waarin is bepaald, dat voor rekening van een pensioen of rentetrekker bijdragen of premies worden ingehouden om de kosten van de prestaties bij ziekte en moederschap te dekken, gemachtigd deze bedragen, berekend overeenkomstig de betrokken wettelijke regeling, in te houden op het pensioen of de rente welke dit orgaan verschuldigd is, voor zover de prestaties krachtens de artikelen 27, 28, 28 bis, 31 en 32 voor rekening van een orgaan van bedoelde Lid-Staat komen.

Ingevolge artikel 23 van verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PB 2004 L166; hierna: Verordening 883/2004) ontvangt degene die een pensioen of pensioenen ontvangt krachtens de wetgeving van twee of meer lidstaten, waaronder de wetgeving van de lidstaat waar de betrokkene woont, en die recht heeft op verstrekkingen krachtens de wetgeving in de lidstaat van de woonplaats, net als zijn gezinsleden deze verstrekkingen van het orgaan van de woonplaats en voor rekening van dit orgaan alsof de betrokkene een pensioengerechtigde is aan wie alleen pensioen verschuldigd is krachtens de wetgeving van de lidstaat van de woonplaats.

Ingevolge artikel 24, eerste lid, ontvangt degene die een pensioen ontvangt krachtens de wetgeving van een of meer lidstaten en geen recht heeft op verstrekkingen krachtens de wetgeving van de lidstaat waar hij woont, desalniettemin verstrekkingen voor zichzelf en zijn gezinsleden voor zover hij hierop recht zou hebben krachtens de wetgeving van de lidstaat, of van minstens een van de lidstaten die voor zijn pensioenen bevoegd is, indien hij in die lidstaten zou wonen. De verstrekkingen worden voor rekening van het in lid 2 bedoelde orgaan verstrekt door het orgaan van de woonplaats alsof de betrokkene recht had op pensioen en verstrekkingen krachtens de wetgeving van die lidstaat.

Ingevolge het tweede lid wordt in de gevallen bedoeld in lid 1 op grond van de volgende regels bepaald welk orgaan de kosten voor verstrekkingen voor zijn rekening dient te nemen:

a) ingeval de pensioengerechtigde enkel recht heeft op verstrekkingen krachtens de wetgeving van één lidstaat, neemt het bevoegde orgaan van deze lidstaat de kosten voor zijn rekening;

b) ingeval de pensioengerechtigde recht heeft op verstrekkingen krachtens de wetgeving van twee of meer lidstaten, zijn de kosten voor rekening van het bevoegde orgaan van de lidstaat onder wiens wetgeving de betrokkene het langst heeft geressorteerd; indien de toepassing van deze regel ertoe zou leiden dat verscheidene organen de kosten voor hun rekening dienen te nemen, dan komen de kosten voor rekening van het orgaan dat de wetgeving toepast waaraan de pensioengerechtigde laatstelijk onderworpen is geweest.

Ingevolge artikel 87, eerste lid, kan aan deze verordening geen enkel recht worden ontleend voor het tijdvak dat aan de datum van haar toepassing voorafgaat.

Ingevolge artikel 90, eerste lid, wordt Verordening 1408/71 met ingang van de toepassingsdatum van deze Verordening ingetrokken.

Ingevolge artikel 91 treedt deze verordening in werking op de twintigste dag na haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie. Ze is van toepassing met ingang van de datum van inwerkingtreding van de toepassingsverordening.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels wordt in de verordening verstaan onder "basisverordening", Verordening (EG) nr. 883/2004.

Ingevolge die aanhef en onder b wordt in de verordening verstaan onder "toepassingsverordening", deze verordening.

Ingevolge artikel 97 wordt deze verordening bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie en treedt ze in werking op 1 mei 2010.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de AWBZ, zoals deze bepaling ten tijde van het bestreden besluit luidde, is verzekerd overeenkomstig de bepalingen van deze wet degene, die:

a. ingezetene is;

b. geen ingezetene is, doch ter zake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen.

Ingevolge het vierde lid kan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur, in afwijking van het eerste lid, uitbreiding dan wel beperking worden gegeven aan de kring der verzekerden. In de algemene maatregel van bestuur kan aan het Cvz worden opgedragen op een aanvraag van een belanghebbende die bij de algemene maatregel van bestuur van de verzekering ingevolge deze wet is uitgezonderd, een verklaring af te geven dat hij niet verzekerd is.

