Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU3750

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-11-2011
Datum publicatie
09-11-2011
Zaaknummer
200907593/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 juli 2009 heeft de raad het bestemmingsplan en exploitatieplan "Regionaal Bedrijvenpark Laarakker" (hierna: het RBL) vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2011/95 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
JM 2012/3 met annotatie van Y. Flietstra
JOM 2012/137
Gst. 2012/18
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/2946

Uitspraak

200907593/1/R4.

Datum uitspraak: 9 november 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de vereniging Milieuvereniging Land van Cuijk, gevestigd te Mill, gemeente Mill en Sint Hubert, en de stichting Stichting Brabantse Milieufederatie, gevestigd te Tilburg (hierna tezamen en in enkelvoud: de milieuvereniging),

2. [appellant sub 2 A] en [appellante sub 2 B], wonend te Haps, gemeente Cuijk (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2]),

3. [appellant sub 3] en anderen, wonend te Haps, gemeente Cuijk (hierna: [appellant sub 3] en anderen),

4. de vereniging Afdeling Cuijk van de Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie, gevestigd te Heijen, gemeente Gennep (hierna: ZLTO),

en

de raad van de gemeente Cuijk,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 juli 2009 heeft de raad het bestemmingsplan en exploitatieplan "Regionaal Bedrijvenpark Laarakker" (hierna: het RBL) vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben de milieuvereniging bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 oktober 2009, [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 oktober 2009, [appellant sub 3] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 oktober 2009, en ZLTO bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 oktober 2009, [appellant sub 5] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 oktober 2009 beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

De milieuvereniging heeft haar zienswijze daarop naar voren gebracht.

De milieuvereniging, [appellant sub 3] en anderen en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 september 2011, waar de milieuvereniging, vertegenwoordigd door drs. [appellant sub 3 B], [appellant sub 3] en anderen, vertegenwoordigd door mr. ing. J.P.J.M. Rouwet, advocaat te Mill, ir. J.R. Brouwer, dr. H. Olden en dr. P.J.T. van Bakel, en de raad, vertegenwoordigd door mr. P.P.A. Bodden en mr. H.J.M. Wingens, beiden advocaat te Nijmegen, drs. J.A. van Antwerpen, mr. R.J. Zwiebel, O.D. de Croon, drs. O.A.M. Bekkers, ir. R. Petens en ir. R.A.H. Cornelis, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

Ingetrokken beroep en beroepsgrond

2.1. Ter zitting hebben [appellant sub 3] en anderen hun beroep, voor zover ingesteld door M.J.W. [appellant sub 3 A], ingetrokken.

Ter zitting heeft de milieuvereniging de beroepsgrond met betrekking tot de dassencompensatie ingetrokken.

Het bestemmingsplan

2.2. Het plan voorziet in een juridisch-planologisch kader voor de realisering van het RBL. Het plangebied ligt in de gemeente Cuijk en bevindt zich ten noordoosten van Haps. Het plangebied wordt in het oosten begrensd door de A73 en de afrit Haps. In het zuiden wordt het plangebied begrensd door de Oeffeltseweg (N264). Ten westen van het plangebied ligt de Cuijkseweg. De noordelijke grens van het plangebied wordt gevormd door de Laarakkerse Waterleiding, een watergang die in oost-westelijke richting door het gebied stroomt.

Belanghebbendheid

2.3. De raad stelt dat het beroep van [appellant sub 3] en anderen niet-ontvankelijk is, voor zover ingesteld door [appellant sub 3 B], [appellant sub 3 C], [appellant sub 3 D] en [appellante sub 3 E], [appellante sub 3 F], [appellant sub 3 G], [appellant sub 3 H], [appellant sub 3 I], [appellant sub 3 J], [appellant sub 3 K], [appellant sub 3 L], [appellant sub 3 M], [appellant sub 3 N], [appellant sub 3 O] en [appellant sub 3 P]. In dit verband voert de raad aan dat deze appellanten niet als belanghebbenden bij het plan kunnen worden aangemerkt gezien de afstand van hun percelen tot het plangebied.

2.3.1. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) kan door een belanghebbende bij de Afdeling beroep worden ingesteld tegen een besluit omtrent vaststelling van een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) wordt verstaan onder belanghebbende: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.3.2. [appellant sub 3 C] woont op een afstand van ongeveer 3.200 meter van het plangebied. Gelet op de aard en omvang van de ruimtelijke ontwikkelingen die door het plan mogelijk worden gemaakt, is deze afstand naar het oordeel van de Afdeling te groot om een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang te kunnen aannemen. Voorts heeft [appellant sub 3 C] geen feiten of omstandigheden aangevoerd in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat ondanks deze afstand een objectief en persoonlijk belang rechtstreeks door het bestreden besluit zou worden geraakt.

De conclusie is dat [appellant sub 3 C] geen belanghebbende is bij het bestreden besluit als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb en dat hij daartegen ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wro, geen beroep kan instellen.

Het beroep van [appellant sub 3] en anderen, voor zover ingesteld door [appellant sub 3 C], is dan ook niet-ontvankelijk.

2.3.3. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting wonen [appellant sub 3 B] en [appellant sub 3 D] en [appellante sub 3 F] op een afstand van onderscheidenlijk 1.100 meter en 3.200 meter van het plangebied. Ter zitting heeft [appellant sub 3 B] onweersproken verklaard verkeershinder van het plan te zullen ondervinden als gevolg van het wegverkeer dat langs zijn woning in Haps zal rijden. Ter zitting is voorts onweersproken verklaard dat [appellant sub 3 D] en [appellante sub 3 F] op enkele honderden meters van het plangebied diverse percelen in tijdelijke pacht hebben. Derhalve is niet uitgesloten dat [appellant sub 3 B] en [appellant sub 3 D] en [appellante sub 3 F] nadelige milieugevolgen van het plan zullen ondervinden.

Gelet hierop, en op de aard en omvang van het plan, dienen [appellant sub 3 B] en [appellant sub 3 D] en [appellante sub 3 F] te worden aangemerkt als belanghebbenden bij het bestreden besluit en is het beroep van [appellant sub 3] en anderen, voor zover door hen ingesteld, derhalve ontvankelijk.

2.3.4. Blijkens de planverbeelding wonen Kiela, [appellant sub 3 G], [appellant sub 3 H], [appellant sub 3 I], [appellant sub 3 J], [appellant sub 3 K], Geurts, [appellant sub 3 M], [appellant sub 3 N], [appellant sub 3 O] en [appellant sub 3 I], anders dan de raad stelt, op een afstand van minder dan 1.000 meter van het plangebied.

