Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU3749

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-11-2011
Datum publicatie
09-11-2011
Zaaknummer
201009220/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 juni 2010 hebben provinciale staten het inpassingsplan "Provinciaal Inpassingsplan De Centrale As" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.26
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2012/117
OGR-Updates.nl 2011-11-22
Milieurecht Totaal 2012/326

Uitspraak

201009220/1/R4.

Datum uitspraak: 9 november 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1A, [appellante sub 1B en [appellante sub 1C], [appellant sub 1D] en [appellante sub 1E] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 1]), alle wonend onderscheidenlijk gevestigd te Hurdegaryp, gemeente Tytsjerksteradiel,

2. Schreiershoek Recreatie, gevestigd te Oostrum, gemeente Dongeradeel,

3. [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 3]), beiden wonend te Hurdegaryp, gemeente Tytsjerksteradiel,

4. [appellant sub 4A en [appellante sub 4B (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 4]), beiden wonend te Noardburgum, gemeente Tytsjerksteradiel,

5. [appellant sub 5], wonend te De Falom, gemeente Dantumadiel,

6. [appellant sub 6A] en [appellante sub 6B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 6]), beiden wonend te Damwâld, gemeente Dantumadiel,

7. It Fryske Gea, gevestigd te Olterterp, gemeente Opsterland, en anderen,

8. [appellant sub 8], wonend te Garyp, gemeente Tytsjerksteradiel,

9. [appellante sub 9], gevestigd te Hurdegaryp, gemeente Tytsjerksteradiel, en anderen,

10. [appellant sub 10], wonend te Damwâld, gemeente Dantumadiel,

appellanten,

en

provinciale staten van Fryslân,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 juni 2010 hebben provinciale staten het inpassingsplan "Provinciaal Inpassingsplan De Centrale As" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], Schreiershoek Recreatie, [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellant sub 6], It Fryske Gea en anderen, [appellant sub 8], [appellante sub 9] en anderen en [appellant sub 10] tijdig beroep ingesteld.

Provinciale staten hebben een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

Schreiershoek Recreatie, It Fryske Gea en anderen, provinciale staten en het college van burgemeester en wethouders van Dongeradeel, mede namens de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Dantumadiel en Tytsjerksteradiel, hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

[appellant sub 1], It Fryske Gea en anderen, [appellante sub 9] en anderen, provinciale staten en het college van burgemeester en wethouders van Dongeradeel, mede namens de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Dantumadiel en Tytsjerksteradiel, hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak, tezamen met zaak nr. 201008544/1/M2, ter zitting behandeld op 15 september 2011, waar [appellant sub 1], van wie [appellant sub 1A] in persoon, bijgestaan door mr. M.J. Smaling, Schreiershoek Recreatie, vertegenwoordigd door J.L. Mewe, [appellant sub 6], vertegenwoordigd door mr. A. Barada, It Fryske Gea en anderen, vertegenwoordigd door mr. R.C.M. Kamsma, mr. J. Nijenhuis, beiden advocaat te Leeuwarden, en mr. ing. E. de Waal, [appellant sub 8], vertegenwoordigd door mr. J. Nijenhuis, advocaat te Leeuwarden, [appellante sub 9] en anderen, eveneens vertegenwoordigd door mr. J. Nijenhuis, advocaat te Leeuwarden, en provinciale staten, vertegenwoordigd door mr. J. Gundelach, mr. M.A.A. Soppe, beiden advocaat te Enschede, S.H. Galema, gedeputeerde, ing. B.H. Boersma, procesmanager verkeer en planologie van De Centrale As, ing. W. de Boer, ing. S.P. Hilarides, ing. J.H. Bruinsma, ing. A.G. Wijnsma, drs. S.B. Douma, ing. S. Hoitinga, allen werkzaam bij de provincie, ing. J. Sijtsma, werkzaam bij de gemeente Tytsjerksteradiel, drs. ing. J.V. Munsterman, werkzaam bij Goudappel Coffeng Adviseurs en ing. J. Eggens, werkzaam bij Noordelijk Akoestisch Adviesburo B.V., zijn verschenen. Voorts zijn als partij gehoord de colleges van burgemeester en wethouders van Dongeradeel, Dantumadiel en Tytsjerksteradiel, gezamenlijk vertegenwoordigd door ir. A. van der Ploeg, wethouder van de gemeente Dongeradeel, R. Bos, wethouder van de gemeente Dantumadiel, drs. H. Rijpstra, wethouder van de gemeente Tytsjerksteradiel, L. Pasveer, werkzaam bij de gemeente Dongeradeel, W. Oosterhuis, werkzaam bij de gemeente Dantumadiel, en P.W. Meinema.

2. Overwegingen

Intrekking beroepsgrond

2.1. Ter zitting heeft [appellant sub 6] de beroepsgrond inzake de bescherming van archeologische waarden ingetrokken.

Het plan

2.2. Het inpassingsplan (hierna: het plan) maakt de aanleg van De Centrale As mogelijk. De Centrale As omvat het traject vanaf de noordelijke rotonde Dokkum (Lauwersseewei) tot Nijega, de rondweg Hurdegaryp en de rondweg Garyp. Het trajectgedeelte tussen de zuidelijke rotonde Dokkum en Nijega en de rondweg Hurdegaryp zijn voorzien als dubbelbaans autoweg (2x2). Het trajectgedeelte tussen de noordelijke rotonde en de zuidelijke rotonde Dokkum en de rondweg Garyp zijn voorzien als enkelbaans autoweg (2x1). Met De Centrale As wordt onder meer een verbetering van de bereikbaarheid, de verkeersveiligheid en de leefbaarheid van Noordoost-Fryslân beoogd onder meer door de hoofdontsluitingen van het gebied niet door de bebouwde kommen te leiden maar hieromheen.

Ontvankelijkheid

2.3. Provinciale staten betogen dat het beroep van It Fryske Gea en anderen, voor zover dit is ingesteld door de Vereniging Nederlands Cultuurlandschap, de vereniging Milieudefensie, de Stichting It Griene Erfgoed, de Stichting Fryslân moat moai bliuwe, de Stichting Behoud Noordelijke Wouden, de vereniging Dorpsbelang De Tike, de Vereniging Dorpsbelang Nijega en het Burgerinitiatief Gezond Verstand, niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Zij stellen zich op het standpunt dat deze (rechts)personen niet kunnen worden beschouwd als belanghebbenden bij het besluit tot vaststelling van het plan.

2.3.1. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening kan een belanghebbende bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State beroep instellen tegen een besluit omtrent vaststelling van een inpassingsplan.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Ingevolge het derde lid worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

2.3.2. Ten aanzien van de vereniging Milieudefensie hebben provinciale staten betoogd dat de doelstellingen van de vereniging niet strekken tot de behartiging van algemene of collectieve belangen die rechtstreeks bij de vaststelling van het plan zijn betrokken.

De vereniging Milieudefensie stelt zich blijkens artikel 2 van de statuten ten doel een bijdrage te leveren aan het oplossen en voorkomen van milieuproblemen en het behoud van cultureel erfgoed, alsmede te streven naar een duurzame samenleving dit alles op mondiaal, landelijk, regionaal en lokaal niveau, in de meest ruime zin en een en ander in het belang van de leden van de vereniging en in het belang van de kwaliteit van het milieu, de natuur en het landschap in de meest ruime zin voor huidige en toekomstige generaties. Naar het oordeel van de Afdeling kan ervan worden uitgegaan dat de realisatie van De Centrale As nadelige gevolgen kan hebben voor het milieu en voor landschappelijke en natuurwaarden in het gebied. Gelet hierop wordt de vereniging Milieudefensie door de vaststelling van het plan rechtstreeks getroffen in belangen die zij krachtens haar statutaire doelstellingen in het bijzonder behartigt en kan zij derhalve worden beschouwd als belanghebbende bij het bestreden besluit. De Afdeling ziet geen grond het beroep van It Fryske Gea en anderen, voor zover het betrekking heeft op de vereniging Milieudefensie, niet-ontvankelijk te verklaren.

2.3.3. Ten aanzien van de Vereniging Nederlands Cultuurlandschap hebben provinciale staten betoogd dat bij de vaststelling van het plan geen algemene of collectieve belangen zijn betrokken die de vereniging krachtens haar doelstellingen en blijkens haar feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigt.

