Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU4542

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-11-2011
Datum publicatie
16-11-2011
Zaaknummer
201108336/2/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 december 2010 heeft de raad het bestemmingsplan

"Hotel Gronsveld" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201108336/2/R1.

Datum uitspraak: 8 november 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

het college van burgemeester en wethouders van Maastricht,

verzoeker,

en

de raad van de gemeente Eijsden-Margraten,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 december 2010 heeft de raad het bestemmingsplan

"Hotel Gronsveld" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft onder meer het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 augustus 2011, beroep ingesteld. Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 augustus 2011, heeft het college de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Het college heeft zijn beroep en verzoek aangevuld bij brief van 31 augustus 2011.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 14 oktober 2011, waar het college, vertegenwoordigd door mr. drs. D.J.A. de Swaef, werkzaam bij BRO, adviseurs in ruimtelijke ordening, economie en milieu B.V., en drs. G.M.J. Costongs, ambtenaar in dienst van de gemeente Maastricht, en de raad, vertegenwoordigd door mr. J.L. Stoop, advocaat te Roermond, en mr. M.J.E.A. Starren-Stevens, ambtenaar in dienst van de gemeente Eijsden-Margraten, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Wyckerveste Adviseurs B.V., vertegenwoordigd door [directeur], gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. De raad betoogt dat het beroep van het college niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu de gemeenteraad het orgaan is dat exclusief bevoegd is planologisch beleid te voeren.

2.2.1. Ingevolge artikel 1:2, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) worden ten aanzien van bestuursorganen de hun toevertrouwde belangen als hun belangen beschouwd. Zoals de Afdeling reeds eerder heeft overwogen, onder meer in de uitspraak van 14 mei 2008 (zaak nr.: 200704234/1), is de ruimtelijke ordening van het grondgebied van een gemeente een mede aan het college van burgemeester en wethouders toevertrouwd belang. Dit volgt onder meer uit diverse bepalingen in de Wet ruimtelijke ordening, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, het Besluit ruimtelijke ordening en het Besluit omgevingsrecht. Gelet hierop dient het college naar het oordeel van de voorzitter als belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2 van de Awb te worden aangemerkt bij voornoemd besluit. Derhalve ziet de voorzitter in dit standpunt van de raad geen aanleiding het verzoek reeds hierom af te wijzen.

2.3. De raad betoogt voorts dat het college in het beroepschrift gronden heeft aangevoerd die niet eerder in de zienswijze naar voren zijn gebracht, zodat het beroep in zoverre niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

2.3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer in de uitspraak van 13 juli 2011 (zaak nr.: 201006868/1/M2), staat artikel 6:13 van de Awb er niet aan in de weg dat een appellant in beroep nieuwe gronden aanvoert met betrekking tot een besluitonderdeel dat hij in zijn zienswijze over het ontwerpbesluit aan de orde heeft gesteld. Naar voorlopig oordeel van de voorzitter heeft het beroep geen betrekking op besluitonderdelen die het college niet reeds in zijn zienswijze heeft bestreden, zodat niet de verwachting bestaat dat in de bodemprocedure het beroep gedeeltelijk niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Gelet hierop wordt in voornoemd standpunt van de raad geen aanleiding gevonden het verzoek daarom af te wijzen.

2.4. Het bestemmingsplan voorziet in de realisatie van grootschalige/perifere detailhandel met een brutovloeroppervlakte (hierna: b.v.o.) van maximaal 13.000 m2, een hotel en een aantal leisurefuncties.

2.5. Het college voert aan dat het bestemmingsplan leidt tot een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau in de regio. In dit verband wijst het college op het onherroepelijke bestemmingsplan "Sphinx" ingevolge welk plan in Maastricht reeds grootschalige detailhandel kan worden gerealiseerd.

2.5.1. Ingevolge artikel 3.1, aanhef en onder a, van de planregels, voor zover van belang, mag maximaal 13.000 m2 b.v.o. aan grootschalige/perifere detailhandel worden gerealiseerd ter plaatse van het plandeel met de bestemming "Gemengd".