Gelet op de aard en omvang van het plan is niet onaannemelijk dat zich op deze afstand nadelige gevolgen van het RBL voor deze appellanten kunnen voordoen. Derhalve dienen deze appellanten te worden aangemerkt als belanghebbenden bij het bestreden besluit en is het beroep van [appellant sub 3] en anderen, voor zover door hen ingesteld, derhalve ontvankelijk.

Milieu-effectrapportage

2.4. De milieuvereniging, [appellant sub 2] en [appellant sub 3] en anderen betogen dat de raad ten onrechte heeft besloten dat geen milieueffectrapport (hierna: MER) opgesteld behoefde te worden voorafgaand aan de vaststelling van het plan. In dit verband betogen zij dat sprake is van bijzondere omstandigheden die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu hebben, zodat een MER nodig is. Voorts betogen zij dat de cumulatieve effecten van het plan op de leefomgeving ten onrechte niet bij de m.e.r.-beoordeling zijn betrokken.

2.4.1. De raad stelt dat ten behoeve van de in het plan voorgenomen activiteit geen MER behoefde te worden opgesteld, aangezien geen sprake is van bijzondere omstandigheden die belangrijke nadelige milieugevolgen voor het gebied hebben.

2.4.2. Ingevolge artikel 7.2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer, zoals deze bepaling luidde ten tijde van het bestreden besluit, worden bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten aangewezen ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij vanwege de bijzondere omstandigheden waaronder zij worden ondernomen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben.

Ingevolge het vierde lid worden ter zake van de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onder b, de categorieën van besluiten aangewezen in het kader waarvan het bevoegd gezag krachtens de artikelen 7.8b of 7.8d moet beoordelen of die activiteiten de in dat onderdeel bedoelde gevolgen hebben, en indien dat het geval is, bij de voorbereiding waarvan een milieueffectrapport moet worden gemaakt.

In artikel 7.8b, eerste lid, is, voor zover hier van belang, bepaald dat het bevoegd gezag een beslissing neemt omtrent de vraag of bij de voorbereiding van het betrokken besluit voor de activiteit, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die zij voor het milieu kan hebben, een milieueffectrapport moet worden gemaakt.

Ingevolge het vierde lid houdt het bevoegd gezag bij zijn beslissing rekening met de in bijlage III bij de richtlijn 85/337/EG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particulieren projecten (PB 1985 L 175), zoals gewijzigd bij richtlijn 2003/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 (PB 2003 L 156) aangegeven omstandigheden.

2.4.3. Niet in geschil is dat de in het plan voorziene activiteit m.e.r.-beoordelingsplichtig is. Er heeft ook een zodanige beoordeling plaatsgevonden.

In het rapport "Regionaal Bedrijvenpark Laarakker in gemeente Cuijk" van RMB van 28 juni 2008, dat heeft geleid tot het m.e.r.-beoordelingsbesluit van 17 november 2008, is onder meer gesteld dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden die belangrijke nadelige milieugevolgen hebben, zodat geen MER behoefde te worden opgesteld. Deze conclusie is bevestigd in het rapport "Nadere onderbouwing aanmeldingsnotitie-m.e.r. Regionaal Bedrijvenpark Laarakker" van Kragten van 23 augustus 2011. In dat rapport is geconcludeerd dat weliswaar potentiële bijzondere omstandigheden aanwezig zijn, maar dat deze omstandigheden niet zodanig zijn dat mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen optreden die nopen tot het opstellen van een MER. Wanneer rekening wordt gehouden met de kenmerken van het project, de plaats van het project, de kenmerken van het potentiële effect en de cumulatie met andere projecten, is volgens laatstgenoemd rapport nog steeds geen sprake van dusdanige omstandigheden dat een MER wel zou moeten worden opgesteld.

De milieuvereniging, [appellant sub 2] en [appellant sub 3] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat de genoemde rapporten zijn gebaseerd op onjuiste aannames en gegevens en dat de raad, gelet op de daarin neergelegde conclusies, niet heeft mogen concluderen dat de betrokken activiteit vanwege de bijzondere omstandigheden waaronder deze wordt ondernomen, geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. Gelet op het voorgaande heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat voor het plan geen MER behoefde te worden opgesteld.

De betogen falen.

Nut en noodzaak

2.5. De milieuvereniging, [appellant sub 2] en [appellant sub 3] en anderen betogen dat de behoefte aan het RBL ontbreekt. Zij voeren hiertoe onder meer aan dat het onderzoeksrapport "Enquête bedrijven Land van Cuijk" van Inbo van 25 oktober 2006, dat dient ter onderbouwing van de behoefte aan het RBL, is gebaseerd op achterhaalde en verouderde gegevens. Wegens onder meer de huidige economische situatie is volgens hen de behoefte aan het bedrijventerrein gering. Voorts is geen rekening gehouden met het aanbod van gerevitaliseerde bedrijventerreinen en andere leegstaande bedrijventerreinen in de omgeving. [appellant sub 3] en anderen hebben in dit verband een contra-expertise van bureau Stogo overgelegd.

2.5.1. De raad stelt dat de nut en noodzaak van het bedrijventerrein met diverse rapporten en onderzoeken is aangetoond. Volgens de raad onderschrijft ook de provincie Noord-Brabant de nut en noodzaak van het bedrijventerrein en is er een lijst met bedrijven die zich op het RBL willen vestigen. Gelet op de bestaande behoefte aan bedrijfskavels kan het plan binnen de planperiode worden gerealiseerd, aldus de raad.

2.5.2. Ten behoeve van het uitwerkingsplan "Landelijke regio Land van Cuijk" van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 21 december 2004 (hierna: het uitwerkingsplan) heeft ETIN een behoefte-onderzoek uitgevoerd. De uitkomst van dit onderzoek is dat er een duidelijke behoefte bestaat aan een bedrijventerrein voor de zwaardere milieucategorieën en met voldoende grote kavels. Uit het onderzoek van Inbo uit 2006 blijkt dat behoefte bestaat aan een regionaal bedrijventerrein. De netto capaciteit van 77 hectare aan kavels op het RBL kan volgens Inbo binnen de planperiode worden gerealiseerd. De raad heeft ter zitting uiteengezet dat provinciaal beleid ten grondslag ligt aan de keuze om juist op dit bedrijventerrein categorie 3-, 4- en 5-bedrijven toe te staan om zodoende elders in de regio de vestiging van bedrijven uit de zwaardere milieucategorieën te voorkomen.

