Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU3753

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-11-2011
Datum publicatie
09-11-2011
Zaaknummer
201004236/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 maart 2010 heeft het college aan [vergunninghouders] (hierna tezamen en in enkelvoud: [vergunninghouder]) een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een vleesvarkenshouderij aan de [locatie A] en [locatie B] te Heide. Dit besluit is op 19 maart 2010 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet geurhinder en veehouderij
Wet geurhinder en veehouderij 2
Wet geurhinder en veehouderij 3
Wet geurhinder en veehouderij 6
Wet geurhinder en veehouderij 10
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2012/135
Milieurecht Totaal 2012/3682

Uitspraak

201004236/1/M2.

Datum uitspraak: 9 november 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Heide, gemeente Venray,

en

het college van burgemeester en wethouders van Venray,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 maart 2010 heeft het college aan [vergunninghouders] (hierna tezamen en in enkelvoud: [vergunninghouder]) een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een vleesvarkenshouderij aan de [locatie A] en [locatie B] te Heide. Dit besluit is op 19 maart 2010 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 april 2010, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 27 mei 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: de StAB) heeft op 25 november 2010 desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

[appellant] en het college hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

Vergunninghouder heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 maart 2011, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. E.F.J.A.M. de Wit, en het college, vertegenwoordigd door ing. J. Schepen en ing. F. Denen, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is als partij gehoord [vergunninghouder], vertegenwoordigd door [gemachtigde].

Na het sluiten van het onderzoek heeft de Afdeling het onderzoek heropend. De StAB heeft desverzocht op 7 juni 2011 nogmaals een deskundigenbericht uitgebracht.

[appellant] en [vergunninghouder] hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

Nadat partijen bij brieven van 6 oktober 2011, 14 oktober 2011 en 17 oktober 2011 daartoe toestemming als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht hebben verleend, heeft de Afdeling bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in artikel 1.2, tweede lid, van de Invoeringswet Wabo, volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding. In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij invoering van de Wabo werden gewijzigd.

2.2. Bij het bestreden besluit is vergunning verleend voor onder meer het houden van 1.002 vleesvarkens in stal 2, 546 vleesvarkens in stal 3 en 1.920 vleesvarkens in stal 4.

2.3. Ingevolge artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover hier van belang, kan geen beroep worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht.

[appellant] heeft geen zienswijzen naar voren gebracht met betrekking tot geluidhinder en luchtemissie. Nu niet is gebleken dat redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hierover geen zienswijzen naar voren zijn gebracht, zijn de hierop betrekking hebbende beroepsgronden niet-ontvankelijk.

2.4. [appellant] heeft zich in het beroepschrift, wat de gronden over fijnstof, ongedierte en waardedaling van zijn woning betreft, beperkt tot het verwijzen naar de over het ontwerp van het besluit naar voren gebrachte zienswijzen. In het bestreden besluit heeft het college zijn reactie daarop gegeven. [appellant] heeft in het beroepschrift noch ter zitting redenen aangevoerd waarom deze reactie onjuist zou zijn.

Deze beroepsgronden falen.

2.5. [appellant] stelt dat de woning aan de Heidseschoolweg 1a ten onrechte niet is meegenomen in de beoordeling van de geurbelasting vanwege de inrichting. Daartoe voert [appellant] aan dat het een burgerwoning is die niet tot de inrichting behoort.

2.5.1. Ingevolge artikel 1 van de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: de Wet geurhinder) is een geurgevoelig object een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt.

2.5.2. Alleen voor geur gevoelige objecten die geen onderdeel uitmaken van de inrichting waarvoor vergunning wordt aangevraagd, kunnen voor bescherming in aanmerking komen. De Wet geurhinder beoogt immers uitsluitend de gevolgen van een inrichting voor haar omgeving te reguleren, zodat de eigen geurgevoelige objecten niet worden beschermd tegen geurhinder van de eigen dierenverblijven.