Ingevolge artikel 3.1, aanhef en onder a, van de regels van het in rechte onaantastbare bestemmingsplan "Sphinx" van de gemeente Maastricht mag 30.000 m2 winkelvloeroppervlakte (hierna: w.v.o.) aan detailhandel worden gerealiseerd ter plaatse van het plandeel met de bestemming "Centrum".

2.5.2. Niet in geschil is dat de detailhandel die in beide onder 2.5.1. genoemde bestemmingsplannen mogelijk wordt gemaakt, bezoekers uit dezelfde regio zal aantrekken. Voorts heeft het college onweersproken gesteld dat 13.000 m2 b.v.o. gelijk is aan 10.500 m2 w.v.o.

Het college heeft ter onderbouwing van zijn onder 2.5. weergegeven standpunt verwezen naar het in zijn opdracht opgestelde rapport "Ontwikkelingsmogelijkheden perifere en grootschalige detailhandel, gemeente Maastricht" van BRO van 2 december 2010. Hierin is vermeld dat in de periode tot 2020 in de grootschalige detailhandelbranches sprake is van een markruimte van maximaal 9.800 m2 w.v.o. Voorts is hierin vermeld dat in dezelfde periode in de perifere detailhandelbranches sprake is van een marktruimte van maximaal 37.700 m2 w.v.o. Volgens BRO is derhalve een totale marktruimte in de grootschalige en perifere detailhandelbraches van maximaal 47.500 m2 w.v.o. aanwezig.

In het ten behoeve van het bestemmingsplan opgestelde rapport "Retail Cluster Eijsden, Een haalbaarheidsstudie" van ECORYS Nederland B.V. is voor de periode tot 2015 uitgegaan van een marktruimte van maximaal 56.700 m2 w.v.o. Bij een juiste afstemming van het winkelaanbod tussen verschillende grootschalige en perifere detailhandellocaties ontstaat volgens dit rapport een evenwichtige structuur zonder dat er een situatie van overaanbod ontstaat in de regio.

2.5.3. Zoals de Afdeling onder meer heeft overwogen in haar uitspraken van 10 juni 2009 in zaak nr. 200808122/1/R3 en van 2 december 2009 in zaak nr. 200901438/1/R3 komt voor de vraag of sprake is van een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau geen doorslaggevende betekenis toe aan de vraag of sprake is van overaanbod in het verzorgingsgebied en mogelijke sluiting van bestaande detailhandelsvestigingen, maar is het doorslaggevende criterium of voor de inwoners van een bepaald gebied een voldoende voorzieningenniveau behouden blijft in die zin dat zij op een aanvaardbare afstand van hun woonplaats hun dagelijkse boodschappen en hun geregelde inkopen kunnen doen.

De voorzitter is voorshands van oordeel dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat het bestemmingsplan zal leiden tot een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de in voornoemde rapporten berekende totale marktruimte groter is dan het aantal m2 b.v.o./w.v.o. dat met de bestemmingsplannen "Hotel Gronsveld" en "Sphinx" mogelijk wordt gemaakt. Indien echter - mogelijk als gevolg van de verhouding grootschalige detailhandel ten opzichte van perifere detailhandel - aannemelijk is dat een overaanbod zou ontstaan in een van beide branches, is hiermee nog niet aannemelijk gemaakt dat inwoners van de regio niet meer op een aanvaardbare afstand van hun woonplaats hun dagelijkse boodschappen en hun geregelde inkopen kunnen doen.

2.6. Het college stelt voorts dat het bestemmingsplan is vastgesteld in strijd met het Provinciaal Omgevingsplan Limburg en de aanvulling daarop. Voorts wijst het college er op dat volgens alle betrokken partijen een gezamenlijke gebiedsvisie op zijn minst wenselijk is, maar dat deze ontbreekt.