De raad heeft ter zitting verklaard dat de behoefteprognoses voor het RBL zijn gebaseerd op werkgelegenheidsprognoses waarbij zowel de omvang van de kavels als de kwaliteit van de te vestigen bedrijven op het RBL een rol speelt. Voorts heeft de raad ter zitting toegelicht dat ten tijde van het vaststellen van het plan 17 bedrijven geïnteresseerd waren in kavels op het RBL, met een totale oppervlakte van 47,5 hectare. Ter zitting is gebleken dat ten behoeve van het RBL aan de raad een krediet van 25 miljoen euro is verstrekt. Voor zover de kredietcrisis gevolgen zal hebben voor het plan, overweegt de Afdeling dat een lichte achteruitgang in de belangstelling voor kavels op het RBL niet afdoet aan het feit dat ten tijde van het vaststellen van het plan voldoende behoefte aan kavels op het RBL bestond, waarbij een oppervlakte van 53 hectare binnen de planperiode uitgeefbaar is. De milieuvereniging, [appellant sub 2] en [appellant sub 3] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat het plan niet binnen de planperiode kan worden verwezenlijkt.

De betogen falen.

Geluid

2.6. [appellant sub 2] en [appellant sub 3] en anderen betogen dat het in het plan voorziene bedrijventerrein tot geluidoverlast zal leiden, in de vorm van wegverkeerslawaai en industrielawaai. Volgens hen zal de voorkeursgrenswaarde voor industrielawaai van 50 dB(A) als bedoeld in de Wet geluidhinder worden overschreden. [appellant sub 2] voert in dit verband aan dat uit verricht akoestisch onderzoek niet blijkt of zijn perceel is beoordeeld. [appellant sub 3] en anderen voeren aan dat ten onrechte geen aanvullende maatregelen met betrekking tot de reductie van geluidhinder in het plan zijn opgenomen.

2.6.1. De raad stelt dat akoestisch onderzoek is uitgevoerd waarbij onder andere berekeningen op de gevels van de woningen zijn verricht, waarna voor 17 woningen hogere geluidgrenswaarden zijn vastgesteld. Volgens de raad zal het plan niet leiden tot een uit akoestisch oogpunt onaanvaardbare situatie.

2.6.2. De beroepsgronden ten aanzien van de afwijking van de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) en de aanvullende maatregelen met betrekking tot de reductie van geluidhinder zijn aan de orde in de procedure met betrekking tot het bestemmingsplan "Geluidzone Regionaal Bedrijvenpark Laarakker" en het besluit tot vaststelling van hogere waarden.

Zoals de Afdeling overweegt in haar uitspraak van heden in zaak nr. 200907594/1/R4 (www.raadvanstate.nl) is er geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet op de wijze als in zijn besluit van 15 juli 2009 is geschied, toepassing heeft mogen geven aan zijn bevoegdheid om de geluidzone voor het RBL vast te stellen. Gelet hierop ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat bij de vaststelling van het plan voor het RBL met het woon- en leefklimaat van [appellant sub 2] en [appellant sub 3] en anderen onvoldoende rekening is gehouden noch dat de raad het plan uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening anders had moeten vaststellen dan hij heeft gedaan.

De betogen falen.

Verkeersaspecten

2.7. De milieuvereniging en [appellant sub 3] en anderen betogen dat het plan niet voldoet aan de uitgangspunten ten aanzien van verkeer en vervoer uit het uitwerkingsplan. De milieuvereniging, [appellant sub 2] en [appellant sub 3] en anderen betogen, kort samengevat, dat het plan tot te veel verkeershinder voor omwonenden zal leiden.

2.7.1. De raad stelt dat in het plan is gekozen voor een verkeersstructuur die zo weinig mogelijk overlast voor de omgeving oplevert. Het plan leidt volgens de raad niet tot een onevenredige toename van verkeershinder, omdat het verkeer vooral afkomstig is van de A73.

2.7.2. In het uitwerkingsplan zijn de uitgangspunten ten aanzien van verkeer en vervoer opgenomen. Het plangebied wordt voor gemotoriseerd vervoer alleen ontsloten via de N264 aan de zuidzijde van het plangebied, door middel van een nieuwe rotonde, waar in de toekomst de mogelijke randweg rond Haps op kan worden aangesloten. De raad heeft blijkens het deskundigenbericht in een vroegtijdig stadium de relevante infrastructuurbeheerders bij de planontwikkeling betrokken en maatregelen om de bereikbaarheid te waarborgen mogelijk gemaakt.

Blijkens het deskundigenbericht is het aannemelijk dat, gezien het regionale karakter van het RBL en de ligging ervan, het plan meer verkeer genereert van en naar de A73 dan van en naar de kern Haps. Uit de "Verkenning N264. Tussen N277 en de Maas" van Grontmij van 6 juni 2008 (hierna: de verkenning) blijkt dat van een toename van het verkeer op de Kalkhofseweg nauwelijks sprake zal zijn. De verkeersveiligheid van de N264 door Haps en de oversteekbaarheid op de N264 ter hoogte van de basisschool in Haps worden blijkens het deskundigenbericht niet in negatieve zin beïnvloed.

De minister van Infrastructuur en Milieu heeft, in reactie op het deskundigenbericht, waarin kritische kanttekeningen zijn geplaatst bij de aansluiting van het plangebied op de A73, na nadere bestudering van de verkenning, in zijn brief van 20 juli 2011 uiteengezet dat in 2020 extra verkeersdruk nabij de toe- en afrit met de A73 zal plaatsvinden, die voor een groot deel wordt veroorzaakt door het RBL. In de brief is voorts vermeld dat op basis van de gegevens in de verkenning niet kan worden geconcludeerd dat er een afwikkelingsprobleem is met de toe- en afrit van de A73. De verkeersintensiteit op de N264 tussen het RBL richting de A73 bedraagt 1090 motorvoertuigen per uur (hierna: mvt/uur). Vanaf de A73 richting het RBL bedraagt de verkeersintensiteit 869 mvt/uur. Deze intensiteiten geven volgens de minister, anders dan in het deskundigenbericht is vermeld, geen capaciteitsproblemen op wegvakniveau. De inhoud van de brief van de minister is door de milieuvereniging, [appellant sub 2] en [appellant sub 3] en anderen ter zitting in zoverre niet weersproken.

Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de raad zich op het standpunt heeft mogen stellen dat het plan naar verwachting niet zal leiden tot zodanige verkeershinder dat de raad daaraan doorslaggevend gewicht had moeten toekennen.

De betogen falen.

Landschappelijke en cultuurhistorische aspecten - aantasting landelijk gebied

2.8. [appellant sub 2] en [appellant sub 3] en anderen betogen dat de bestemmingen "Bedrijventerrein-1" en "Bedrijventerrein-2" het landelijk gebied en de daar aanwezige waardevolle elementen aantasten. [appellant sub 2] voert in dit verband aan dat door het plan het open landschap met oude boerderijen en monumentale lintbebouwing verloren gaan, evenals een complex akkers dat een historisch-geografisch element van hoge waarde op de CultuurHistorische Waardenkaart van Noord-Brabant is. [appellant sub 3] en anderen betogen dat sprake is van strijd met het provinciaal beleid uit de "Interimstructuurvisie Noord-Brabant. Brabant in ontwikkeling" uit 2008.