2.5.3. De desbetreffende woning behoort, gezien de tekening behorende aanvraag met nummer 9519-2, tot de inrichting, zodat deze geen bescherming toekomt tegen geuremissie afkomstig van die inrichting. Het college heeft de woning Heidseschoolweg 1a derhalve terecht niet betrokken bij de beoordeling van geurhinder vanwege de inrichting.

De beroepsgrond faalt.

2.6. [appellant] voert aan dat de berekeningen van de geurbelasting vanwege de inrichting niet conform de Wet geurhinder is uitgevoerd. Het college heeft onder meer de geurbelasting vanwege de inrichting van omliggende geurgevoelige objecten, waaronder de woning van [appellant], onderschat, doordat het is uitgegaan van een te hoge uittreesnelheid uit de verspreid liggende ventilatoren van de stallen 2 en 3 van de inrichting, aldus [appellant].

2.6.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wet geurhinder betrekt het bevoegd gezag bij een beslissing inzake de vergunning voor het oprichten of veranderen van een veehouderij de geurhinder door de geurbelasting vanwege tot veehouderijen behorende dierenverblijven uitsluitend op de wijze als aangegeven bij of krachtens de artikelen 3 tot en met 9.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, onder b, van de Wet geurhinder wordt een vergunning voor een veehouderij geweigerd indien de geurbelasting van die veehouderij op een geurgevoelig object, gelegen binnen een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom meer bedraagt dan 14,0 odour units per kubieke meter lucht.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Wet geurhinder, voor zover hier van belang, kan bij gemeentelijke verordening worden bepaald dat binnen een deel van het grondgebied van de gemeente een andere waarde van toepassing is dan de desbetreffende waarde, genoemd in artikel 3, eerste lid, met dien verstande dat deze andere waarde voldoet aan de in deze bepaling gestelde voorwaarden.

2.6.2. Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de door de gemeenteraad van Venray in 2008 vastgestelde 'Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Venray' (hierna: de geurverordening) geldt voor het gebied, waarbinnen de woning van [appellant] aan de [locatie] te Heide is gelegen, niet een andere geurnorm dan die welke hiervoor is genoemd in artikel 3 van de Wet geurhinder, namelijk 14,0 odour units per kubieke meter lucht.

[appellant] heeft dit niet bestreden.

2.6.3. Ingevolge artikel 10, aanhef en onder a, van de Wet geurhinder in samenhang met artikel 2, eerste lid, van de Regeling geurhinder en veehouderij wordt de geurbelasting van een veehouderij berekend met inachtneming van het verspreidingsmodel 'V-Stacks vergunning' (hierna: het verspreidingsmodel).

2.6.4. In het verspreidingsmodel is voor een situatie met verspreid liggende ventilatoren en een verticale uitstroomopening, zoals het geval is bij de stallen 2 en 3 van de inrichting, een standaardwaarde opgenomen voor de uittreesnelheid van 4,0 m/s.

2.6.5. In de geurverspreidingsberekening bij de aanvraag is uitgegaan van uittreesnelheden ter plaatse van stal 2 en 3 van de inrichting van 9,59 m/s onderscheidenlijk 6,53 m/s en als gevolg daarvan ter plaatse van de woning van [appellant] van een geurbelasting 13,99 odour units per kubieke meter lucht.

2.6.6. Het college acht dit juist en stelt zich op het standpunt dat hoewel doorgaans met betrekking tot ventilatoren als hier aan de orde een uittreesnelheid van 4,0 m/s wordt gehanteerd bij de berekening van de geurbelasting, het hanteren van een andere waarde toelaatbaar is wanneer daarvoor een toereikende technische onderbouwing wordt gegeven.

Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college hiermee geen onjuist uitgangspunt ten grondslag gelegd aan de door hem verrichte beoordeling of in dit geval mag worden gerekend met een uittreesnelheid van 9,59 m/s onderscheidenlijk 6,53 m/s.

2.6.7. Ter onderbouwing van de afwijking van de standaardwaarde bij de uittreesnelheden voor stal 2 en 3 van de inrichting verwijst het college naar de in bijlage A van de aanvraag gegeven berekening.