Ingevolge artikel 63, eerste lid, kan een belanghebbende tegen een op grond van deze wet genomen besluit van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport of het Cvz beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Ingevolge artikel XIA van de, voor zover hier van belang, op 15 maart 2011 in werking getreden Wet van 26 februari 2011 tot wijziging van de AWBZ en de Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw), houdende maatregelen tot opsporing en verzekering van personen die ondanks hun verzekeringsplicht geen zorgverzekering hebben en beperking van het aantal zorgverzekeringen tot één per verzekeringsplichtige (opsporing en verzekering onverzekerden en zorgverzekering), beslist de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op beroepen inzake een beschikking als bedoeld in artikel 5, vierde lid, tweede volzin van de AWBZ, zoals die volzin luidde onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel B.

Ingevolge artikel 21, eerste lid, van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 (hierna: het Besluit), zoals dat ten tijde van het bestreden besluit luidde, is niet verzekerd op grond van de AWBZ de persoon die in Nederland woont, doch die met toepassing van een verordening van de Raad van de Europese Gemeenschappen of van een door Nederland met een of meer andere staten gesloten verdrag inzake sociale zekerheid, in Nederland recht kan doen gelden op verstrekkingen die hem in beginsel worden verleend ten laste van een andere Lid-Staat van de Europese Unie dan wel een andere Lid-Staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of een staat waarmee Nederland een verdrag inzake sociale zekerheid heeft gesloten.

Ingevolge het zesde lid geeft het Cvz op aanvraag een persoon, bedoeld in het eerste, tweede, derde en vierde lid, een verklaring af dat hij niet verzekerd is.

Bij het op 15 maart 2011 in werking getreden Besluit van 26 februari 2011, houdende wijziging van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 in verband met het overdragen van de bevoegdheid tot het verlenen van een ontheffing van de verzekeringsplicht AWBZ aan de Svb, is de Svb bevoegd geworden voormelde verklaring af te geven en is bepaald, samengevat weergegeven en voor zover hier van belang, dat door het Cvz voor de inwerkingtreding van het Besluit van 26 februari 2011 afgegeven verklaringen worden aangemerkt als door de Svb afgegeven verklaringen.

2.2. Het Cvz heeft bij besluit van 14 september 2009 de intrekking van de verklaring gehandhaafd, omdat, nu [appellant] ingezetene is van Nederland en recht heeft op zowel een AOW-pensioen als een Belgisch pensioen, uit artikel 27 van de Verordening 1408/71 volgt dat hij verzekerd is krachtens de AWBZ en de Zvw. Volgens het Cvz komen de kosten dan ten laste van het woonland en is dat land ingevolge artikel 33 van Verordening 1408/71 uitsluitend bevoegd om premie te heffen overeenkomstig het eigen stelsel.

De Svb heeft de Afdeling bij brief van 5 mei 2011 meegedeeld dat, uitgaande van de perioden waarin [appellant] voor de AOW verzekerd was, "[appellant] recht zou hebben op een AOW-pensioen voor een gehuwde waarop een korting van 78% moet worden toegepast."

Ter zitting heeft [appellant] vermeld dat hij 35 jaar in België heeft gewerkt en daarom slechts een klein AOW-pensioen zou kunnen ontvangen. Ter zitting heeft hij tevens vermeld dat de premie AWBZ die hij nu moet betalen, te hoog is in verhouding tot het bedrag aan AOW-pensioen waarop hij recht heeft.

2.3. [appellant] betoogt dat de Svb bij het besluit van 14 september 2009 de intrekking van de verklaring ten onrechte heeft gehandhaafd, omdat hij is uitgegaan van een onjuiste interpretatie van het stelsel van de artikelen 27, 28 en 28 bis van Verordening 1408/71. Hij voert aan dat het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, thans het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof), in zijn arrest van 10 mei 2001 in zaak nr. C-389/99, Rundgren, (www.curia.europa.eu) heeft overwogen dat een Lid-Staat alleen als bevoegde Lid-Staat in de zin van artikel 27 van Verordening 1408/71 kan worden aangemerkt, indien die Lid-Staat pensioen uitbetaalt aan een rechthebbende op pensioen. Nu hij geen AOW ontvangt, is hem geen pensioen verschuldigd krachtens de wettelijke regelingen van de Lid-Staat op het grondgebied waarvan hij woont, als bedoeld in artikel 27 van Verordening 1408/71, en is deze bepaling daarom niet op zijn situatie van toepassing, aldus [appellant].

