Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU3759

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-11-2011
Datum publicatie
09-11-2011
Zaaknummer
201101691/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij onderscheiden besluiten van 4 juli 2008 heeft het college besloten vrijstelling en bouwvergunning te verlenen aan [appellant] voor het bouwen van een showroom, kantoor en kantine in de vorm van een uitbouw aan de voorzijde van de bestaande bedrijfshal op het perceel [locatie A] te Dirkshorn en voor de bouw van een nieuwe opslagloods achter het perceel [locatie B] te Dirkshorn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201101691/1/H1.

Datum uitspraak: 9 november 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Dirkshorn, gemeente Harenkarspel,

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 23 december 2010 in zaken nrs. 09/1423 en 09/1671 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Harenkarspel.

1. Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 4 juli 2008 heeft het college besloten vrijstelling en bouwvergunning te verlenen aan [appellant] voor het bouwen van een showroom, kantoor en kantine in de vorm van een uitbouw aan de voorzijde van de bestaande bedrijfshal op het perceel [locatie A] te Dirkshorn en voor de bouw van een nieuwe opslagloods achter het perceel [locatie B] te Dirkshorn.

Bij besluit van 16 juni 2009 heeft het college de door [bezwaarmaker A], [bezwaarmaker B] en [bezwaarmaker C] daartegen gemaakte bezwaren gegrond verklaard en de besluiten van 4 juli 2008 herroepen en de vrijstelling en bouwvergunning voor beide bouwplannen alsnog geweigerd.

Bij uitspraak van 23 december 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 februari 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 1 maart 2011.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, hebben [bezwaarmakers] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 september 2011, waar [appellant], bijgestaan door R.F. Bos, en het college, vertegenwoordigd door mr. J.C. Been en M.H. Bakker, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting, [bezwaarmaker A] en [bezwaarmaker B], bijgestaan door mr. X. Visscher, advocaat te Alkmaar, verschenen.

2. Overwegingen

2.1. [appellant] exploiteert een garagebedrijf en wenst zijn bedrijf volledig te verplaatsen naar het perceel [locatie A]. Het bouwplan op dit perceel voorziet in een uitbouw aan de voorzijde van een bestaande bedrijfshal, waarin een showroom, kantoor en kantine worden gerealiseerd. Voorts wil [appellant] achter het perceel [locatie B] een opslagloods voor het stallen van schadeauto's realiseren.

2.2. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Dirkshorn na 1e herziening" rust op de gronden waarop de showroom is voorzien de bestemming "Bedrijven met bijbehorende erven". Niet in geschil is dat het gebruik van de showroom, kantoor en kantine in overeenstemming met de bestemming is. Dit bouwplan overschrijdt echter het op de plankaart aangegeven bouwblok en is in zoverre dan ook in strijd met het bestemmingsplan. De beoogde opslagloods op het perceel achter de [locatie B] is eveneens in strijd met het bestemmingsplan, omdat deze is voorzien op gronden met de bestemming "Agrarische doeleinden (onbebouwd)". Deze gronden zijn bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf.

2.3. Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling van het bestemmingsplan verlenen in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur voor de ruimtelijke ordening, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf hun verklaring is vereist dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge het eerste lid, voor zover thans van belang, wordt onder een goede ruimtelijke onderbouwing bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel gemotiveerd, waarom het te realiseren project binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied past.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college in redelijkheid vrijstelling en bouwvergunning voor het bouwplan op het perceel aan de [locatie A] heeft kunnen weigeren. In dit verband voert hij aan dat volgens hem aan dit bouwplan een goede ruimtelijke onderbouwing ten grondslag ligt. Hierbij dient volgens hem in aanmerking te worden genomen dat het bouwplan enkel in strijd is met bouwvoorschriften en niet met het ingevolge het bestemmingsplan toegestane gebruik. Verder zal de bebouwing na realisering van het bouwplan dichter bij de voorgevelrooilijn gelegen zijn, waardoor een gelijkmatiger straatbeeld zal ontstaan dan thans het geval is, aldus [appellant]. Voorts voert hij aan dat de privacy van de naastgelegen percelen eerder zal toenemen dan afnemen en de beëindiging van het opstellen van auto's op de parkeerplaats aan de voorzijde van de huidige showroom planologisch een verbetering is.

2.4.1. Ten behoeve van het bouwplan is een ruimtelijke onderbouwing opgesteld. Hierin is het project en het geldend en toekomstig planologische beleid beschreven en aandacht besteed aan de milieuaspecten en de gevolgen van het project. Daarbij is ingegaan op de verandering van het aanzicht van het bebouwingslint aan de Raadhuisstraat en de vermindering van uitzicht en daglichttoetreding op de percelen [locatie C] en [locatie D] als gevolg van de bouw van de showroom. De conclusie van de ruimtelijke onderbouwing is dat het bouwplan ruimtelijk aanvaardbaar is. Het college heeft zich in het besluit van 4 juli 2008 zonder nadere motivering bij deze ruimtelijke onderbouwing aangesloten.