2.8.1. De raad stelt dat ter bescherming van de cultuurhistorische waarden diverse maatregelen zijn voorzien. Het beroep van [appellant sub 2] is volgens de raad op dit punt een herhaling van de ingediende zienswijze zonder dat is aangegeven waarom de weerlegging van de zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn. De raad stelt dat het advies van de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten (RACM) een belangrijk element bij het vaststellen van de planregels is geweest.

2.8.2. De Afdeling overweegt dat de raad bij het vaststellen van een plan niet aan provinciaal beleid is gebonden. Wel dient de raad hiermee rekening te houden, hetgeen betekent dat dit beleid in de belangenafweging dient te worden betrokken.

Door het plan verdwijnt het bestaande open landschap van de akkers en de huidige verkaveling. In het deskundigenbericht is vermeld dat door de bestemming "Groen" aan de westzijde van het plangebied de zichtlijn naar de historische kern van Haps behouden blijft. Vanaf meer oostelijk gelegen gronden wordt dit zicht ontnomen door de mogelijkheid van bedrijfsbebouwing. Vanaf de Cuijkseweg en de Oeffeltseweg blijft de lintbebouwing onveranderd. In het "Natuurcompensatieplan Regionaal Bedrijvenpark Laarakker" van Grontmij van 12 juni 2009 (hierna: het natuurcompensatieplan) is vermeld dat de stedelijke invulling van het buitengebied wordt gecompenseerd door elders een kwaliteitsverbetering te bewerkstelligen.

In hetgeen [appellant sub 2] en [appellant sub 3] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling, gelet op het deskundigenbericht, geen aanleiding voor het oordeel dat het plan leidt tot zodanige aantasting van het landelijk gebied dat daaraan door de raad doorslaggevend gewicht had moeten worden toegekend.

De betogen falen.

Landschappelijke en cultuurhistorische aspecten - de Mariamolen

2.9. [appellant sub 2] betoogt dat het RBL leidt tot ernstige aantasting van de belevingswaarde van de Mariamolen en de molenbiotoop.

2.9.1. De raad stelt dat de opgenomen planregels de hoogte van de bebouwing in de omgeving van de molen beperken om zo de windvang van de molen te garanderen.

2.9.2. In de plantoelichting staat dat door middel van een biotoopberekening is berekend wat de maximaal toegestane hoogte van de bebouwing rond de Mariamolen moet zijn in verband met de bescherming van de windvang. Het uitgangspunt is dat binnen een afstand van 100 meter van de voet van de molen geen bebouwing mag worden opgericht die hoger is dan de belt van de molen, die 3 meter hoog is. De bouwhoogte loopt blijkens de formule in artikel 14.3 van de planregels lineair op tot 11 meter op 400 meter afstand. Op de planverbeelding is een molenbiotoop ingetekend als gebiedsaanduiding "vrijwaringszone-molenbiotoop".

In het deskundigenbericht is vermeld dat de bedrijfsbebouwing de windvang niet zal beperken. Het zicht op de molen zal door de realisering van het plan worden beperkt, vooral het zicht vanaf de Schuttersweg en het noordelijke deel van de Mondsestraat. Blijkens de plantoelichting kan afhankelijk van de bebouwing die zal worden gerealiseerd, de beleving van de molen onveranderd blijven. Handhaving van de beleving van en het zicht op de molen is blijkens het deskundigenbericht in ieder geval gewaarborgd voor het zicht vanaf het zuidelijke deel van de Mondsestraat en voor de ten westen hiervan gelegen gronden die de bestemming "Groen" toegekend hebben gekregen.

Gelet op het voorgaande geeft hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad een te gering gewicht heeft toegekend aan de gevolgen van het plan voor de molenbiotoop.

Het betoog faalt.

Landschappelijke en cultuurhistorische aspecten - archeologie

2.10. [appellant sub 2] betoogt dat het plan leidt tot ernstige aantasting van verschillende waardevolle elementen zoals archeologische waardevolle plaatsen en een archeologisch monument. Volgens [appellant sub 2] is naar dit aspect ten onrechte geen onderzoek gedaan. [appellant sub 3] en anderen betogen dat de planregeling onvoldoende bescherming biedt voor archeologische waarden. Zij vrezen vooral dat een slachterij met de benodigde kelders zich zal vestigen juist in dat deel van het plangebied waar het archeologisch monument zich bevindt.

2.10.1. De raad stelt dat in het plan diverse regels zijn opgenomen om archeologische waarden te beschermen. De archeologische waarden worden volgens hem onveranderd in de bodem bewaard. De eventuele vestiging van een slachterij zal het archeologisch monument niet aantasten, aldus de raad.

2.10.2. In artikel 12.1 van de planregels is, voor zover hier van belang, bepaald dat de voor "Waarde-Archeologie" aangewezen gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming, mede bestemd zijn voor:

a. het behoud en de bescherming van de te verwachten archeologische waarden van de gronden;

b. het behoud en de bescherming van het archeologisch monument ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van Waarde - Archeologie - archeologisch monument".

2.10.3. Het plan maakt bebouwing op en bewerking van gronden met archeologische waarden mogelijk. In de planregels zijn voorschriften gesteld ter bescherming van archeologische waarden. Voorts blijkt uit de stukken dat een inventariserend bodemonderzoek is uitgevoerd door middel van boringen vanwege het op grond van de Monumentenwet 1998 beschermde monument in het gebied. Gezien ook hetgeen in het deskundigenbericht is vermeld, is de Afdeling van oordeel dat hetgeen [appellant sub 2] en [appellant sub 3] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het plan niet voorziet in zodanige bescherming van de archeologische waarden binnen het plangebied dat de raad gehouden was het plan in dit opzicht anders vast te stellen dan hij heeft gedaan.

De betogen falen.

Dassencompensatie

2.11. [appellant sub 2], [appellant sub 3] en anderen en ZLTO betogen dat het plan leidt tot ernstige aantasting van het leefgebied van dassen. [appellant sub 2] voert in dit verband aan dat de uitvoering van de voorgenomen compenserende maatregelen onzeker is. [appellant sub 3] en anderen betogen onder meer dat het Plan van aanpak compensatie Das van Grontmij van 16 juni 2009 (hierna: het dassencompensatieplan) summier is, onvoldoende is uitgewerkt en geen zekerheid geeft over de vraag of het verlies aan foerageer- en leefgebieden voldoende wordt gecompenseerd. ZLTO betoogt dat het dassencompensatieplan weinig realistisch is. Het dassencompensatieplan had moeten worden gemaakt in samenspraak met alle partijen en verder had de daarin opgenomen dassencorridor fysiek moeten worden gekoppeld aan de waterberging, aldus ZLTO.