2.3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 26 januari 2011 in zaak nr. 201003640/1/H2), volgt uit het arrest van het Hof van 11 november 2004 in zaak nr. C-372/02, Adanez-Vega, (www.curia.europa.eu), punt 20 en verder, dat Titel II van Verordening 1408/71 in de algemene aanknopingsregels voorziet voor het vaststellen van de toe te passen wetgeving. Uit dit arrest, in het bijzonder punt 19, alsmede het arrest van het Hof van 14 oktober 2010 in zaak nr. C-345/09, Van Delft, (www.curia.europa.eu), punt 46 en verder, volgt evenwel dat in bepaalde domeinen uitzonderingen bestaan op de algemene aanknopingsregels van Titel II, zodat moet worden nagegaan of de bijzondere aanknopingsregels van Titel III, met name de artikelen 27, 28 en 28 bis, voorzien in de toepassing van een andere wettelijke regeling dan de Nederlandse. Het Hof heeft hierover in het arrest Rundgren onder meer het volgende overwogen:

"46. In het aldus bij de artikelen 27, 28 en 28 bis van verordening nr. 1408/71 ingevoerde stelsel komen de verstrekkingen altijd voor rekening van een orgaan van een ter zake van het pensioen bevoegde Lid-Staat, voor zover de pensioen- of rentetrekker op grond van de wettelijke regeling van deze Lid-Staat recht op deze verstrekkingen heeft, indien hij op diens grondgebied woont. Wanneer verscheidene Lid-Staten ter zake van het pensioen bevoegd zijn, komen de verstrekkingen voor rekening van een van deze staten, die wordt bepaald aan de hand van concrete criteria, zoals de woonplaats van de betrokkene of, indien de betrokkene in geen van deze Lid-Staten woont, de tijd gedurende welke hij aan de wettelijke regeling van elk van deze Lid-Staten onderworpen is geweest.

47. Uit het in dit stelsel gelegde verband tussen de bevoegdheid om pensioenen of renten te verlenen en de verplichting om op te komen voor de kosten van de verstrekkingen, volgt dat deze verplichting afhankelijk is van een daadwerkelijke bevoegdheid ter zake van pensioenen. Derhalve kunnen de verstrekkingen niet voor rekening komen van het orgaan van een Lid-Staat die slechts een eventuele bevoegdheid ter zake van pensioenen heeft. Bijgevolg wordt in de artikelen 27, 28 en 28 bis van verordening nr. 1408/71 met de verwijzing naar verschuldigde pensioenen of renten een daadwerkelijk aan de betrokkene uitbetaald pensioen of rente bedoeld."

2.3.2. Niet in geschil is dat, hoewel [appellant] recht heeft op een AOW-pensioen, hij geen AOW-pensioen ontvangt, omdat hij dat niet heeft aangevraagd. Zoals blijkt uit het arrest Rundgren, is voor de toepassing van de artikelen 27 en 28 van Verordening 1408/71 bepalend dat aan de betrokkene een pensioen, zoals de Nederlandse AOW, wordt uitbetaald.

Daarbij neemt de Afdeling mede in aanmerking dat de advocaat-generaal bij het Hof, Alber, in zijn conclusie van 26 oktober 2000 in de zaak Rundgren (www.curia.europa.eu), met name de punten 45-47 en 50-52, heeft overwogen dat in de Franse en Engelse vertalingen van de betreffende bepalingen van Verordening 1408/71 het accent ligt op de daadwerkelijke betaling van een pensioen en dat deze lezing steun vindt in de wettelijke definities van de begrippen 'wetgeving' en 'pensioenen en renten' in artikel 1, onder j en onder t, van Verordening 1408/71.

De Afdeling wijst er voorts op dat in de overeenkomstige artikelen 23 en 24 van de thans geldende Verordening 883/2004 in dit verband de zinsnede 'degene die een pensioen ontvangt' wordt gebruikt.

Uit het voorgaande volgt dat de Svb bij het besluit van 14 september 2009 van een onjuiste uitleg van de artikelen 27 en 28 van Verordening 1408/71 is uitgegaan door bij dat besluit het recht op een AOW-pensioen bepalend te achten en niet de daadwerkelijke ontvangst van een AOW-pensioen. Dit betekent dat het besluit van 14 september 2009 een deugdelijke motivering ontbeert.

2.4. Het beroep is gegrond. De Afdeling zal het besluit van 14 september 2009 wegens strijd met de artikelen 27 en 28 van Verordening 1408/71 en artikel 7:12, eerste lid, van de Awb vernietigen. De Afdeling ziet voorts aanleiding met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb het door [appellant] gemaakte bezwaar tegen het besluit van 29 juni 2009 gegrond te verklaren, dat besluit te herroepen en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

2.5. De Svb dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank van 14 september 2009, kenmerk AB/401225TEIR;

III. verklaart het door [appellant] gemaakte bezwaar tegen het besluit van 29 juni 2009 gegrond;

IV. herroept het besluit van 29 juni 2009, kenmerk AB/401225TEIR;

V. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VI. veroordeelt de raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat de raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, voorzitter, en mr. C.J.M. Schuyt en mr. K.J.M. Mortelmans, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Oranje, ambtenaar van staat.

w.g. Van Dijk w.g. Oranje

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 november 2011

507.