De Vereniging Nederlands Cultuurlandschap stelt zich blijkens artikel 2 van haar statuten onder meer ten doel het behoud, herstel en verrijking van het agrarisch cultuurlandschap, waarbij groen-blauwe dooradering van heel Nederland het streefbeeld is, en het behoud van cultuurhistorische landschapselementen als onderdeel van het cultureel erfgoed en als inspiratiebron voor herstel van oude en inrichting van nieuwe landschappen. Nu het vastgestelde tracé van De Centrale As gedeeltelijk in bestaande weidegebieden is gelegen, dient naar het oordeel van de Afdeling te worden aangenomen dat het belang van het behoud van het agrarisch cultuurlandschap en van cultuurhistorische landschapselementen een belang is dat rechtstreeks bij het bestreden besluit is betrokken. Ter zitting is gebleken dat de Vereniging Nederlands Cultuurlandschap feitelijke werkzaamheden verricht die met de behartiging van deze belangen verband houden, waaronder het exploiteren van een bezoekerscentrum en het uitgeven van wandel- en fietsroutes.

Gelet op het voorgaande wordt de Vereniging Nederlands Cultuurlandschap door de vaststelling van het plan rechtstreeks getroffen in belangen die zij krachtens haar statutaire doelstellingen en blijkens haar feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigt. De Vereniging Nederlands Cultuurlandschap is daarom belanghebbende bij het bestreden besluit. De Afdeling ziet geen grond het beroep van It Fryske Gea en anderen, voor zover het betrekking heeft op de Vereniging Nederlands Cultuurlandschap, niet-ontvankelijk te verklaren.

2.3.4. Voorts hebben provinciale staten betoogd dat de Stichting It Griene Erfgoed, de Stichting Fryslân moat moai bliuwe, de Stichting Behoud Noordelijke Wouden, de vereniging Dorpsbelang De Tike en de Vereniging Dorpsbelang Nijega geen of onvoldoende feitelijke werkzaamheden verrichten waaruit blijkt dat zij bij het plan betrokken algemene en collectieve belangen in het bijzonder behartigen. Niet in geschil is dat de statutaire doelstellingen van deze rechtspersonen strekken tot behartiging van rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken algemene of collectieve belangen.

Op grond van hetgeen de Stichting It Griene Erfgoed, de Stichting Fryslân moat moai bliuwe, de Stichting Behoud Noordelijke Wouden, de vereniging Dorpsbelang De Tike en de Vereniging Dorpsbelang Nijega in de stukken en ter zitting over hun feitelijke werkzaamheden naar voren hebben gebracht, ziet de Afdeling geen grond van het oordeel dat deze rechtspersonen niet kunnen worden aangemerkt als belanghebbenden bij de vaststelling van het plan. De Afdeling ziet geen aanleiding het beroep van It Fryske Gea en anderen, voor zover het betreft deze rechtspersonen, niet-ontvankelijk te verklaren.

2.3.5. Ten aanzien van het Burgerinitiatief Gezond Verstand overweegt de Afdeling het volgende. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat het Burgerinitiatief Gezond Verstand geen rechtspersoonlijkheid bezit. Reeds hierom kan het Burgerinitiatief Gezond Verstand niet op grond van artikel 1:2, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht als belanghebbende bij het bestreden besluit worden aangemerkt. Het Burgerinitiatief Gezond Verstand kan als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht worden beschouwd, indien het door de vaststelling van het plan rechtstreeks in een eigen belang wordt getroffen. Naar het oordeel van de Afdeling is dat niet het geval. Daarbij is mede van belang dat van de ondersteuners van het Burgerinitiatief Gezond Verstand zich slechts één persoon, te weten [belanghebbende], bekend heeft gemaakt en diens woning zich blijkens de stukken op een afstand van ongeveer 8.850 meter van het tracé van De Centrale As bevindt.

Gelet op het voorgaande is het beroep van It Fryske Gea en anderen niet-ontvankelijk, voor zover het door het Burgerinitiatief Gezond Verstand is ingesteld.

2.4. Provinciale staten betogen dat het beroep van [appellant sub 1] niet-ontvankelijk is, voor zover het door [appellante sub 1C], [appellant sub 1D] en [appellante sub 1E] (hierna: de maatschap) is ingesteld, omdat de maatschap geen zienswijzen naar aanleiding van het ontwerpplan naar voren heeft gebracht.

2.4.1. Ingevolge de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Awb wordt het ontwerpinpassingsplan ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht bij provinciale staten. De maatschap heeft geen zienswijze tegen het ontwerpplan naar voren gebracht bij provinciale staten.

Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening gelezen in samenhang met artikel 6:13 van de Awb, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een inpassingsplan door de belanghebbende die tegen het ontwerpinpassingsplan tijdig een zienswijze bij provinciale staten naar voren heeft gebracht. Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht. Deze omstandigheid doet zich niet voor. Het beroep van [appellant sub 1] is derhalve niet-ontvankelijk, voor zover het door de maatschap is ingesteld. Het beroep van [appellant sub 1] is overigens ontvankelijk en het beroep zal derhalve hierna inhoudelijk worden beoordeeld.

Toepasselijkheid Crisis- en herstelwet

2.5. [appellant sub 3] betoogt dat provinciale staten er ten onrechte van zijn uitgegaan dat op de totstandkoming van het plan de Crisis- en herstelwet (hierna: de Chw) van toepassing is.

2.5.1. Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Chw, voor zover hier van belang, is afdeling 2 van hoofdstuk 1 van de Chw van toepassing op alle besluiten die krachtens enig wettelijk voorschrift zijn vereist voor de ontwikkeling of verwezenlijking van de in bijlage I bij deze wet bedoelde categorieën ruimtelijke en infrastructurele projecten.

In bijlage I bij de Chw is onder 2.1 als categorie ruimtelijke en infrastructurele projecten aangewezen: ontwikkeling en verwezenlijking van werken en gebieden krachtens afdeling 3.5 van de Wet ruimtelijke ordening.

Het plan is een provinciaal inpassingsplan dat de aanleg van het infrastructurele werk De Centrale As mogelijk maakt en is vastgesteld krachtens afdeling 3.5 van de Wet ruimtelijke ordening. Gelet hierop is afdeling 2 van hoofdstuk 1 van de Chw van toepassing op het besluit tot vaststelling van het plan.

Nut en noodzaak van De Centrale As en alternatieven

2.6. It Fryske Gea en anderen, [appellant sub 8] en [appellant sub 4] betogen dat het nut en de noodzaak van De Centrale As niet vaststaan.

[appellant sub 4] voert in dit verband aan dat het ten noorden van Burgum niet noodzakelijk is om een vierbaansweg aan te leggen.

[appellant sub 8] betoogt ten aanzien van het tracé tussen Garyperhoek en Nijega dat het doorgaande verkeer thans zonder problemen de bestaande rondweg rond Garyp gebruikt. Een nieuw, vierbaans tracé is derhalve niet nodig, aldus [appellant sub 8]. In dat verband wijst [appellant sub 8] ook op de evaluatie van het Provinciaal Verkeer- en Vervoersplan (hierna: PVVP) van 31 augustus 2010, waaruit volgens hem blijkt dat bevolkingskrimp en vergrijzing leiden tot minder autoverkeer dan eerder werd aangenomen.

It Fryske Gea en anderen voeren in de eerste plaats aan dat zich ten tijde van de vaststelling van het plan geen bereikbaarheidsprobleem in het gebied voordeed en dat dit in de toekomst evenmin het geval zal zijn. In dat verband verwijzen zij onder meer naar twee notities van TNO uit 2006 en 2009. Zij betogen dat provinciale staten bij de beoordeling van de bereikbaarheid aansluiting hadden moeten zoeken bij het landelijke beleid, zoals neergelegd in de Nota Mobiliteit. Volgens hen wordt in de bestaande situatie reeds aan de bereikbaarheidscriteria uit de Nota Mobiliteit voldaan. Voorts voeren It Fryske Gea en anderen aan dat bij de gemaakte verkeersprognoses ten onrechte geen rekening is gehouden met de gevolgen van een te verwachten bevolkingsafname in het gebied.

It Fryske Gea en anderen betogen daarnaast dat er op de bestaande route geen grote verkeersveiligheidsproblemen zijn en dat De Centrale As niet de meest geschikte manier is om de verkeersveiligheid te verbeteren. Zij stellen, onder verwijzing naar onder meer het milieueffectrapport dat bij de voorbereiding van het plan is gemaakt, dat opwaardering van de bestaande N356 een grotere bijdrage levert aan de verbetering van de verkeersveiligheid.

Voorts betogen It Fryske Gea en anderen dat door De Centrale As de leefbaarheid op het platteland zal verslechteren, onder meer vanwege de toename van het aantal geluidbelaste woningen in het buitengebied en het geluidbelaste oppervlak, barrièrewerking, verstoring en verrommeling. Volgens hen hebben provinciale staten hiermee bij de vaststelling van het plan onvoldoende rekening gehouden.

