Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU3770

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-11-2011
Datum publicatie
09-11-2011
Zaaknummer
201102391/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Bij uitspraak van 6 oktober 2010 in zaak nr. 201001228/1/H3 heeft de Afdeling het hoger beroep van [verzoekers] tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 13 januari 2010 in zaak nr. 09/541 ongegrond verklaard en die uitspraak bevestigd. De uitspraak van de Afdeling is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201102391/1/H3.

Datum uitspraak: 9 november 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het verzoek van:

[verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2], wonend te Zoetermeer,

verzoekers,

om herziening (artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) van de uitspraak van de Afdeling van 6 oktober 2010, in zaak nr. 201001228/1/H3.

1. Procesverloop

Bij uitspraak van 6 oktober 2010 in zaak nr. 201001228/1/H3 heeft de Afdeling het hoger beroep van [verzoekers] tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 13 januari 2010 in zaak nr. 09/541 ongegrond verklaard en die uitspraak bevestigd. De uitspraak van de Afdeling is aangehecht.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 februari 2011, hebben [verzoekers] de Afdeling verzocht die uitspraak te herzien.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft de minister van Justitie een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[verzoekers] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft het verzoek ter zitting behandeld op 10 oktober 2011, waar [verzoekers] zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 8:88, eerste lid, van de Awb kan de Afdeling op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de Afdeling eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

2.2. De uitspraak van 6 oktober 2010 heeft betrekking op de weigering van de minister om bepaalde gegevens in het rapport Raadsonderzoek civiele zaken van 3 juli 2007 (hierna: het raadsrapport) en in het bijbehorende dossier (hierna: het raadsdossier) te corrigeren dan wel daaruit te verwijderen. De Afdeling heeft in die uitspraak overwogen dat het door [verzoekers] aangevoerde geen grond biedt voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister de door hen genoemde gegevens terecht niet heeft gecorrigeerd of verwijderd.

2.3. [verzoekers] verzoeken om herziening van die uitspraak, omdat deze gebaseerd zou zijn op een door de minister gegeven onjuiste voorstelling van zaken. Zij hebben een brief van de Parnassia Bavo Groep van 7 december 2010 overgelegd waaruit volgens hen blijkt dat er, anders dan in het raadsdossier is vermeld, geen contact is geweest tussen de Raad voor de Kinderbescherming en de crisisdienst van Parnassia. Tevens hebben zij een brief van de Raad voor de Kinderbescherming van 4 mei 2010, een observatieverslag van de pleegouders van [naam kind] van 7 mei 2007, een brief van de kinderarts van 13 augustus 2007 en een verklaring van de KNO-arts van 30 augustus 2007 overgelegd, waaruit volgens hen blijkt dat de weergave van de verklaringen in het raadsrapport afwijkt van hetgeen de betrokken personen daadwerkelijk hebben verklaard. Ten slotte hebben zij een brief van de Gemeentelijke ombudsman van 7 september 2011 overgelegd, waaruit volgens hen blijkt dat de Raad voor de Kinderbescherming ten onrechte een advies van een GGD-arts in het raadsrapport heeft opgenomen.

2.3.1. Herziening is alleen mogelijk op grond van feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:88, eerste lid, van de Awb. Naar het oordeel van de Afdeling hebben [verzoekers] zodanige feiten of omstandigheden niet gesteld. De door hen bij het verzoek overgelegde stukken zijn, behoudens de brieven van 7 december 2010 en 7 september 2011, door hen reeds ingebracht in de procedure die heeft geleid tot de uitspraak van 6 oktober 2010, zodat deze stukken zowel bij hen als bij de Afdeling bekend waren vóór die uitspraak. De brieven van 7 december 2010 en 7 september 2011 zien eveneens op feiten en omstandigheden die reeds vóór die uitspraak bij [verzoekers] bekend waren of redelijkerwijs bekend konden zijn.

Ter zitting hebben [verzoekers] toegelicht dat zij met het overleggen van voormelde stukken beogen hun in de eerdere procedure ingenomen standpunten nader te motiveren en te bewijzen, aangezien uit de uitspraak van 6 oktober 2010 blijkt dat zij dit naar het oordeel van de Afdeling niet voldoende hebben gedaan. Zulke nadere motiveringen en bewijzen kunnen, voor zover daarin feiten en omstandigheden zijn vervat, evenwel slechts tot herziening leiden, indien ze voldoen aan de daartoe in de wet gestelde eisen. Dit is, zoals hiervoor is overwogen, hier niet het geval. Het buitengewone rechtsmiddel van herziening dient er niet toe een partij de gelegenheid te bieden om een geschil, naar aanleiding van de uitspraak waarbij daarover is beslist, opnieuw aan de rechter voor te leggen en daarmee het reeds in hoger beroep gevoerde debat te heropenen.

2.4. Gelet op het vorenstaande dient het verzoek te worden afgewezen.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. D. Roemers en mr. A. Hammerstein, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.G. Biharie, ambtenaar van staat.

w.g. Vlasblom w.g. Biharie

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 november 2011

611.