In bijlage A van de aanvraag zijn de dimensionering van het luchtkanaal/ luchtwasser en de diameter van de uitstroomopening berekend ten behoeve van de geurverspreidingsberekening overeenkomstig V-Stacks.

2.6.8. Een ventilatiesysteem dient volgens het deskundigenbericht van 25 november 2010 onder alle omstandigheden de dieren in een stal van voldoende ventilatielucht te voorzien. De ventilatoren moeten dan ook een zodanige capaciteit hebben dat steeds de maximale ventilatiebehoefte kan worden gerealiseerd. Dit betekent dat lucht in voldoende mate moet worden aangevoerd en afgevoerd.

Factoren die bepalend zijn voor de afvoer van de hoeveelheid lucht door de ventilatoren en daarmee voor de uittreesnelheid, zijn de grootte van de openingen waardoor de lucht wordt afgevoerd en de snelheid van de lucht die door de ventilator gaat. In het ontwerp van een ventilatiesysteem moeten de technische specificaties van de ventilator, waaronder de maximale ventilatiecapaciteit, de maximale ventilatiebehoefte en de grootte van de ventilatieopeningen, dan ook op elkaar zijn afgestemd.

Bijlage A van de aanvraag voorziet volgens dit deskundigenbericht niet in een onderbouwing, waarbij inzicht is gegeven in de redenen waarom, gelet op hiervoor genoemde factoren, van de standaardwaarde kan worden afgeweken.

2.6.9. De Afdeling komt het deskundigenbericht van 25 november 2010 in zoverre niet onjuist voor. Nu een toereikende onderbouwing van de afwijkende waarden voor de uittreesnelheden van de stallen 2 en 3 van de inrichting ontbreekt, moet worden geoordeeld dat de wijze waarop de geurbelasting vanwege de inrichting van omliggende geurgevoelige objecten is berekend niet in overeenstemming is met artikel 2, eerste lid, van de Regeling geurhinder en veehouderij. Als gevolg hiervan kon ten tijde van het nemen van het bestreden besluit niet worden uitgesloten dat de geurbelasting vanwege de inrichting op omliggende geurgevoelige objecten de ingevolge de geurverordening geldende grenswaarden overschrijdt.

Door zich zonder meer te baseren op de berekeningen in de aanvraag, heeft het college in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht bij de voorbereiding van het besteden besluit niet de nodige kennis omtrent de relevante feiten vergaard.

2.6.10. Het beroep is, voor zover ontvankelijk, gegrond. Nu het aspect geur bepalend is voor de beantwoording van de vraag of vergunning kan worden verleend, dient het gehele besluit van 17 maart 2010 te worden vernietigd.

2.7. [vergunninghouder] heeft in reactie op het deskundigenbericht van 25 november 2011 alsnog een ventilatieplan opgesteld, waarin zijns inziens wordt onderbouwd waarom ten aanzien van de stallen 2 en 3 van de standaardwaarde kan worden afgeweken.

De Afdeling ziet daarin aanleiding te beoordelen of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand kunnen worden gelaten.

2.7.1. In stal 3 van de inrichting vindt volgens het ventilatieplan, voor zover hier van belang, de ventilatie plaats door middel van grondkanaalventilatie. In dat geval is volgens de kengetallen van het klimaatplatform, waarnaar [vergunninghouder] in het ventilatieplan verwijst, een maximale ventilatiebehoefte per vleesvarken nodig van 60 m3/ uur. Bij de berekening is uitgegaan van een uitstroomopening met een diameter van 480 millimeter en een ventilator type Fancom 1450P met een waaierdiameter van 496 millimeter. Gelet hierop en na toepassing van een smoorring zijn volgens het ventilatieplan de benodigde ventilatiecapaciteit, ventilatiebehoefte en grootte van de ventilatieopening zodanig op elkaar afgestemd dat een uittreesnelheid van 6,53 m/s kan worden gegarandeerd en derhalve van de standaardwaarde kan worden afgeweken.