Ten slotte betogen It Fryske Gea en anderen dat niet is aangetoond dat de ruimtelijke en sociaaleconomische structuur in Noordoost-Fryslân zal verbeteren door de realisatie van De Centrale As. Volgens hen is niet gebleken dat De Centrale As nieuwe bedrijven zal aantrekken of meer werkgelegenheid in de regio zal genereren. Voorts voeren zij aan dat De Centrale As kan leiden tot negatieve effecten. Als grotere plaatsen in de omgeving beter bereikbaar worden, kan volgens hen bijvoorbeeld de detailhandel in de kleinere kernen daaronder lijden.

It Fryske Gea en anderen, [appellant sub 6], [appellant sub 4] en [appellant sub 5] voeren gronden aan over mogelijke alternatieven voor De Centrale As. [appellant sub 5] betoogt dat de tracékeuze onvoldoende is gemotiveerd. Volgens hem zijn er voldoende alternatieven met minder ingrijpende gevolgen voor woon- en leefklimaat, natuur en landschap. It Fryske Gea en anderen, [appellant sub 6] en [appellant sub 4] voeren aan dat provinciale staten de voorkeur hadden moeten geven aan het zogeheten Groene Alternatief. Het Groene Alternatief begint ten westen van Dokkum en volgt daarna in grote lijnen de bestaande weg tussen Dokkum en Nijega, met dien verstande dat rondwegen langs de kernen zijn voorzien; op het tracé zou een maximumsnelheid van 80 km/uur moeten gelden. It Fryske Gea en anderen betogen onder meer dat het Groene Alternatief leidt tot minder geluidhinder en tot minder versnippering en verrommeling in het buitengebied. Ook andere doelstellingen, zoals verbetering van de verkeersveiligheid, kunnen volgens hen met het Groene Alternatief ten minste even goed worden gediend als met De Centrale As.

2.6.1. Provinciale staten stellen zich op het standpunt dat de realisatie van De Centrale As noodzakelijk is. De kwaliteit van de huidige verbinding tussen Dokkum en Garyp en Burgum, de N356/N913, is volgens hen onvoldoende om als hoofdontsluiting voor Noordoost-Fryslân te functioneren. Met De Centrale As worden volgens provinciale staten vier doelstellingen in het bijzonder gediend, te weten verbetering van de bereikbaarheid, de verkeersveiligheid, de leefbaarheid in de kernen en de ruimtelijke en sociaaleconomische structuur. Om deze doelstellingen te verwezenlijken, achten provinciale staten bundeling van het verkeer op een zogenoemde stroomweg, dat wil zeggen een autoweg met een maximumsnelheid van 100 km/uur, noodzakelijk.

Bij de beoordeling van de bereikbaarheid hebben provinciale staten het criterium gehanteerd dat verkeer binnen 15 minuten op een stroomweg moet uitkomen. Deze bereikbaarheidsnorm is ontleend aan het PVVP. In de huidige situatie is de dichtstbijzijnde stroomweg voor Noordoost-Fryslân de N31 van Drachten naar Leeuwarden. De realisatie van De Centrale As leidt volgens provinciale staten bovendien tot een aanzienlijke verlaging van de gemiddelde trajecttijd en verhoging van de gemiddelde trajectsnelheid tussen Dokkum en Nijega. Aangezien De Centrale As een stroomweg is, kan na de realisatie van deze weg in het grootste deel van Noordoost-Fryslân aan de 15-minutennorm worden voldaan, aldus provinciale staten.

Bij de keuze voor de uitvoering van het grootste deel van De Centrale As als dubbelbaans weg met 2x2 rijstroken hebben provinciale staten zich onder meer gebaseerd op het PVVP. Voor het grootste deel van het tracé is de verkeersintensiteit zodanig, dat op grond van het beleid uit het PVVP kan worden gekozen voor een enkelbaans of een dubbelbaans uitvoering van de weg. Provinciale staten hebben voor een dubbelbaans uitvoering gekozen, omdat het bundelende effect van de weg dan sterker zal zijn en omdat een enkelbaans uitvoering volgens hen minder reistijdwinst oplevert. Voorts is een weg met 2x2 rijstroken volgens hen veiliger. Voor het noordelijke deel van het tracé is de verwachte verkeersintensiteit zodanig, dat de weg volgens het beleid uit het PVVP enkelbaans dient te worden uitgevoerd. Provinciale staten hebben er, in afwijking van dit beleid, niettemin voor gekozen het noordelijke deel van het tracé eveneens dubbelbaans uit te voeren, met uitzondering van de oostelijke rondweg Dokkum. Zij stellen zich op het standpunt dat de continuïteit en de attractiviteit van de weg een dubbelbaans uitvoering wenselijk maken.

Provinciale staten stellen zich voorts op het standpunt dat De Centrale As leidt tot een verbetering van de verkeersveiligheid en een afname van het aantal verkeersslachtoffers. In de plantoelichting hebben zij onder andere overwogen dat de hoogwaardige inrichting van De Centrale As als dubbelbaans autoweg met ongelijkvloerse kruisingen optimaal bijdraagt aan de verbetering van de verkeersveiligheid. Vanwege het bundelende effect van De Centrale As zal bovendien in de toekomst minder verkeer gebruik maken van het onderliggende, minder veilige wegennet, aldus provinciale staten.

Daarnaast betogen provinciale staten dat De Centrale As noodzakelijk is voor de verbetering van de leefbaarheid. De bestaande verbinding tussen Dokkum en Nijega en Garyp (N356/N913) doorsnijdt de bebouwde kom van een aantal kernen. Het tracé van De Centrale As loopt langs deze kernen. Aangezien het grootste deel van het verkeer op de bestaande N356/N913 volgens provinciale staten in de toekomst gebruik zal maken van De Centrale As, zal de leefbaarheid binnen de kernen door de aanleg van De Centrale As verbeteren, vooral door afname van barrièrewerking, moeilijke oversteekbaarheid en het aantal geluidbelaste woningen.

Provinciale staten betogen verder dat De Centrale As van belang is voor de verbetering van de ruimtelijke en sociaaleconomische structuur van Noordoost-Fryslân. Hiermee doelen provinciale staten onder andere op werkgelegenheid, het aantrekken van nieuwe bedrijven en de aantrekkelijkheid als woonomgeving; een aantal van dergelijke ruimtelijke ontwikkelingen is volgens provinciale staten voorzien in het Sociaal Economisch Masterplan Noordoost-Fryslân 2010-2030. Provinciale staten betogen ook dat realisatie van De Centrale As noodzakelijk is om de dreigende neerwaartse spiraal in de regio te doorbreken door de aantrekkelijkheid voor wonen en werken te vergroten. Op dit punt verwijzen zij onder meer naar het door Bureau Louter opgestelde rapport "Ruimtelijk-economische ontwikkelingen Centrale As Regio" van augustus 2005.

2.6.2. De Afdeling stelt voorop dat bij de beoordeling van het nut en de noodzaak van De Centrale As de door provinciale staten genoemde motieven voor de aanleg van De Centrale As in hun onderlinge samenhang dienen te worden bezien. Dit betekent dat niet elk element op zichzelf reeds een voldoende onderbouwing van het nut en de noodzaak van De Centrale As hoeft te vormen.

2.6.3. Met betrekking tot de bereikbaarheid overweegt de Afdeling het volgende.

Provinciale staten hanteren, in overeenstemming met het provinciale beleid zoals neergelegd in het PVVP, het uitgangspunt dat het verkeer binnen 15 minuten een stroomweg moet kunnen bereiken. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat provinciale staten bij de beoordeling van het nut en de noodzaak van De Centrale As in redelijkheid niet van een dergelijke bereikbaarheidsnorm hadden mogen uitgaan. Weliswaar is in de Nota Mobiliteit een andere streefwaarde neergelegd, die betrekking heeft op de reistijd in de spits ten opzichte van de reistijd buiten de spits. Provinciale staten zijn echter niet aan dit beleid gebonden. Derhalve kan niet worden geoordeeld dat provinciale staten bij de vaststelling van een plan voor een infrastructureel project niet een eigen, provinciale bereikbaarheidsnorm mogen hanteren naast of in plaats van de streefwaarde die in de Nota Mobiliteit is neergelegd.