2.6.1. De voorzitter overweegt dat de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan niet aan het provinciaal beleid is gebonden. Wel dient de raad daarmee rekening te houden, hetgeen betekent dat dit beleid in de belangenafweging dient te worden betrokken. In de plantoelichting is expliciet aandacht aan voornoemd beleid besteed en is ingegaan op de verhouding van dit beleid tot het gemeentelijke beleid ter zake. Gelet hierop is aannemelijk dat de raad dit beleid in de belangenafweging heeft betrokken.

De voorzitter overweegt voorts dat in de plantoelichting is vermeld dat de gemeentebesturen van Eijsden-Margraten en Maastricht samenwerken aan de totstandkoming van een gebiedsvisie. Hieruit blijkt dat de raad de gestelde wenselijkheid hiervan in de belangenafweging heeft betrokken. Nu niet is gebleken dat het bestaan van een gezamenlijke gebiedsvisie als voorwaarde geldt voor de vaststelling van het onderhavige bestemmingsplan, bestaat geen grond voor het oordeel dat de raad uit het oogpunt van zorgvuldigheid het bestemmingsplan niet had mogen vaststellen zonder dat een gezamenlijke gebiedsvisie tot stand is gekomen.

2.7. Het college voert verder aan dat het plan zal leiden tot een onaanvaardbare toename van het verkeer en daardoor tot een verslechtering van de verkeersveiligheid. In het bijzonder wijst het college er op dat de verkeersintensiteit op de Oosterbroekweg, de ontsluitingsweg van het plangebied, in de huidige situatie reeds een knelpunt vormt.

2.7.1. In de plantoelichting is vermeld dat het overgrote deel van de verkeersbewegingen van en naar het plangebied zich zal afwikkelen via de route rijksweg A2, Köbbesweg en Oosterbroekweg. In de plantoelichting is voorts vermeld dat op de Oosterbroekweg na realisering van het plan een etmaalintensiteit van 10.000 motorvoertuigen wordt verwacht, terwijl volgens de CROW publicatie ASVV 2004 de maximale norm voor dit type wegen 25.000 motorvoertuigen per etmaal bedraagt. Gelet hierop ziet de voorzitter in het niet cijfermatig onderbouwde standpunt van het college op voorhand geen grond voor de verwachting dat in de bodemprocedure zal worden geoordeeld dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bestemmingsplan zal leiden tot een aanvaardbare verkeerssituatie ter plaatse. Hierbij betrekt de voorzitter dat in het in opdracht van het gemeentebestuur van Maastricht opgesteld rapport "PDV Onderzoek Stadsregio Maastricht (concept)" van 15 december 2010 is vermeld dat de bestaande infrastructuur waarschijnlijk volstaat voor de ontwikkeling van de eerste fase van Eijsden-Gronsveld - de ontwikkeling die met het onderhavige plan mogelijk wordt gemaakt.

2.8. Wat betreft het standpunt van het college dat in het plangebied mogelijk parkeerproblemen kunnen ontstaan nu in het bestemmingsplan geen parkeerbestemming is opgenomen, overweegt de voorzitter dat op de gronden met de bestemmingen "Gemengd" parkeervoorzieningen zijn toegestaan en dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat ter plaatse niet voldoende parkeerplaatsen kunnen worden gerealiseerd.

2.9. Voor zover het college betoogt dat de financiële uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan onvoldoende is aangetoond, overweegt de voorzitter dat in de plantoelichting is vermeld dat het plan geheel op kosten van en voor risico van de initiatiefnemer wordt uitgevoerd. Voorts is ter zitting gebleken dat reeds met betrekking tot 70 procent van de te realiseren bebouwing ten behoeve van detailhandel huurovereenkomsten zijn gesloten. Gelet hierop ziet de voorzitter voorshands geen grond voor de verwachting dat in de bodemzaak zal worden geoordeeld dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bestemmingsplan financieel uitvoerbaar is.

2.10. Ook in hetgeen het college voor het overige heeft aangevoerd, ziet de voorzitter geen aanknopingspunten voor de verwachting dat het bestemmingsplan in de bodemprocedure vernietigd zal worden. Gelet hierop bestaat aanleiding om het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. W.P. van Kooten-Vroegindeweij, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Van Kooten-Vroegindeweij

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 november 2011

559.