2.7.2. Uit de tekeningen behorende bij de aanvraag met nummers 9519-02 onderscheidenlijk 9519-03 in onderlinge samenhang bezien volgt dat, anders dan het ventilatieplan vooronderstelt, de constructie van het ventilatiesysteem niet kan worden aangemerkt als grondkanaalventilatie maar als plafondventilatie. In stal 3 van de inrichting wordt namelijk, aldus het deskundigenbericht van 7 juni 2011, op de afdelingen waar de vleesvarkens zich bevinden de lucht niet direct bij de dieren gebracht door middel van openingen in de vloer, maar komt de lucht volgens de aangevraagde situatie door de openingen aan de zuidzijde van de stal het luchtkanaal binnen en mondt zij uit in roosters in de vloer van de dienstgang waarna zij door roosters in het plafond naar de ruimte boven de afdelingen wordt geleid. Het aangebrachte plafond boven de afdelingen is een luchtdoorlatend plafond, waardoor de lucht naar de dierplaatsen gaat.

Uit het deskundigenbericht van 7 juni 2011 blijkt tevens dat vanwege de constructie van het ventilatiesysteem en omdat als gevolg daarvan de warme lucht door het ventilatieplafond geforceerd naar de dieren wordt geleid, van een maximale ventilatiebehoefte van 80 m3/s per vleesvarken dient te worden uitgegaan. In de reactie op het deskundigenbericht van 7 juni 2011 heeft [vergunninghouder] naar voren gebracht dat van een lagere ventilatiebehoefte van 60 m3/s per vleesvarken kan worden uitgegaan, omdat een balansklep wordt gehanteerd. De Afdeling ziet in hetgeen [vergunninghouder] stelt geen aanleiding het deskundigenbericht in zoverre onjuist te achten, nu de stellingname van [vergunninghouder] niet afdoet aan het feit dat het aangevraagde en vergunde ventilatiesysteem ertoe noopt dat de lucht eerst onder de stal wordt doorgevoerd alvorens zij naar het luchtdoorlatend plafond wordt geleid. [vergunninghouder] heeft niet aannemelijk gemaakt dat van een maximale ventilatiebehoefte van 60 m3/s per vleesvarken kan worden uitgegaan.

2.7.3. Uit het stelsel van de Wet milieubeheer volgt dat het bevoegde gezag dient te beslissen op de aanvraag zoals die is ingediend. In bijlage E van de aanvraag, die onderdeel uitmaakt van het bestreden besluit, is voor stal 3 van de inrichting een detailtekening weergegeven van de uitstroomopening. Deze uitstroomopening heeft aan de bovenzijde een diameter van 480 millimeter. De daaraan gekoppelde afvoerpijp heeft een diameter van ongeveer 400 millimeter. In het ventilatieplan heeft [vergunninghouder] dit miskend door van een grotere diameter uit te gaan corresponderend met de waaierdiameter van 496 millimeter.

Uitgaande van een maximale ventilatiecapaciteit van 80 m3/s per vleesvarken en een diameter van ongeveer 400 millimeter zal volgens het deskundigenbericht van 7 juni 2011 het drukverlies veel groter zijn dan het maximale drukverlies dat de aangevraagde en vergunde ventilator aan kan. Dit zal een verdergaande afname van de luchtverplaatsing tot gevolg zal hebben.

2.7.4. Gezien het vorenstaande heeft [vergunninghouder] niet aannemelijk gemaakt dat de uittreesnelheid van 6,53 m/s daadwerkelijk kan worden gerealiseerd en dat derhalve het afwijken van de standaardwaarde toelaatbaar is. De Afdeling ziet reeds hierom geen aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.

2.8. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het betrekking heeft op geluidhinder en de emissie van koolstofdioxide (CO2);

II. verklaart het beroep gegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Venray van 17 maart 2010, kenmerk mila080017;

IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Venray tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.311,00 (zegge: dertienhonderdelf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Venray aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.L.J. Drouen, ambtenaar van staat.

w.g. Drupsteen w.g. Drouen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 november 2011

375-685.