Uit de door Goudappel Coffeng opgestelde notitie "Bereikbaarheid Noordoost-Fryslân t.o.v. stroomwegen" van 19 oktober 2010 kan worden afgeleid dat in 2020 zonder De Centrale As op het middelste en zuidelijke deel van het traject van Dokkum naar Nijega aan de 15-minutennorm zal worden voldaan. Ten noorden van Feanwâlden zal deze norm in 2020 echter worden overschreden. De Afdeling stelt vast dat volgens de berekeningen die bij de voorbereiding van het plan zijn uitgevoerd, de realisatie van De Centrale As op het gehele traject tot een verkorting van de reistijd leidt. Volgens het milieueffectrapport kan de trajectduur tussen Dokkum en Nijega in de spitsperiode met De Centrale As worden verkort van thans 22 tot 25 minuten - en naar verwachting in de toekomst nog langer - tot ongeveer 15 minuten. In de notitie "Berekening reistijd De Centrale As" van Goudappel Coffeng van 4 november 2010 is eveneens berekend dat de gemiddelde reistijd als gevolg van de realisatie van De Centrale As zal afnemen. It Fryske Gea en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat het door provinciale staten gebruikte verkeersmodel zodanige tekortkomingen bevat dat niet van deze berekeningen kan worden uitgegaan. Voorts kan er op grond van de stukken, in het bijzonder het milieueffectrapport en het deskundigenbericht, van worden uitgegaan dat na de realisatie van De Centrale As een onbelemmerde doorstroming mogelijk zal zijn. In de huidige situatie is er weliswaar geen structurele filevorming, maar bestaan in de spits in het midden en zuiden van het traject enkele knelpunten. Aannemelijk is dat de situatie in 2020 zonder De Centrale As op dit punt verslechterd zal zijn, gezien de verwachte toename van het aantal verkeersbewegingen ten opzichte van het in het verkeersmodel gehanteerde referentiejaar 2008.

Gelet hierop hebben provinciale staten in redelijkheid kunnen aannemen dat zich ten tijde van de vaststelling van het plan in Noordoost-Fryslân een bereikbaarheidsprobleem voordeed, dan wel dat zich dit binnen enkele jaren zou gaan voordoen.

2.6.4. Hetgeen is aangevoerd over toekomstige bevolkingsafname in Noordoost-Fryslân doet aan het voorgaande niet af. Bij de vaststelling van het plan zijn provinciale staten uitgegaan van een gematigde bevolkingsgroei in de periode tot 2020. De verkeersprognoses die aan het plan ten grondslag zijn gelegd, zijn hierop gebaseerd. Na de vaststelling van het plan is op 6 november 2010 in opdracht van provinciale staten door Goudappel Coffeng de notitie "Reactie Goudappel Coffeng op TNO-notitie 2009 en TNO-notitie 2010" opgesteld. Hierin zijn de effecten van de bevolkingsafname beoordeeld. In de notitie is uitgegaan van een bevolkingskrimp van ongeveer 10% in 2020 ten opzichte van de invoergegevens in het verkeersmodel. Volgens de notitie leidt een bevolkingsafname van 10% echter niet tot een even grote afname van de verkeersintensiteit, maar tot een beperkte afname van maximaal 4% ten opzichte van de eerdere prognose voor 2020. De verkeersintensiteit neemt daarmee nog altijd met ongeveer 11% toe in vergelijking tot 2008, dat in het bij de voorbereiding van het plan gebruikte verkeersmodel als referentiejaar is gehanteerd. It Fryske Gea en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat op dit punt niet van de bevindingen van de notitie kon worden uitgegaan.

2.6.5. Voor zover is aangevoerd dat provinciale staten ten onrechte hebben gekozen voor een dubbelbaans (2x2) uitvoering van De Centrale As - met uitzondering van de oostelijke rondweg Dokkum en de rondweg Garyp -, overweegt de Afdeling het volgende.

In het PVVP is het provinciale beleid neergelegd ten aanzien van de vormgeving van autowegen. De keuze voor een enkelbaans of dubbelbaans uitvoering hangt volgens het PVVP mede af van de verwachte verkeersintensiteit. Bij een intensiteit van meer dan 23.000 motorvoertuigen per etmaal wordt volgens het PVVP een dubbelbaans weg (2x2) aangelegd. Volgens het verkeersmodel waarvan bij de vaststelling van het plan is uitgegaan, wordt voor de rondweg Hurdegaryp in 2020 een verkeersintensiteit van meer dan 23.000 mvt/etmaal verwacht. Voor het middelste en zuidelijke deel van De Centrale As ligt de verwachte verkeersintensiteit volgens de uitgevoerde berekeningen tussen de 15.000 en 23.000 mvt/etmaal. Bij een dergelijke verkeersintensiteit moet volgens het PVVP maatwerk geleverd worden en hangt de keuze voor een enkel- of dubbelbaans uitvoering, of eventueel een andere variant, onder meer af van de gewenste bundelende werking en de hoeveelheid vrachtverkeer. Provinciale staten hebben voor dit deel van het tracé gekozen voor een dubbelbaans uitvoering. Bij minder dan 15.000 mvt/etmaal gaat het PVVP uit van een enkelbaans uitvoering (2x1). Op het noordelijke deel van De Centrale As worden voor het wegvak Dwarsloane - Dokkum-Zuid volgens het verkeersmodel in 2020 ongeveer 12.500 mvt/etmaal verwacht. Dit wegvak wordt niettemin dubbelbaans uitgevoerd.

De dubbelbaans uitvoering van de rondweg Hurdegaryp komt overeen met hetgeen in het PVVP voor een wegvak met deze verkeersintensiteit wordt aanbevolen. Wat betreft het midden en zuiden van het tracé laat het PVVP eveneens een dubbelbaans uitvoering toe. Mede gezien de wens van provinciale staten om - ten behoeve van verbetering van de bereikbaarheid, verkeersveiligheid, leefbaarheid en ruimtelijke en sociaaleconomische structuur - De Centrale As een sterk bundelend effect te geven, is de Afdeling van oordeel dat provinciale staten een dubbelbaans uitvoering van De Centrale As in zoverre in redelijkheid noodzakelijk hebben kunnen achten. Met betrekking tot het dubbelbaans aan te leggen wegvak in het noordelijke deel van het tracé komt de Afdeling tot dezelfde conclusie. Volgens het PVVP is hiervoor een enkelbaans uitvoering weliswaar het uitgangspunt, maar vanwege de continuïteit van de inrichting van de weg, het gewenste bundelende effect en de naar verhouding geringe lengte van dit deel van het tracé hebben provinciale staten naar het oordeel van de Afdeling niettemin ook in zoverre in redelijkheid de keuze voor een dubbelbaans uitvoering van de weg kunnen maken. Daarbij acht de Afdeling het, gelet op hetgeen provinciale staten hierover naar voren hebben gebracht, aannemelijk dat De Centrale As in een dubbelbaans uitvoering een aanzienlijk sterker bundelend effect zal hebben dan in een enkelbaans uitvoering.

2.6.6. De Afdeling overweegt voorts dat de te verwachten bevolkingsafname ten opzichte van de eerder gehanteerde prognoses ook op dit punt geen aanleiding geeft voor een ander oordeel. Zoals hiervoor reeds is overwogen, volgt uit de notitie van Goudappel Coffeng van 6 november 2010 immers dat bij een daling van het aantal inwoners van Noordoost-Fryslân met ongeveer 10% in 2020 ten opzichte van 2008 een afname van de verkeersintensiteit is te verwachten van maximaal 4% ten opzichte van de prognoses voor 2020 die in het verkeersmodel zijn berekend. Ook wanneer de prognoses voor de verkeersintensiteit in 2020 op deze wijze naar beneden worden bijgesteld, leidt dit er niet toe dat de verkeerintensiteit op de verschillende wegvakken in een andere categorie van het PVVP zal vallen. De verwachte verkeersintensiteit op de rondweg Hurdegaryp blijft volgens het deskundigenbericht hoger dan 23.000 mvt/etmaal. De verkeersintensiteit op de overige wegvakken in het midden en zuiden van het traject blijft na bijstelling tussen de 15.000 en 23.000 mvt/etmaal bedragen. De effecten van de bevolkingsafname hadden op dit punt dan ook niet hoeven dwingen tot een andere afweging ten aanzien van de uitvoering van De Centrale As.

2.6.7. Met betrekking tot de verkeersveiligheid wordt het volgende overwogen.

Bij de beoordeling van de verkeersveiligheid hebben provinciale staten zich onder meer gebaseerd op de verkeersveiligheidsdoelstellingen die in het PVVP zijn neergelegd. Als criterium voor de beoordeling hebben provinciale staten de zogenoemde slachtofferratio gehanteerd. Uit de stukken blijkt dat in de huidige situatie de slachtofferratio op een aantal wegvakken wordt overschreden. In het milieueffectrapport is vermeld dat het aantal slachtoffers in de regio door de realisatie van De Centrale As met ongeveer 13% zal afnemen. Gelet hierop hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat De Centrale As bijdraagt aan een verbetering van de verkeersveiligheid.