2.11.1. De raad stelt dat in aanvulling op het natuurcompensatieplan het dassencompensatieplan is opgesteld, waarbij de "Integrale dassennota Cuijk. Dás pas leven in Cuijk" van Grontmij van 23 juni 2003 (hierna: de dassennota) als leidraad heeft gefungeerd. De raad stelt dat het plan de mogelijkheid geeft om de verbinding ten noorden van het plangebied te versterken en dat maatregelen worden getroffen om foerageer- en leefgebieden bereikbaar te maken en uitwisseling tussen dassenfamilies mogelijk te maken. Volgens de raad staat de Flora- en faunawet (hierna: de Ffw) niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg.

2.11.2. De das is een beschermde inheemse diersoort als bedoeld in de Ffw. Het oostelijke deel van het plangebied is een dassenleefgebied. De dassennota vermeldt dat door de realisering van het RBL actueel leefgebied voor meerdere dassenfamilies verloren gaat. Om het verlies aan leefgebied voor de das te compenseren is het natuurcompensatieplan opgesteld. Volgens het beginsel "kwaliteit voor kwantiteit" krijgt de compensatie van 60 hectare leefgebied dat verloren gaat haar beslag in de inrichting van het compensatiegebied ten noorden van het RBL, zodat het leefgebied voor de das in de directe omgeving van het plangebied wordt geoptimaliseerd. Blijkens het dassencompensatieplan zijn 15 km aan landschapselementen in de vorm van brede hagen en houtsingels en 3 dassentunnels nodig. De compensatie vanwege het verdwijnen van de bewoonde dassenburcht vindt blijkens het deskundigenbericht plaats door het aanleggen van een 300 meter [appellant sub 3] houtwal met steilrand binnen het plangebied. De verdere uitwerking van de compenserende maatregelen vindt blijkens het deskundigenbericht plaats in overleg met de betrokken grondeigenaren. In de plantoelichting is vermeld dat de aanleg van brede hagen en houtsingels mogelijk niet gerealiseerd kan worden, maar dat hiervoor in de plaats bosjes en weilanden worden aangelegd. De 15 km aan landschapselementen zal in ieder geval worden gerealiseerd, deels in de vorm van lijnvormige landschapselementen, deels (omgerekend) in de vorm van bos dan wel weiland. In het deskundigenbericht is vermeld dat het de bedoeling is de compenserende maatregelen voor dan wel uiterlijk gelijktijdig met de verstorende ingrepen te realiseren.

2.11.3. De vraag of voor de uitvoering van het plan een vrijstelling geldt, dan wel een ontheffing op grond van de Ffw nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komt in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Ffw. Dat doet er niet aan af dat de raad het plan niet had mogen vaststellen, indien en voor zover de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

In het dassencompensatieplan wordt ingegaan op de aanwezigheid van dassen in het plangebied. Gelet op hetgeen in rechtsoverweging 2.11.2 is overwogen, is de Afdeling van oordeel dat de raad heeft mogen concluderen dat is voorzien in voldoende compenserende maatregelen voor het verlies aan foerageer- en leefgebieden voor de das. De raad heeft ter zitting toegelicht dat de aangevraagde ontheffing als bedoeld in artikel 75 van de Ffw inmiddels is verleend.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet op het standpunt heeft mogen stellen dat ten tijde van de vaststelling van het plan niet op voorhand behoefde te worden aangenomen dat het bepaalde in de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

De betogen falen.

Waterhuishouding

2.12. [appellant sub 2] betoogt dat het RBL onvoldoende bergingscapaciteit heeft voor regenwater. Hij is bevreesd voor wateroverlast op onder meer zijn perceel. [appellant sub 3] en anderen betogen dat door het RBL het waterbergend vermogen van het plangebied afneemt. Het rapport "Regionaal Bedrijvenpark Laarakker te Haps Waterhuishoudkundigplan" van Brouwers van 1 juli 2009 (hierna: het waterhuishoudkundig plan) schiet volgens hen tekort in voldoende compenserende maatregelen om wateroverlast te voorkomen. ZLTO betoogt dat een correcte berekening voor de waterbergingscapaciteit buiten het plangebied ontbreekt en dat een onderbouwing van de aangepaste berekening voor de benodigde inundatiecapaciteit niet is verstrekt.

2.12.1. De raad acht de vrees voor wateroverlast ongefundeerd en stelt dat de waterbe[appellant sub 3]n en wateropgave voor het plangebied zijn gewaarborgd. Er is - in samenspraak met het waterschap Aa en Maas - een waterhuishoudkundig plan opgesteld waarbij een watersysteem is ontworpen met voldoende afvoer- en bergingscapaciteit, aldus de raad.

2.12.2. Ingevolge artikel 3.1, aanhef en onder j, van de planregels, voor zover hier van belang, zijn de voor "Bedrijventerrein-1" aangewezen gronden bestemd voor water en waterhuishoudkundige voorzieningen.

Ingevolge artikel 4.1, aanhef en onder p, voor zover hier van belang, zijn de voor "Bedrijventerrein-2" aangewezen gronden bestemd voor water en waterhuishoudkundige voorzieningen.

Ingevolge artikel 5.1, aanhef en onder k, voor zover hier van belang, zijn de voor "Groen" aangewezen gronden bestemd voor water en waterhuishoudkundige voorzieningen.

Ingevolge artikel 6.1, aanhef en onder f, voor zover hier van belang, zijn de voor "Maatschappelijk" aangewezen gronden bestemd voor water en waterhuishoudkundige voorzieningen.

Ingevolge artikel 7.1, aanhef en onder c, voor zover hier van belang, zijn de voor "Natuur" aangewezen gronden bestemd voor water en waterhuishoudkundige voorzieningen.

Ingevolge artikel 8.1, voor zover hier van belang, zijn de voor "Verkeer" aangewezen gronden bestemd voor water en waterhuishoudkundige voorzieningen.

Ingevolge artikel 9.1, voor zover hier van belang, zijn de voor "Water" aangewezen gronden bestemd voor de aanleg en/of instandhouding van waterhuishoudkundige voorzieningen, zoals waterlopen, kaden, kademuren, duikers, sluizen en stuwen.

Ingevolge de artikelen 3.4.2, onder a, en 4.5.2, onder a, voor zover hier van belang, dienen bedrijven op eigen terrein te voorzien in de opvang van hemelwater op de verhardingen, waarbij gerekend moet worden met een minimaal vereiste capaciteit van 0,0275 m3 per m2 verhard oppervlak.

Ingevolge de artikelen 3.4.2, onder b, en 4.5.2. onder b, voor zover hier van belang, dient/dienen in het plangebied een of meerdere wateroppervlakken in het openbaar gebied voor de opvang van hemelwater aangelegd te worden met een totale oppervlakte van minimaal 1.800 m2.

