Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU3762

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-11-2011
Datum publicatie
09-11-2011
Zaaknummer
201102282/1/H1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2011:BP0117, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 maart 2005 heeft het college aan Ceres Projecten, onderdeel van Vestia Groep, vrijstelling en bouwvergunning verleend voor de bouw van 50 appartementen en 14 eengezinswoningen, verdeeld over vier bouwblokken aan de Ceramstraat, Boeroestraat, Arubastraat, Riouwstraat en Minahassastraat te Delft.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 19
Woningwet
Woningwet 40
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2012/127
Gst. 2012/17

Uitspraak

201102282/1/H1.

Datum uitspraak: 9 november 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. Stichting Vestia Groep, gevestigd te Rijswijk, gemeente Buren,

2. het college van burgemeester en wethouders van Delft,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 12 januari 2011 in zaak nr. 10/3140 in het geding tussen:

Vestia Groep,

Buurtcomité Indische Buurt

en

het college.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 maart 2005 heeft het college aan Ceres Projecten, onderdeel van Vestia Groep, vrijstelling en bouwvergunning verleend voor de bouw van 50 appartementen en 14 eengezinswoningen, verdeeld over vier bouwblokken aan de Ceramstraat, Boeroestraat, Arubastraat, Riouwstraat en Minahassastraat te Delft.

Bij besluit van 6 april 2009 heeft het college het door Buurtcomité Indische Buurt daartegen gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 januari 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door Buurtcomité Indische Buurt daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 6 april 2009 vernietigd, het besluit van 7 maart 2005 herroepen en de door Ceres Projecten aangevraagde bouwvergunning geweigerd en bepaald dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 6 april 2009. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben Vestia Groep bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 februari 2011, en het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 februari 2011, hoger beroep ingesteld. Vestia Groep heeft haar hoger beroep aangevuld bij brief van 17 maart 2011. Het college heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief van 15 maart 2011.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft Buurtcomité Indische Buurt een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 augustus 2011, waar Vestia Groep, vertegenwoordigd door mr. J.A. Huijgen, en Buurtcomité Indische Buurt, vertegenwoordigd door dr. ir. R. Koop en drs. ir. R. Kunz, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan is in strijd met het bestemmingsplan "Indische Buurt". Teneinde bouwvergunning te kunnen verlenen, heeft het college toepassing gegeven aan de bevoegdheid vrijstelling te verlenen krachtens artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO). Het college heeft voorts bij het besluit op bezwaar van 6 april 2009 met toepassing van artikel 2.5.30, vierde lid, van de bouwverordening van de gemeente Delft, ontheffing verleend van het bepaalde in het eerste lid van dat artikel, nu volgens hem niet is voorzien in voldoende ruimte ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort.

2.2. Vestia Groep betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het bouwplan niet in voldoende parkeergelegenheid, als bedoeld in artikel 2.5.30, eerste lid, van de bouwverordening, voorziet en heeft miskend dat geen ontheffing als bedoeld in artikel 2.5.30, vierde lid, van de bouwverordening is vereist. Vestia Groep en het college betogen voorts dat, voor zover de rechtbank terecht heeft overwogen dat het bouwplan niet in voldoende parkeergelegenheid voorziet, zij ten onrechte heeft overwogen dat het college ten onrechte ontheffing heeft verleend van het bepaalde in artikel 2.5.30, eerste lid, van de bouwverordening.

2.2.1. Ingevolge artikel 2.5.30, eerste lid, van de bouwverordening, moet, indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Deze ruimte mag niet overbemeten zijn, gelet op het gebruik of de bewoning van het gebouw, waarbij rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid per openbaar vervoer.

Ingevolge het vierde lid, voor zover hier van belang, kunnen burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid:

a. indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of

b. voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien.

2.2.2. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de parkeerbehoefte als gevolg van de realisering van het bouwplan 93 parkeerplaatsen bedraagt en heeft daarbij de parkeernormen zoals neergelegd in de gemeentelijke Nota Parkeren en Stallen 2006 (hierna: de Parkeernota) gehanteerd. De Parkeernota gaat uit van een richtlijn voor vrije sectorwoningen (midden/laag) van 1,7 parkeerplaats per woning en een norm voor sociale huurwoningen van 1,4 parkeerplaats per woning. Niet in geschil is dat sprake is van 19 sociale huurwoningen en 45 vrije sectorwoningen (midden/laag). Uitgaande van voormelde parkeernormen dient het bouwplan in beginsel te voorzien in 103,1 parkeerplaatsen. Het college heeft zich evenwel op het standpunt gesteld dat, nu het bouwplan is gelegen op minder dan 400 meter van een hoogwaardige openbaar vervoersvoorziening (een tramhalte), volgens de Parkeernota een correctie van 10 % mag worden toegepast, waarmee de parkeerbehoefte als gevolg van het bouwplan op 93 parkeerplaatsen komt.

De rechtbank heeft ten aanzien van de door het college toegepaste korting terecht overwogen dat, nu de tramhalte ten tijde van belang was verplaatst en daardoor niet meer op minder dan 400 meter van het bouwplan is gelegen, deze korting niet kon worden toegepast.