In tegenstelling tot hetgeen It Fryske Gea en anderen betogen, is de Afdeling van oordeel dat provinciale staten niet aannemelijk hebben hoeven achten dat het Groene Alternatief op het punt van de verkeersveiligheid een grotere verbetering oplevert dan De Centrale As. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat in de na de vaststelling van het plan opgestelde notitie "Verkeersveiligheid De Centrale As en onderliggend wegennet" van Goudappel Coffeng van 4 november 2010 de verkeersveiligheid nogmaals is onderzocht en is geconcludeerd dat het Groene Alternatief op dit punt niet tot een wezenlijk betere uitkomst leidt dan De Centrale As. It Fryske Gea en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat het verkeersmodel dat aan deze notitie ten grondslag ligt, zodanige gebreken bevat dat niet van de conclusies van de notitie van 4 november 2010 kon worden uitgegaan.

2.6.8. Met betrekking tot de leefbaarheid overweegt de Afdeling het volgende. De Centrale As loopt, anders dan de huidige hoofdverbinding N356/N913, niet door de bebouwde kom van de kernen. Op grond van het verkeersmodel van 31 maart 2010, de nadere notitie "Analyse verkeersstromen Damwoude en Hurdegaryp-Veenwouden-Burgum" van Goudappel Coffeng van 25 augustus 2008 en het deskundigenbericht is de Afdeling van oordeel dat provinciale staten in redelijkheid hebben kunnen aannemen dat van De Centrale As een zodanige bundelende werking zal uitgaan, dat het aantal verkeersbewegingen op de N356/N913 sterk zal afnemen en dat hierdoor de geluidbelasting en de barrièrewerking in de bebouwde kommen van de kernen zal verminderen. Niet in geschil is dat de realisatie van De Centrale As een toename van de geluidbelasting en barrièrewerking elders tot gevolg heeft. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt echter dat het aantal geluidbelaste woningen in het buitengebied ten gevolge van De Centrale As veel lager is dan het aantal geluidbelaste woningen in de kernen in de huidige situatie. Voorts hebben provinciale staten ter zitting naar voren gebracht dat in het buitengebied meer mogelijkheden bestaan om maatregelen te treffen, zoals de toepassing van stil asfalt, het treffen van gevelmaatregelen en het plaatsen van geluidschermen. Provinciale staten hebben bij de vaststelling van het plan de toename van de hinder in het buitengebied afgewogen tegen de afname van de hinder in de kernen. Zij zijn daarbij tot de conclusie gekomen dat het nadeel van de toename van de hinder in het buitengebied niet opweegt tegen het voordeel van de vermindering van de hinder in de kernen. Naar het oordeel van de Afdeling hebben provinciale staten zich, mede gelet op het voorgaande, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat De Centrale As per saldo bijdraagt aan de verbetering van de leefbaarheid in het gebied.

2.6.9. Met betrekking tot de ruimtelijke en sociaaleconomische structuur wordt als volgt overwogen. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de verbetering van de ruimtelijke en sociaaleconomische structuur voornamelijk in kwalitatieve zin is onderzocht. Uit de onderzoeken van Bureau Louter en Buck Consultants die in dit kader zijn uitgevoerd, zijn weinig kwantitatieve gegevens af te leiden over de mate waarin De Centrale As bijdraagt aan een verbetering van de ruimtelijke en sociaaleconomische structuur van Noordoost-Fryslân. Gelet op hetgeen provinciale staten naar voren hebben gebracht, hebben zij naar het oordeel van de Afdeling niettemin tot de conclusie kunnen komen dat De Centrale As in enige mate aan deze verbetering kan bijdragen en er daarmee tevens aan kan bijdragen dat een dreigende verslechtering van de situatie in Noordoost-Fryslân wordt tegengegaan. Overigens zijn in het Sociaal Economisch Masterplan enkele concrete ruimtelijke ontwikkelingen voorzien waarvoor de aanleg van De Centrale As van belang kan worden geacht.

2.6.10. Met betrekking tot de mogelijke alternatieven voor het gekozen tracé van De Centrale As stelt de Afdeling voorop dat de vaststelling van een plan dat een infrastructureel project zoals De Centrale As mogelijk maakt een belangenafweging vergt, waarbij politieke en bestuurlijke inzichten een belangrijke rol spelen. Provinciale staten hebben beleidsvrijheid bij het afwegen van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. De voor- en nadelen van alternatieven dienen in die afweging te worden meegenomen.

In het milieueffectrapport zijn verschillende alternatieven voor De Centrale As onderzocht. Provinciale staten hebben, na een belangenafweging en in overeenstemming met de bevindingen van het milieueffectrapport, deze alternatieven ongeschikt bevonden. Tevens zijn provinciale staten bij de vaststelling van het plan, onder meer in hun reactie op de naar voren gebrachte zienswijzen over het ontwerpplan, ingegaan op het Groene Alternatief. Zij hebben zich blijkens het bestreden besluit op de hoogte gesteld van de te verwachten effecten van dit alternatief en hebben deze vergeleken met de verwachte effecten van De Centrale As. Daarbij zijn provinciale staten tot de conclusie gekomen dat het Groene Alternatief niet geschikter is ter verwezenlijking van de gestelde doelstellingen dan De Centrale As. Provinciale staten hebben daarom de voorkeur gegeven aan De Centrale As boven het Groene Alternatief. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting is daarbij de wens om in Noordoost-Fryslân een stroomweg met een maximumsnelheid van 100 km/uur aan te leggen voor provinciale staten van belang geweest. Provinciale staten achten een stroomweg om een aantal redenen wenselijk en noodzakelijk. Met name is voor hen van belang dat van een stroomweg naar verwachting een bundelend effect uitgaat. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting kan worden aangenomen dat dit bundelend effect sterker is dan het bundelend effect dat uitgaat van een ander soort weg. Volgens provinciale staten gaat van een stroomweg een sterkere bundelende werking uit dan van een ander soort weg. Een stroomweg kan daardoor volgens provinciale staten een grotere bijdrage leveren aan onder meer de verbetering van de bereikbaarheid en de verkeersveiligheid. It Fryske Gea en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit onjuist is.

Mede gelet op hetgeen in het voorgaande reeds is overwogen, is de Afdeling van oordeel dat de keuze van provinciale staten voor een stroomweg niet onredelijk is te achten. De keuze voor een stroomweg impliceert reeds dat het Groene Alternatief als alternatief niet in aanmerking komt. Het Groene Alternatief heeft immers een maximumsnelheid van 80 km/uur en leent zich gezien de vormgeving en uitvoering niet voor een hogere maximumsnelheid.

2.6.11. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat de aanleg van De Centrale As noodzakelijk is ter verwezenlijking van de door provinciale staten nagestreefde doelstellingen van verbetering van verbetering van de bereikbaarheid, verkeersveiligheid, leefbaarheid en ruimtelijke en sociaaleconomische structuur, mede in hun onderliggende samenhang bezien. Het betoog dat het nut en de noodzaak van De Centrale As onvoldoende zijn aangetoond, faalt derhalve.

Gelet op hetgeen hierboven is overwogen over de keuze voor een stroomweg en de eventuele alternatieven voor De Centrale As, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat provinciale staten in zoverre niet in redelijkheid de voorkeur hebben kunnen geven aan De Centrale As boven het Groene Alternatief. Of de aangevoerde beroepsgronden over de bescherming van landschappelijke en natuurwaarden in dit geval tot een ander oordeel leiden, komt thans aan de orde.

Landschappelijke waarden

2.7. It Fryske Gea en anderen betogen dat het plangebied ten onrechte is beperkt tot vrijwel uitsluitend het tracé van De Centrale As. Hierdoor biedt het plan volgens hen geen samenhangende visie op het landschap en wordt de landschappelijke inpassing en gebiedsontwikkeling ten onrechte niet volledig in het plan geregeld.

2.7.1. Gelet op de systematiek van de Wet ruimtelijke ordening komt provinciale staten in beginsel een grote mate van beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de begrenzingen van een inpassingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat provinciale staten een begrenzing kunnen vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening of anderszins in strijd met het recht. In hetgeen It Fryske Gea en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Zij neemt daarbij in aanmerking dat de planregels voorschriften bevatten over de landschappelijke inpassing van De Centrale As. In bijlage 5 bij de planregels is een overzicht van de te treffen landschapsmaatregelen opgenomen. De maatregelen zijn ontleend aan het Landschapsplan. Op grond van de planregels is de ingebruikname van De Centrale As pas toegestaan nadat de in bijlage 5 genoemde landschapsmaatregelen zijn gerealiseerd. Voor zover het gaat om de gebiedsontwikkeling van een groter gebied rond het tracé van De Centrale As, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat provinciale staten gehouden waren dit in het inpassingsplan voor De Centrale As te regelen.

2.8. [appellant sub 4], [appellant sub 6], It Fryske Gea en anderen, [appellant sub 8], [appellante sub 9] en anderen en [appellant sub 10] voeren gronden aan met betrekking tot de aantasting van landschappelijke waarden.