2.12.3. In de plantoelichting is vermeld dat in het kader van duurzaam stedelijk waterbeheer het bestaande grondwater- en oppervlaktewaterregime intact dient te blijven en dat hydrologisch neutraal moet worden gebouwd. De hydrologisch neutrale ontwikkeling van het RBL is opgenomen in het waterhuishoudkundig plan, waarin staat dat rekening moet worden gehouden met de huidige inundatiegebieden die bij een hoge grondwaterstand onderlopen.

In de plantoelichting is voorts vermeld dat ter voorkoming van wateroverlast bij bedrijven in de laaggelegen gebieden, het RBL plaatselijk één meter of meer dient te worden opgehoogd om een minimale ontwateringsdiepte van 0,7 meter voor gebouwen en wegen te garanderen. Met de nieuwe inundatiegebieden resteert een tekort van 3000 m3 berging. In de overeenkomst "Waterberging Regionaal Bedrijvenpark Laarakker" van 13 juli 2009 hebben het waterschap Aa en Maas, de gemeente Cuijk en RBL B.V. vastgelegd dat zij zorg zullen dragen voor de uitvoering van voldoende waterberging voorafgaand aan de feitelijke aanleg en ophoging van het plangebied ten behoeve van de realisering van het RBL. Op grond van de planregels zijn alle gronden binnen het plangebied bestemd voor water en waterhuishoudkundige voorzieningen, zodat het in beginsel overal mogelijk is infiltratievoorzieningen en inundatievoorzieningen te realiseren. In het deskundigenbericht is vermeld dat het, gezien de mogelijkheden die het plan biedt, en de relatief geringe opgave om 3000 m3 waterberging buiten het plangebied te realiseren, waartoe met name de Laarakkerse Waterleiding kan dienen, zelfs indien vergunning zou worden verleend om af te wijken van het bepaalde in de artikelen 3.4.2 en 4.5.2 van de planregels, aannemelijk is dat de totale waterberging die met het plan verloren gaat, volledig kan worden gecompenseerd. In hetgeen [appellant sub 2], [appellant sub 3] en anderen en ZLTO hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding om in zoverre aan de juistheid van het deskundigenbericht te twijfelen. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat niet aannemelijk is gemaakt dat het aan het plan ten grondslag gelegde rekenmodel niet juist is en dat het waterschap Aa en Maas heeft ingestemd met de waterparagraaf van het plan.

Voor zover [appellant sub 2] vernatting van zijngronden vreest, is in het deskundigenbericht vermeld dat de gronden waarop bedrijfsbebouwing plaatsvindt, zullen worden verhoogd. De grondwaterstand zal niet veranderen, omdat het regenwater aan het grondwater wordt toegevoegd door aan te brengen infiltratievoorzieningen. De Laarakkerse Waterleiding behoudt zijn afwaterende werking, aldus het deskundigenbericht. De Afdeling ziet, in hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd, geen aanleiding om in zoverre aan de juistheid van het deskundigenbericht te twijfelen.

Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de raad bij de vaststelling van het plan voldoende rekening heeft gehouden met de waterhuishoudkundige aspecten binnen het plangebied en dat de raad in dit opzicht niet gehouden was het plan anders vast te stellen dan hij heeft gedaan.

De betogen falen.

Milieuaspecten - lucht

2.13. [appellant sub 2] betoogt dat door de vestiging van milieubelastende bedrijven op het RBL en de toename van verkeersbewegingen negatieve gevolgen voor de luchtkwaliteit zullen ontstaan. Het luchtkwaliteitsonderzoek dat aan het plan ten grondslag ligt, is volgens hem uitgevoerd met een verouderde rekenmethode en er is gebruik gemaakt van achterhaalde gegevens met betrekking tot de achtergrondconcentraties. Het aandeel stikstofdioxide (NO2) is hoger dan berekend, aldus [appellant sub 2].

2.13.1. De raad stelt dat uit het verrichte luchtkwaliteitsonderzoek blijkt dat vanaf 2010 geen overschrijding van de wettelijke luchtkwaliteitseisen plaatsvindt. Ondanks dat inmiddels nieuwere meetmethodes beschikbaar zijn, zal over het algemeen de achtergrondconcentratie lager zijn dan ten tijde van het uitgevoerde luchtkwaliteitsonderzoek, aldus de raad.

2.13.2. In het rapport "Regionaal bedrijvenpark Laarakker. Gebiedsinventarisatie" van Grontmij van 30 november 2007 (hierna: de gebiedsinventarisatie) wordt geconcludeerd dat de in de Wet milieubeheer neergelegde grenswaarden voor zwevende deeltjes (PM10) niet worden overschreden en dat in 2010 en 2015 geen sprake is van overschrijdingen van de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2). Ook door de realisering van het RBL ontstaan geen overschrijdingen van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Mede gezien het deskundigenbericht bestaat geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de gehanteerde achtergrondconcentraties in het luchtkwaliteitsonderzoek.

In de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 (hierna: de Regeling), zoals die gold ten tijde van het vaststellen van het plan, zijn de eisen opgenomen voor de berekening van luchtverontreiniging. In het deskundigenbericht is vermeld dat het gebruikte rekenprogramma, Geostacks versie V1.01, voldoet aan de eisen uit de Regeling. Dat een vernieuwde versie van dit rekenmodel is verschenen, betekent op zichzelf niet dat de gehanteerde versie niet ([appellant sub 3]r) voldoende representatief en betrouwbaar is.

In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling, gelet op het voorgaande, geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het plan niet had mogen vaststellen in verband met de gevolgen voor de luchtkwaliteit.

Het betoog faalt.

Milieuaspecten - externe veiligheid

2.15. [appellant sub 2] betoogt dat de externe veiligheidsrisico's zullen toenemen vanwege het (vracht)vervoer van gevaarlijke stoffen en de vestiging van risicovolle bedrijven op het RBL. [appellant sub 3] en anderen betogen dat ten onrechte geen risicoanalyse is gemaakt van het groepsrisico, veroorzaakt door de vestiging van risicovolle bedrijven op het RBL.

2.15.1. De raad stelt dat onderzoek is gedaan naar de risico's op het gebied van externe veiligheid. De raad stelt dat risicovolle bedrijven zich onder voorwaarden mogen vestigen op het RBL. Kwetsbare objecten komen volgens de raad niet binnen de geldende risicocontouren voor het plaatsgebonden risico te liggen. Een verantwoording van het groepsrisico zal in het kader van de verlening van omgevingsvergunningen voor individuele inrichtingen plaatsvinden, aldus de raad.