2.4.2. Het college heeft zich bij zijn besluit om na heroverweging alsnog vrijstelling te weigeren, gebaseerd op het advies van de bezwaarschriftencommissie en aan dit besluit ten grondslag gelegd, dat het in zijn algemeenheid vestiging of versterking van een bedrijf of functies waarvan hier sprake is binnen een dorpskern, uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening onwenselijk acht en daarom zoveel mogelijk weert. De bestaande situatie dient volgens het college vanuit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening reeds als onwenselijk beschouwd te worden. Van belang is verder dat de showroom is voorzien aan de voorzijde van het perceel [locatie A], waar voorheen niet gebouwd mocht worden. Daarnaast wordt de ruimtelijke uitstraling door de bouwmassa van het pand groter. De ruimtelijke onderbouwing is volgens het college ontoereikend om als motivering te dienen van de afwijking van het bestemmingsplan.

2.4.3. De rechtbank heeft terecht als uitgangspunt van de door haar te verrichten toetsing genomen, dat het karakter van de bezwaarschriftprocedure met zich brengt dat het college het primaire besluit dient te heroverwegen op grond van het ingediende bezwaar en daarbij niet is gebonden aan zijn aanvankelijke beslissing. Het college heeft evenwel niet genoegzaam gemotiveerd waarom de aanvankelijk akkoord bevonden ruimtelijke onderbouwing bij nader inzien ontoereikend is. Dat, zoals het college heeft aangevoerd, geen beleid is geformuleerd, bijvoorbeeld in de vorm van een structuurplan, waarin realisering van dit bouwplan mogelijk wordt gemaakt, brengt niet mee dat het bouwplan reeds daarom in ruimtelijk opzicht als onwenselijk moet worden beschouwd. Voorts is van belang dat het college blijkens het besluit op bezwaar, uitdrukkelijk het volgens hem ongewenste bedrijfsmatig gebruik van het perceel aan de weigering ten grondslag heeft gelegd, terwijl het gebruik van het perceel ten behoeve van een autobedrijf als zodanig is opgenomen in het bestemmingsplan en niet is gebleken van concrete voornemens om dit plan in zoverre te herzien. Daarnaast is, zoals reeds was aangegeven in het besluit van 4 juli 2008, niet gebleken dat het bouwplan in strijd is met enige ter zake van de verlening van vrijstellingen gehanteerde beleidsregels. Verder is, zoals is geïllustreerd ter zitting aan de hand van foto's, de huidige bebouwing op het perceel [locatie A] verder naar achter gelegen dan de overige langs de Raadhuisstraat gelegen bebouwing in de nabijheid, zodat de denkbeeldige rooilijn ter hoogte van de met het bouwplan beoogde nieuwe voorgevel dichter bij de voorgevelrooilijn van de bestaande bebouwing komt te liggen dan thans het geval is. Het college heeft onvoldoende gemotiveerd waarom door realisering van het bouwplan geen gelijkmatiger straatbeeld ontstaat dan in de bestaande situatie. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank niet onderkend dat het college niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom het geen medewerking wenst te verlenen aan vrijstelling ten behoeve van het bouwplan op het perceel [locatie A].

Het betoog slaagt.

2.5. Verder betoogt [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet in redelijkheid vrijstelling en bouwvergunning voor de loods op het perceel [locatie B] heeft kunnen weigeren, omdat hij heeft meegewerkt aan aanpassingen aan de voorziene loods, naar aanleiding van tegen dit bouwplan ingediende zienswijzen.

2.5.1. Aanpassing van een bouwplan, onder meer om te kunnen voldoen aan redelijke eisen van welstand, betekent niet dat daarmee de afwijking van het bestemmingsplan aanvaardbaar is. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat realisering van een loods voor bedrijfsmatige doeleinden op agrarisch bestemde gronden op een bouwlocatie die niet grenst aan het bebouwingslint, ruimtelijk ongewenst is. Dat door realisering van het bouwplan een door [appellant] gestelde bestaande, en slechts door overgangsrecht beschermde situatie wordt gelegaliseerd en in ruimtelijk opzicht verbetert, wat daar verder van zij, maakt dit niet anders, reeds omdat deze situatie niet ziet op het gedeelte van het perceel waar het bouwplan zal worden gerealiseerd. Dat gedeelte is bestemd voor agrarisch gebruik en thans in overeenstemming met het bestemmingsplan onbebouwd. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat het college in redelijkheid voor deze loods vrijstelling heeft kunnen weigeren.

Het betoog faalt.

2.6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover het betrekking heeft op het bouwplan op het perceel [locatie A]. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 16 juni 2009 van het college in zoverre alsnog gegrond verklaren en dit besluit in zoverre wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht vernietigen. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevallen, dient voor het overige te worden bevestigd.

2.7. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 23 december 2010 in zaken nrs. 09/1423 en 09/1671, voor zover het betrekking heeft op het bouwplan op het perceel [locatie A];

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep in zoverre gegrond;

IV. vernietigt het besluit van 16 juni 2009 kenmerk VRO/2009/6368, voor zover het betrekking heeft op het bouwplan op het perceel [locatie A];

V. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Harenkarspel tot vergoeding van de bij [appellant] in verband met de behandeling van het hoger beroep en beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 759,00 (zegge: zevenhonderdnegenenvijftig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat de gemeente Harenkarspel aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 374,00 (zegge: driehonderdvierenzeventig euro) voor de behandeling van het beroep en hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van staat.

w.g. Bijloos w.g. Lodder

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 november 2011

357-700.