[appellant sub 4] voert aan dat landschaps- en natuurwaarden onnodig worden aangetast, nu het tracé van De Centrale As een nationaal en regionaal landschap doorsnijdt.

[appellant sub 6] betoogt dat de cultuurhistorische waarde van het nationale landschap Noordelijke Wouden wordt aangetast. Volgens hem blijkt uit het plan niet welk groot openbaar belang is gediend met de aanleg van De Centrale As. Daarnaast voert [appellant sub 6] aan dat de door het project veroorzaakte schade aan het landschap onvoldoende wordt gecompenseerd en dat de voorgestelde compensatie niet goed in het plan is geregeld.

It Fryske Gea en anderen voeren aan dat bij de keuze voor het tracé geen rekening is gehouden met het nationaal landschap Noordelijke Wouden. Zij betogen verder dat er geen dwingende redenen van groot openbaar belang zijn die de aanleg van De Centrale As binnen dit nationale landschap kunnen rechtvaardigen. In dat verband betogen zij dat het nut en de noodzaak van De Centrale As niet zijn aangetoond. It Fryske Gea en anderen betogen voorts dat de aantasting van het nationale landschap onvoldoende wordt gecompenseerd. In de eerste plaats zijn de te treffen compenserende maatregelen volgens hen niet toereikend. Bovendien is volgens hen in de planregels ten onrechte bepaald dat de compenserende maatregelen moeten zijn getroffen op het moment van ingebruikname van De Centrale As. It Fryske Gea en anderen vrezen dat reeds de aanleg en het treffen van voorbereidende voorzieningen zal leiden tot aantasting van het nationale landschap en stellen zich op het standpunt dat daarom landschapscompensatie in een eerder stadium moet plaatsvinden.

[appellant sub 8] stelt dat ten behoeve van het tracé tussen Garyperhoek en Nijega 200 bomen worden gekapt. Het kappen van zo veel bomen vormt volgens hem een onaanvaardbare aantasting van de natuur- en landschapswaarden. Dit geldt volgens hem te meer, nu de noodzaak van dit deel van De Centrale As niet vaststaat. Volgens [appellant sub 8] zijn er daarom geen redenen van groot openbaar belang voor dit deel van het tracé en voor het kappen van 200 bomen.

[appellante sub 9] en anderen voeren aan dat het nationale landschap Noordelijke Wouden wordt aangetast. Zij voeren onder meer aan dat door de gevolgen van het plan voor hun agrarische bedrijf een belangrijke drager voor het landschap verloren gaat.

[appellant sub 10] voert aan dat de realisatie van De Centrale As leidt tot een aantasting van het landschap.

2.8.1. Provinciale staten stellen zich op het standpunt dat het in de Nota Ruimte neergelegde beleid voor nationale landschappen in dit geval niet van toepassing is. Volgens hen is het tracé van De Centrale As niet gelegen binnen het nationale landschap Noordelijke Wouden zoals dit in de Nota Ruimte is aangewezen. Provinciale staten erkennen dat het nationale landschap Noordelijke Wouden in het streekplan Fryslân 2007 "Om de kwaliteit fan de romte" (hierna: het streekplan) ruimer is begrensd dan in de Nota Ruimte en dat het tracé van De Centrale As binnen de in het streekplan vastgelegde provinciale grenzen van het nationale landschap ligt. Het "ja mits"-beleid uit de Nota Ruimte is volgens hen niet van toepassing op dit deel van het nationale landschap, omdat bij de vaststelling van het streekplan reeds rekening is gehouden met het tracé van De Centrale As.

Voor zover het "ja mits"-beleid uit de Nota Ruimte niettemin van toepassing zou zijn, is de aanleg van De Centrale As volgens provinciale staten in overeenstemming met dat beleid. Provinciale staten betogen in dat verband dat met De Centrale As grote openbare belangen worden gediend en dat, mede als gevolg van de maatregelen voor de landschappelijke inpassing van De Centrale As, de kernkwaliteiten van het nationale landschap Noordelijke Wouden niet worden aangetast.

2.8.2. In de Nota Ruimte is het rijksbeleid neergelegd met betrekking tot nationale landschappen. Dit beleid houdt onder meer in dat binnen nationale landschappen ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk zijn, mits de kernkwaliteiten van het landschap worden behouden of versterkt. Daarnaast is in de Nota Ruimte vermeld dat maatvoering, schaal en ontwerp bepalend zijn voor behoud van de kwaliteiten van deze landschappen en dat om die reden grootschalige verstedelijkingslocaties en bedrijventerreinen, nieuwe grootschalige glastuinbouwlocaties en nieuwe grootschalige infrastructurele projecten niet zijn toegestaan. Waar deze ingrepen redelijkerwijs, vanwege een groot openbaar belang, onvermijdelijk zijn, dienen mitigerende en compenserende maatregelen te worden getroffen, zoals inpassing en grote aandacht voor ontwerpkwaliteit.

Op PKB-kaart 7 van de Nota Ruimte is een aantal nader te begrenzen nationale landschappen weergegeven, waaronder het nationale landschap Noordelijke Wouden. Blijkens de Nota Ruimte betreft het een globale begrenzing en dienen de provincies met inachtneming hiervan een gedetailleerde begrenzing van de nationale landschappen in hun streekplannen op te nemen en daarin de per nationaal landschap benoemde kernkwaliteiten uit te werken.

2.8.3. In het streekplan hebben provinciale staten de ligging van het nationale landschap Noordelijke Wouden nader bepaald en hebben zij de kernkwaliteiten van dit nationale landschap nader omschreven. Het gebied dat provinciale staten in het streekplan als nationaal landschap hebben aangewezen is aanmerkelijk groter dan het gebied dat in de Nota Ruimte indicatief als zodanig is aangeduid. Het tracé van De Centrale As ligt onweersproken in zijn geheel buiten het gebied dat in de Nota Ruimte indicatief is aangeduid als het nationale landschap Noordelijke Wouden. Uit de stukken blijkt dat het tracé van De Centrale As zich grotendeels binnen de in het streekplan bepaalde begrenzing van het nationale landschap Noordelijke Wouden bevindt.

In het streekplan is onder meer vermeld dat in de nationale landschappen ruimte is voor opvang van de plaatselijke woningbehoefte, pilots landelijk wonen, lokale en regionale bedrijvigheid, verbetering van de lokale en regionale ontsluitingsstructuur, een duurzaam ontwikkelingsperspectief voor de landbouw en voor recreatieve ontwikkelingen, dit alles binnen de landschappelijke kernkwaliteiten. Provinciale staten beschouwen, zo vermeldt het streekplan, De Centrale As als een verbetering van de regionale ontsluiting, bereikbaarheid, doorstroming, veiligheid en milieu. Ook voor de economische ontwikkeling en de leefbaarheid is de Centrale As een belangrijke stimulans, die inpasbaar is in de landschappelijke karakteristiek van de Noordelijke Wouden, aldus het streekplan. In het streekplan is voorts vermeld dat het uitgangspunt geldt dat de kernkwaliteiten per landschapstype richtinggevend zijn voor verdere ruimtelijke ontwikkelingen. Dit geldt ook voor de nationale landschappen. Volgens het streekplan zorgen provinciale staten daarom voor een goede landschappelijke inpassing van De Centrale As, in nauw overleg met gemeenten en de streek. Deze beleidsinzet is volgens het streekplan door de minister van VROM geaccordeerd.

In het streekplan is op kaart 9b, waarop de begrenzing van het nationale landschap Noordelijke Wouden is weergegeven, tevens het voorkeurstracé van De Centrale As weergegeven. Dit voorkeurstracé komt overeen met het tracé dat in het plan is bepaald.

2.8.4. Uit het voorgaande leidt de Afdeling af dat provinciale staten bij de bepaling van de grenzen en de uitwerking van de kernkwaliteiten van het nationale landschap Noordelijke Wouden in het streekplan reeds rekening hebben gehouden met de realisatie van De Centrale As. Provinciale staten hebben in dat kader reeds beoordeeld of De Centrale As zich verdraagt met het "ja mits"-beleid uit de Nota Ruimte en met het provinciale beleid inzake de nationale landschappen. Zij zijn daarbij, na een afweging van belangen, tot de conclusie gekomen dat De Centrale As een groot openbaar belang dient en - mede vanwege de voorgenomen maatregelen voor de landschappelijke inpassing en landschappelijke compensatie - kan worden gerealiseerd zonder dat de kernkwaliteiten van het nationale landschap Noordelijke Wouden worden aangetast.