2.15.2. Ingevolge artikel 5, eerste lid, van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: het Bevi), in samenhang met het tweede lid, voor zover hier van belang, houdt het bevoegd gezag bij de vaststelling van een besluit als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van de Wro, op grond waarvan de bouw of vestiging van beperkt kwetsbare objecten wordt toegelaten, rekening met de richtwaarde, genoemd in artikel 8, tweede lid.

Ingevolge het derde lid, voor zover hier van belang, houdt het bevoegd gezag bij de vaststelling van een besluit als bedoeld in het tweede lid, in afwijking van het tweede lid, rekening met de bij regeling van Onze Minister vastgestelde afstanden tot beperkt kwetsbare objecten, indien dat besluit betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk ligt binnen het invloedsgebied van een inrichting als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, onderdelen a tot en met d.

Ingevolge artikel 8, tweede lid, voor zover hier van belang, is de richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten in een gebied waarvoor een besluit als bedoeld in artikel 5, tweede lid, wordt vastgesteld, 10-6 per jaar.

Ingevolge artikel 12, eerste lid, voor zover hier van belang, wordt, indien het bevoegd gezag een besluit als bedoeld in artikel 4, eerste tot en met vijfde lid, vaststelt, in de motivering van het desbetreffende besluit in elk geval vermeld:

a. de aanwezige dichtheid van personen in het invloedsgebied van de desbetreffende inrichting op het tijdstip waarop dat besluit wordt vastgesteld;

b. het groepsrisico van de inrichting waarop dat besluit betrekking heeft en in een geval als bedoeld in artikel 4, derde lid, tevens de bijdrage van de verandering van de inrichting aan het totale groepsrisico van de inrichting, vergeleken met de kans op een ongeval met 10 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-5 per jaar, met de kans op een ongeval met 100 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-7 per jaar en met de kans op een ongeval met 1000 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-9 per jaar;

c. de mogelijkheden en de voorgenomen maatregelen tot beperking van het groepsrisico in de nabije toekomst;

d. de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval in de inrichting waarop dat besluit betrekking heeft, en

e. de mogelijkheden voor personen die zich bevinden in het invloedsgebied van de inrichting waarop dat besluit betrekking heeft, om zich in veiligheid te brengen indien zich in die inrichting een ramp of zwaar ongeval voordoet.

Ingevolge artikel 13, eerste lid, voor zover hier van belang, wordt, indien het bevoegd gezag een besluit vaststelt als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van de Wro, op grond waarvan de bouw of vestiging van kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten wordt toegelaten, in de toelichting bij of in de ruimtelijke onderbouwing van het desbetreffende besluit verantwoording afgelegd over het groepsrisico.

2.15.3. Ingevolge artikel 1 van de planregels is, voor zover hier van belang, een bouwperceel een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

In artikel 4.5.6 is, voor zover hier van belang, bepaald dat bedrijven en inrichtingen die vallen onder het Bevi mogen worden gevestigd op het bedrijventerrein, met dien verstande dat de 10-6-contour voor het plaatsgebonden risico of - indien van toepassing - de afstand zoals bedoeld in artikel 5, derde lid, van het Bevi in samenhang met artikel 2, eerste lid, van de Regeling externe veiligheid inrichtingen (hierna: de Revi) is gelegen binnen het bouwperceel van de risicovolle inrichting.

2.15.4. Het plan maakt het mogelijk om beperkt kwetsbare objecten - bedrijfswoningen en bedrijfsgebouwen - te realiseren op de gronden met de bestemming "Bedrijventerrein-1" en "Bedrijventerrein-2". Met het oog daarop moet rekening worden gehouden met de afstandseisen uit de Revi. Uit de gebiedsinventarisatie blijkt dat inrichtingen met propaanopslag en een

LPG-tankstation op te grote afstand van het plangebied zijn gelegen om invloed te kunnen hebben op de externe veiligheid, zodat de raad een nadere beoordeling van het veiligheidsrisico met betrekking tot deze bestaande inrichtingen niet nodig heeft hoeven achten.

2.15.5. Uit artikel 4.5.6 van de planregels volgt dat de risicocontour voor het plaatsgebonden risico dan wel de vaste afstand zoals bedoeld in artikel 5, derde lid, van het Bevi dient te liggen binnen het bouwperceel van een risicovolle inrichting. Gelet op hetgeen in rechtsoverweging 2.15.4 is overwogen en gezien de definitie van het begrip bouwperceel in artikel 1 van de planregels, is gewaarborgd dat beperkt kwetsbare objecten, die niet tot de risicovolle inrichting behoren, buiten de 10-6-contour voor het plaatsgebonden risico dan wel buiten de vaste afstand als bedoeld in artikel 5, derde lid, van het Bevi zullen zijn gesitueerd. De omstandigheid dat de ligging van de 10-6-contour dan wel de vaste afstanden als bedoeld in artikel 5, derde lid, van het Bevi niet in het plan zijn vastgelegd, maar pas bij de verlening van omgevingsvergunningen voor individuele inrichtingen dienen te worden bezien, geeft geen aanleiding voor de conclusie dat artikel 4.5.6 van de planregels in zoverre onvoldoende bescherming biedt. De Afdeling ziet daarom geen grond voor het oordeel dat het plan in zoverre is vastgesteld in strijd met artikel 5 van het Bevi.

2.15.6. Zoals de raad terecht heeft gesteld, zal het groepsrisico, gelet op het bepaalde in artikel 12, eerste lid, van het Bevi, in het kader van de beoordeling van omgevingsvergunningen voor individuele inrichtingen moeten worden verantwoord. Nu nog niet vaststaat welke bedrijven zich op het RBL zullen vestigen en waar beperkt kwetsbare objecten binnen het plangebied zullen worden gerealiseerd, zodat een reële invulling van het groepsrisico binnen het plangebied ten tijde van de vaststelling van het plan niet goed mogelijk was, is er geen grond voor het oordeel dat artikel 13 van het Bevi aan de vaststelling van het plan in de weg stond.

2.15.7. De beoordeling van het risico van het vervoer van gevaarlijke stoffen leidt volgens het deskundigenbericht tot de conclusie dat, zowel in de huidige situatie als bij de realisering van het RBL, geen overschrijding plaatsvindt van het plaatsgebonden risico. In het deskundigenbericht is vermeld dat de systematiek van de Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen - die zoveel mogelijk aansluit bij de risiconormering uit het Bevi - op correcte wijze is gevolgd. De Afdeling ziet in het aangevoerde geen aanleiding in zoverre aan de juistheid van het deskundigenbericht te twijfelen.

2.15.8. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de raad zich op het standpunt heeft mogen stellen dat het plan niet leidt tot zodanige externe veiligheidsrisico's dat de raad gehouden was het plan in dit opzicht anders vast te stellen dan hij heeft gedaan.