Voor verrekening van de parkeernormen van de bestaande functie, te weten 72 duplexwoningen, met die van het bouwplan is, anders dan Vestia Groep betoogt, geen plaats. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 29 maart 2006 in zaak nr. 200504312/1) dient bij vervangende nieuwbouw slechts rekening te worden gehouden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van het realiseren van het bouwplan ten opzichte van de reeds bestaande parkeerbehoefte vanwege het te slopen pand. De Afdeling heeft voorts in de uitspraak van 23 februari 2011 in zaak nr. 201003683/1, waar Vestia Groep zich op beroept, overwogen dat verrekening bij grote bouwplannen, waaronder de onderhavige moet worden begrepen, mogelijk is, indien aan de verrekening een goede motivering met een verkeerskundig onderzoek ten grondslag is gelegd. Nu echter sprake is van een complete herinrichting van het onderhavige gebied waarbij onder meer is voorzien in nieuwe straten en voorts onduidelijkheid bestaat over de bestaande parkeerbehoefte en het aantal bestaande parkeerplaatsen, doet zich in het onderhavige geval geen situatie voor waarin kan worden gesproken van vervangende nieuwbouw waarvoor de parkeerbehoefte van de vorige functie mag worden afgetrokken van de aan het nieuwe bouwplan toe te rekenen parkeerbehoefte.

Uit het voorgaande volgt dat het bouwplan dient te voorzien in, afgerond, 103 parkeerplaatsen. Nu op het eigen terrein slechts in 58 parkeerplaatsen is voorzien is het bouwplan in strijd met artikel 2.5.30, eerste lid, van de bouwverordening.

2.2.3. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat op andere wijze in de nodige parkeerruimte kan worden voorzien. Het bouwplan voorziet naast de 58 parkeerplaatsen op het eigen terrein in acht parkeerplaatsen geprojecteerd aan de kop van de voormalige Ceramstraat. Ten aanzien van de daarnaast nog benodigde parkeerplaatsen heeft het college overwogen dat naar aanleiding van gemeentelijke (nacht)parkeertellingen in 2007, die hebben plaatsgevonden nadat het bouwplan reeds was gerealiseerd en waarin de parkeereffecten van de realisering van het bouwplan zijn begrepen en waaruit bleek van een hoge parkeerdruk, 30 parkeerplaatsen zijn aangelegd in de Indische Buurt. Het college heeft voorts gewezen op de Parkeernota en de omstandigheid dat het ingevolge deze nota ontheffing kan verlenen op basis van een vooraf te sluiten parkeerovereenkomst, dat een dergelijke overeenkomst in het onderhavige geval ingehouden zou hebben dat het college zich zou hebben verplicht op kosten van de vergunninghouder additionele parkeerplaatsen in de wijk binnen redelijke termijn aan te leggen en dat met de in de omgeving aangelegde parkeerplaatsen de gevolgen van een parkeerovereenkomst feitelijk zijn gerealiseerd.

De rechtbank heeft, anders dan Vestia Groep betoogt, terecht overwogen dat geen sprake is van een parkeerovereenkomst. Artikel 16 van de door Vestia Groep overgelegde overeenkomst tussen de gemeente Delft en Vestia Groep is onvoldoende concreet om als zodanig te worden aangemerkt. Daargelaten het antwoord op de vraag of alle 30 door het college gestelde parkeerplaatsen daadwerkelijk in de omgeving zijn aangelegd en het antwoord op de vraag of deze als redelijke alternatieve parkeerplaatsen kunnen worden aangemerkt, is voorts met het aantal van 30 parkeerplaatsen niet in de, naast de acht parkeerplaatsen aan de kop van de voormalige Ceramstraat, nodige resterende parkeerruimte van 37 parkeerplaatsen voorzien. Hieruit volgt dat de rechtbank het besluit op bezwaar van 6 april 2009 terecht heeft vernietigd, nu het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat op andere wijze dan op het eigen terrein in de benodigde parkeerruimte wordt voorzien.

Het betoog faalt.

2.3. Vestia Groep en het college betogen voorts dat de rechtbank ten onrechte zelf in de zaak heeft voorzien door de bouwvergunning voor het reeds gerealiseerde bouwplan te weigeren.

2.3.1. Nu niet op voorhand vast staat dat het college in het nieuw te nemen besluit op bezwaar niet alsnog ontheffing van artikel 2.5.30, eerste lid, van de bouwverordening zal kunnen verlenen, bijvoorbeeld door toepassing van de bevoegdheid als bedoeld in artikel 2.5.30, vierde lid, aanhef en onder a, van de bouwverordening, heeft de rechtbank ten onrechte zelf in de zaak voorzien door het besluit van 7 maart 2005 te herroepen en de door Ceres Projecten aangevraagde bouwvergunning te weigeren. De aangevallen uitspraak komt in zoverre voor vernietiging in aanmerking.

Het betoog slaagt.

2.4. De hoger beroepen van Vestia Groep en het college zijn gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover de rechtbank zelf in de zaak heeft voorzien door het besluit van 7 maart 2005 te herroepen en de door aangevraagde bouwvergunning te weigeren. De aangevallen uitspraak dient voor het overige te worden bevestigd.

2.5. Redelijke toepassing van artikel 54, eerste lid, van de Wet op de Raad van State brengt met zich dat het in hoger beroep betaalde griffierecht door de secretaris van de Raad van State aan Vestia Groep wordt terugbetaald.

2.6. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de hoger beroepen gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 12 januari 2011 in de zaak nr. 10/3140, voor zover de rechtbank zelf in de zaak heeft voorzien door het besluit van 7 maart 2005 te herroepen en de door aangevraagde bouwvergunning te weigeren;

III. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

IV. gelast dat de secretaris van de Raad van State aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Vestia Groep B.V. het door haar voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 454,00 (zegge: vierhonderdvierenvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. C.J.M. Schuyt, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Kos, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Kos

Voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 november 2011

580.