Gelet op het voorgaande en gelet op hetgeen de Afdeling onder 2.6 en volgende heeft overwogen over het nut en de noodzaak van De Centrale As hebben provinciale staten zich terecht op het standpunt gesteld dat zij bij de vaststelling van het plan niet opnieuw hoefden te toetsen aan het "ja mits"-beleid uit de Nota Ruimte en het beleid uit het streekplan, nu die toetsing aldus reeds onderdeel was van de besluitvorming van provinciale staten in het kader van de vaststelling van het streekplan en provinciale staten daarbij zijn gebleven binnen de grenzen die de Nota Ruimte heeft gesteld. Daarbij is van belang dat De Centrale As zich uitsluitend bevindt in het deel van het nationale landschap dat niet reeds in de indicatieve weergave in de Nota Ruimte is opgenomen. De Afdeling ziet derhalve geen grond voor het oordeel dat het plan zich op dit punt niet verdraagt met de Nota Ruimte en het streekplan.

2.8.5. Met betrekking tot de compenserende maatregelen overweegt de Afdeling het volgende.

In artikel 9, lid 9.4.4, van de planregels is bepaald dat de gronden met de bestemming "Verkeer" bedoeld voor de rijstroken voor de autoweg De Centrale As na de aanleg van de autoweg De Centrale As en reconstructie niet eerder voor doorgaand gemotoriseerd verkeer in gebruik mogen worden genomen dan nadat de landschapsmaatregelen uit bijlage 5 bij de planregels zijn gerealiseerd.

Voorop staat dat, zoals hierboven reeds is overwogen, provinciale staten bij de vaststelling van het plan niet gehouden waren De Centrale As opnieuw aan het "ja mits"-beleid voor nationale landschappen uit de Nota Ruimte en het streekplan te toetsen. Dit brengt mee dat toetsing van het plan aan de in dat beleid neergelegde criteria inzake het treffen van mitigerende en compenserende maatregelen evenmin aan de orde is. Niettemin kan worden beoordeeld of de in het plan neergelegde compensatieverplichtingen voldoen aan hetgeen een goede ruimtelijke ordening vereist.

Gelet op artikel 9, lid 9.4.4, in samenhang met bijlage 5, van de planregels, is het treffen van landschappelijke maatregelen bindend in het plan geregeld. Bijlage 5 bij de planregels bevat maatregelen voor de landschappelijke inpassing van De Centrale As. Tot deze maatregelen behoren onder meer het achterwege laten van beplanting in bepaalde open landschappen, het aanbrengen van (boom)beplanting in andere delen van het gebied, het verdiept dan wel op maaiveldniveau aanleggen van delen van de weg en het natuurlijk en onopvallend vormgeven van geluidwerende voorzieningen. De inpassingsmaatregelen zijn nader uitgewerkt in het landschapsplan. De Afdeling is, mede gelet op hetgeen hierover in het deskundigenbericht is vermeld, van oordeel dat provinciale staten deze maatregelen in redelijkheid toereikend hebben kunnen achten voor een goede inpassing van De Centrale As in het landschap. In het betoog van It Fryske Gea en anderen dat ook de gebiedsontwikkeling van een groter gebied rond het tracé van De Centrale As in het plan had moeten zijn opgenomen, ziet de Afdeling - zoals onder 2.7.1 reeds is overwogen - geen grond voor het oordeel dat provinciale staten gehouden waren dit aspect in het inpassingsplan voor De Centrale As te regelen.

Met betrekking tot het moment waarop de landschapsmaatregelen moeten zijn getroffen, overweegt de Afdeling het volgende. It Fryske Gea en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat de aanleg en andere voorbereidende werkzaamheden voor De Centrale As tot een onomkeerbare aantasting van het nationale landschap zullen leiden die niet of niet voldoende door het treffen van maatregelen achteraf ongedaan kan worden gemaakt of kan worden gecompenseerd. Bovendien hangt een aantal van de in bijlage 5 bij de planregels genoemde maatregelen naar het oordeel van de Afdeling zodanig samen met de aanleg en inrichting van de weg en de daarbij behorende voorzieningen, dat niet kan worden verlangd dat deze maatregelen reeds vóór de aanleg van De Centrale As worden getroffen. Gelet hierop ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat provinciale staten in artikel 9, lid 9.4.4, van de planregels niet hadden kunnen bepalen dat de landschapsmaatregelen moeten zijn getroffen uiterlijk onmiddellijk voordat De Centrale As in gebruik wordt genomen voor doorgaand gemotoriseerd verkeer.

2.8.6. Met betrekking het betoog van [appellant sub 8] over het kappen van 200 bomen ten behoeve van het tracé tussen Garyperhoek en Nijega overweegt de Afdeling het volgende. Zoals onder 2.8.4 is overwogen, is toetsing aan het "ja mits"-beleid uit de Nota Ruimte thans niet aan de orde. Daarnaast is de Afdeling onder 2.6 en volgende tot het oordeel gekomen dat provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat nut en noodzaak van De Centrale As voldoende zijn aangetoond. Voorts blijkt uit de stukken dat het kappen van houtopstanden wordt gecompenseerd door het herplanten van bomen elders. Provinciale staten hebben onweersproken gesteld dat meer compensatie wordt geboden dan waartoe de Boswet en de Algemene Plaatselijke Verordeningen van de betrokken gemeenten verplichten en dat 89% van de herplant op grond van het Landschapsplan binnen het plangebied wordt gerealiseerd. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het kappen van de door [appellant sub 8] bedoelde houtopstanden niet een dermate ernstige aantasting van het landschap inhoudt dat daaraan een doorslaggevend gewicht had moeten worden toegekend.

2.8.7. Met betrekking tot het betoog van [appellante sub 9] en anderen dat met de beëindiging van hun agrarische bedrijf een belangrijke drager van het landschap verloren gaat, stelt de Afdeling vast dat tussen partijen niet in geschil is dat het agrarische bedrijf niet op de huidige locatie kan worden voortgezet. [appellante sub 9] en anderen hebben evenwel niet nader gespecificeerd welke gevolgen dit voor het landschap in de omgeving zal hebben. Het is derhalve niet aannemelijk geworden dat beëindiging van het bedrijf op deze locatie tot een ernstige aantasting van het landschap zal leiden. Het beroep slaagt in zoverre niet.

Ecologische Hoofdstructuur

2.9. [appellant sub 6] en It Fryske Gea en anderen vrezen dat door De Centrale As een gebied dat behoort tot de Ecologische Hoofdstructuur (hierna: de EHS) zal worden aangetast.

It Fryske Gea en anderen betogen dat er geen groot openbaar belang is dat de doorsnijding van de EHS door De Centrale As kan rechtvaardigen. In dit verband betogen zij dat het nut en de noodzaak van De Centrale As niet zijn aangetoond. Voorts is een extra doorsnijding van het EHS-gebied door De Centrale As volgens hen niet redelijkerwijs onvermijdelijk, omdat er geschikte alternatieven bestaan, zoals het Groene Alternatief, waarbij de EHS alleen ter plaatse van de huidige N356 wordt doorsneden. It Fryske Gea en anderen betogen verder dat de compensatie voor aantasting van de natuurwaarden van het EHS-gebied niet toereikend is, omdat volgens de planregels pas compenserende maatregelen moeten zijn getroffen op het moment van ingebruikname van De Centrale As. Zij vrezen dat ook de aanleg en het treffen van voorbereidende voorzieningen al leiden tot aantasting van de natuurwaarden van het gebied. It Fryske Gea en anderen stellen zich daarnaast op het standpunt dat de aanwezige natuurwaarden onvoldoende zijn onderzocht.

[appellant sub 6] betoogt dat de door het project veroorzaakte schade aan de natuur onvoldoende wordt gecompenseerd en dat de voorgestelde compensatie niet goed in het plan is geregeld.

2.9.1. De Afdeling stelt vast dat de beroepsgronden over de EHS zich uitsluitend richten tegen de aantasting van het tot de EHS behorende gebied ten zuiden van De Falom, dat door De Centrale As wordt doorsneden. Niet in geschil is dat de Natuurbeschermingswet 1998 niet van toepassing is op dit gebied.

2.9.2. Provinciale staten stellen zich op het standpunt dat bij de doorsnijding van het bestaande EHS-gebied bij De Falom wordt voldaan aan de eisen van het "nee tenzij"-regime dat in het streekplan is neergelegd.