De betogen falen.

Milieuaspecten - dierziekten

2.16. [appellant sub 3] en anderen betogen dat de vestiging van een slachtbedrijf het risico met zich brengt van de overdracht van dierziekten naar de veehouderijen in de directe nabijheid van het RBL. Het voortbestaan van de onderneming van T. Mooren wordt hierdoor volgens hen bedreigd. De raad had hiernaar onderzoek moeten doen, aldus [appellant sub 3] en anderen.[appellant sub 3] en anderen stellen dat volgens de Gezondheidsdienst voor dieren een afstand van minimaal 300 meter dient te worden aangehouden tot intensieve veehouderijen.

2.1.1. 2.16.1. De raad stelt dat geen wettelijke afstanden bestaan die aangehouden moeten worden tussen intensieve veehouderijen en vleesverwerkende bedrijven. De infrastructuur op het RBL is niet verbonden met wegen ten noorden van het plangebied waardoor op deze wegen ook geen transportbewegingen ten behoeve van het slachtbedrijf zullen plaatsvinden, aldus de raad.

In de omgeving van het te realiseren bedrijventerrein bevinden zich vooral aan de noordzijde enkele intensieve veehouderijen. Op het RBL kunnen volgens de plantoelichting in beginsel activiteiten worden ontplooid waarvan niet is uit te sluiten dat deze - door transportbewegingen - risico op besmettingsgevaar en verspreiding van dierziekten voor de intensieve veehouderijen met zich brengen. Hoewel op gronden met een bedrijfsbestemming bedrijven kunnen worden gevestigd uit de categorie "slachterijen en overige vleesverwerking", zijn blijkens het deskundigenbericht de gevolgen voor de verspreiding van dierziekten als gevolg van veetransporten zeer beperkt, mede gelet op de toegangsroutes tot het RBL en de ligging van de veestallen.

De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de risico's van dierziekten voor de volksgezondheid geen aanleiding geven om het plan anders vast te stellen dan hij heeft gedaan. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de bestrijding van besmettelijke dierziekten zijn regeling primair vindt in andere wetgeving en dat voorts aan de omgevingsvergunning voor de in dit verband relevante inrichtingen voorschriften kunnen worden verbonden die de gevolgen voor de volksgezondheid kunnen voorkomen dan wel beperken. Lange en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat op die manier de risico's voor de volksgezondheid niet afdoende zouden kunnen worden beperkt.

De betogen falen.

Uitvoerbaarheid

2.17. [appellant sub 2] betoogt dat een onvolledig bodemonderzoek is uitgevoerd. Historisch vervuilde locaties, zoals Mondsestraat 4 en Schuttersweg 10, zijn volgens hem niet onderzocht of ontdekt.

2.17.1. De raad stelt dat het uitgevoerde historische bodemonderzoek volledig is.

2.17.2. Ingevolge artikel 3.1.6, eerste lid, aanhef en onder f, van het Besluit ruimtelijke ordening gaan een bestemmingsplan alsmede een ontwerp hiervoor vergezeld van een toelichting, waarin zijn neergelegd de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan.

2.17.3. Uit de gebiedsinventarisatie blijkt dat er uit milieuhygiënisch oogpunt bezien geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het toekomstig gebruik van de locatie als bedrijventerrein. In het ten behoeve van de gebiedsinventarisatie uitgevoerde verkennend bodemonderzoek is geconcludeerd dat weliswaar bodem- en grondwaterverontreiniging aanwezig is, maar dat interventiewaarden die gelden als grens voor ernstige bodemverontreiniging niet worden overschreden. In het deskundigenbericht is vermeld dat gelet op de aard en grootte van de verontreinigde percelen Mondsestraat 4 en Schuttersweg 10 in relatie tot de geringe kans op ernstige bodemverontreiniging niet te verwachten is dat de uitkomsten van nader bodemonderzoek de uitvoerbaarheid van het plan in gevaar zullen brengen. Onder die omstandigheden heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat dit aspect niet in de weg staat aan de uitvoerbaarheid van het plan.

Het betoog faalt.

Het exploitatieplan

2.18. [appellant sub 3] en anderen komen in beroep tegen het besluit tot vaststelling van het exploitatieplan, voor zover dat betrekking heeft op het financiële deel.

2.18.1. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, aanhef en onder h, van de Wro, voor zover hier van belang, kan een belanghebbende bij de Afdeling beroep instellen tegen een besluit omtrent vaststelling van een exploitatieplan voor gronden, begrepen in een gelijktijdig vastgesteld bestemmingsplan.

Ingevolge het vijfde lid, voor zover hier van belang, wordt als belanghebbende bij een besluit als bedoeld in artikel 6.12, eerste en tweede lid, in elk geval aangemerkt degene die een grondexploitatieovereenkomst heeft gesloten met betrekking tot de in het desbetreffende besluit opgenomen gronden, of die eigenaar is van die gronden.

2.18.2. De Afdeling overweegt dat [appellant sub 3] en anderen niet als belanghebbenden bij het exploitatieplan kunnen worden aangemerkt. Daartoe is van belang dat [appellant sub 3] en anderen geen grondexploitatieovereenkomst als bedoeld in artikel 8.2, vijfde lid, van de Wro hebben gesloten met betrekking tot gronden in het plangebied, zij geen eigenaar zijn van gronden in dat gebied en ook anderszins niet is gebleken van be[appellant sub 3]n van [appellant sub 3] en anderen die rechtstreeks betrokken zijn bij de vaststelling van het exploitatieplan.

Het beroep tegen het besluit tot vaststelling van het exploitatieplan is niet-ontvankelijk.

Conclusie

2.19. Het beroep van [appellant sub 3] en anderen tegen het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan, voor zover ingesteld door [appellant sub 3 C], is

niet-ontvankelijk.

2.20. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 3] en anderen, voor zover ontvankelijk, de milieuvereniging, [appellant sub 2] en ZLTO hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

De beroepen zijn, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

2.21. Het beroep van [appellant sub 3] en anderen tegen het besluit tot vaststelling van het exploitatieplan is niet-ontvankelijk.

Proceskosten

2.22. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 3] en anderen tegen het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan "Regionaal Bedrijvenpark Laarakker" niet-ontvankelijk, voor zover ingesteld door [appellant sub 3 C];

II. verklaart de beroepen tegen het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan "Regionaal Bedrijvenpark Laarakker", voor zover ontvankelijk, ongegrond;

III. verklaart het beroep van [appellant sub 3] en anderen tegen het besluit tot vaststelling van het exploitatieplan niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. M.A.A. Mondt-Schouten en drs. W.J. Deetman, leden, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van staat.

w.g. Van Buuren w.g. Klein Nulent

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 november 2011

218-650.