Provinciale staten betogen dat - voor zover zich gezien de wijze waarop het project wordt uitgevoerd nog een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied voordoet - er redenen van groot openbaar belang zijn voor de realisatie van De Centrale As en dat er geen reële alternatieven voorhanden zijn voor de doorsnijding van de EHS bij De Falom. De ecologische maatregelen die op grond van het plan dienen te worden getroffen voordat De Centrale As in gebruik mag worden genomen zijn volgens provinciale staten toereikend. Provinciale staten stellen zich op het standpunt dat deze maatregelen niet eerder dan op het moment van de ingebruikname van De Centrale As hoeven te zijn gerealiseerd. Tot de maatregelen behoort onder meer een fly-over met een overspanning van ten minste 150 meter en een hoogte van ten minste 3 meter ten opzichte van het maaiveld. Een andere maatregel is de afwaardering van de Haadwei - die thans deel uitmaakt van de N356 - bij De Falom voor doorgaand gemotoriseerd verkeer; hierdoor zal na de aanleg van De Centrale As alleen nog landbouwverkeer, zeer lokaal bestemmingsverkeer en niet-gemotoriseerd verkeer gebruik mogen maken van dit gedeelte van de Haadwei. Volgens provinciale staten is daarnaast compensatie vereist vanwege areaal- en kwaliteitsverlies in het EHS-gebied. In het plan is daarom voorzien in een EHS-compensatiegebied van 11,2 ha, waaraan bij het plan de bestemming "Natuur-2" is toegekend.

2.9.3. Voorafgaand aan de vaststelling van het plan zijn verschillende onderzoeken naar de natuurwaarden in het gebied van De Centrale As - waaronder het EHS-gebied bij De Falom - verricht. Het betreft onder andere het milieueffectrapport en enkele in verband daarmee opgestelde rapporten. Bij de bepaling van het voorkeurstracé in de milieueffectrapportage is rekening gehouden met de natuurwaarden. Ook na de milieueffectrapportage zijn nog verschillende rapporten over de natuurwaarden in het plangebied opgesteld, zoals onder andere de rapporten "Ecologische toetsing van het tracé van De Centrale As" en "Mitigatie en compensatie voor De Centrale As". Voorts zijn provinciale staten in de plantoelichting en de reactie op de zienswijzen ingegaan op dit onderwerp. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat bij de voorbereiding van het plan onvoldoende onderzoek naar de natuurwaarden is verricht of dat de natuurwaarden onvoldoende bij de vaststelling van het plan zijn betrokken. Het betoog van It Fryske Gea en anderen op dit punt faalt.

2.9.4. In het streekplan is het provinciale beleid met betrekking tot de EHS neergelegd. In paragraaf 2.9.3 van het streekplan is over de bescherming van de EHS vermeld dat nieuwe ruimtelijke plannen in of in de nabijheid van de EHS niet zijn toegestaan als deze de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant aantasten, tenzij er geen reële alternatieven zijn en er sprake is van redenen van groot openbaar belang ("nee tenzij"-principe). Wanneer een nieuw ruimtelijk plan op grond hiervan als onontkoombaar kan worden aangemerkt en aantoonbaar aan deze criteria voldoet, wordt schade zoveel mogelijk door mitigerende maatregelen beperkt. Resterende schade wordt gecompenseerd, aldus het streekplan.

2.9.5. De doorsnijding van de EHS ten zuiden van De Falom is naar oordeel van de Afdeling een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied, reeds omdat blijkens de stukken door de aanleg van De Centrale As 3,9 ha van het EHS-gebied verloren gaat en 6 ha ecologisch minder goed kan functioneren.

Vaststaat dat de realisatie van een autoweg tussen Dokkum en Nijega niet mogelijk is zonder doorsnijding van de EHS ten zuiden van De Falom. De doorsnijding van het EHS-gebied betreft slechts een zeer beperkt deel van het tracé van De Centrale As; het grootste deel van het tracé ligt buiten de EHS. Gezien de ligging van het EHS-gebied ten opzichte van het tracé kan er bovendien van worden uitgegaan dat van het deel van De Centrale As dat buiten de EHS ligt geen significante effecten op het EHS-gebied zullen uitgaan. Provinciale staten hebben ervoor gekozen het EHS-gebied op het smalste punt te doorsnijden. In combinatie met het treffen van ecologische maatregelen en afwaardering van het bestaande tracé van de N356, dat de EHS bij De Falom doorsnijdt, zijn er volgens provinciale staten de minste negatieve effecten te verwachten. De N356, die thans een belangrijke barrière vormt voor realisering van een natte ecologische verbindingszone, wordt immers afgewaardeerd terwijl De Centrale As wordt uitgevoerd door middel van een fly-over die de ontwikkeling van een natte ecologische verbindingszone niet belemmert. In aanmerking genomen dat het EHS-gebied verder zou worden aangetast als een daartoe te verbreden N356 gebruikt zou worden voor De Centrale As en gezien de in het milieueffectrapport opgenomen beoordeling van alternatieven voor het ter plaatse van De Falom gelegen gedeelte van het tracé van De Centrale As, acht de Afdeling het aannemelijk dat reële alternatieven voor de beoogde doorsnijding ontbreken. Nu de door provinciale staten aan het besluit ten grondslag gelegde gronden voor het nut en de noodzaak van het gehele tracé van De Centrale As, zoals blijkt uit hetgeen onder 2.6 en volgende is overwogen, rechtens aanvaardbaar zijn, hebben provinciale staten, in aanmerking genomen dat het criterium van een groot openbaar belang slechts geldt voor het relatief geringe gedeelte van het tracé dat de EHS doorsnijdt en de realisatie van De Centrale As als zodanig derhalve daarvan afhankelijk is, tot de conclusie kunnen komen dat voor die beperkte doorsnijding een groot openbaar belang als bedoeld in het streekplan aanwezig is.

Gelet op het voorgaande bestaat geen grond voor het oordeel dat de aantasting van het EHS-gebied bij De Falom zich niet verdraagt met het "nee tenzij"-regime zoals neergelegd in het streekplan.

2.9.6. Gelet op het streekplan moet vervolgens worden beoordeeld of het plan voorziet in voldoende mitigerende en, indien nodig, compenserende maatregelen om de schade aan de wezenlijke kenmerken en waarden van de EHS zo veel mogelijk te beperken dan wel te compenseren.

Zoals hierboven is overwogen, hebben provinciale staten voor de doorsnijding van de EHS door het tracé van De Centrale As het smalste punt van het EHS-gebied gekozen. Het plan voorziet in mitigerende maatregelen om de aantasting van natuurwaarden van het gebied te beperken. Provinciale staten hebben zich daarbij gebaseerd op het door Altenburg & Wymenga opgestelde rapport "Mitigatie en compensatie voor De Centrale As". Het plan maakt deze maatregelen mogelijk. Uit artikel 9, lid 9.4.3, van de planregels volgt bovendien dat De Centrale As pas voor het doorgaand gemotoriseerd verkeer in gebruik mag worden genomen nadat de ecologische voorzieningen als bedoeld in bijlage 4 bij de planregels zijn gerealiseerd. Het treffen van mitigerende maatregelen ter beperking van de aantasting van de EHS is derhalve bindend in het plan geregeld.

Tot de in bijlage 4 opgenomen maatregelen behoort onder meer een fly-over. De Centrale As wordt met behulp van de fly-over boven het EHS-gebied aangelegd. Niet aannemelijk is gemaakt dat de fly-over geen geschikte maatregel is om de aantasting van de natuurwaarden van het EHS-gebied te beperken. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat provinciale staten de fly-over geen geschikte mitigerende maatregel hebben kunnen achten. Verder zal de bestaande N356 ter plaatse van de doorsnijding van de EHS na de realisatie van De Centrale As worden afgewaardeerd en nog slechts toegankelijk zijn voor landbouwverkeer, zeer lokaal bestemmingsverkeer en niet-gemotoriseerd verkeer. Naar het oordeel van de Afdeling hebben provinciale staten niet ten onrechte aannemelijk geacht dat de belemmeringen die de bestaande doorsnijding oplevert voor het functioneren van de EHS daarmee in belangrijke mate worden weggenomen.

Het plan voorziet voorts in compenserende maatregelen. Volgens het rapport "Mitigatie en compensatie voor De Centrale As" bestaat vanwege de aantasting van het EHS-gebied een compensatiebehoefte van 11,2 ha. De Afdeling ziet, mede gelet op hetgeen in het deskundigenbericht is vermeld, geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten in zoverre niet van dit rapport hadden kunnen uitgaan. Op grond van artikel 9, lid 9.4.5, van de planregels dient, alvorens De Centrale As in gebruik kan worden genomen, EHS-compensatiegebied te worden gerealiseerd. Aan de daarvoor bestemde gronden is in het plan de bestemming "Natuur-2" toegekend. Deze gronden hebben volgens het deskundigenbericht tezamen een oppervlakte van 11,2 ha.

Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan voorziet in toereikende mitigerende en compenserende maatregelen in verband met de aantasting van het EHS-gebied ten zuiden van De Falom.

2.9.7. Hetgeen It Fryske Gea en anderen hebben betoogd over het tijdstip waarop de compenserende maatregelen volgens het plan getroffen moeten worden, doet daaraan niet af. Nu het EHS-gebied niet een gebied is als bedoeld in artikel 10a of 12 van de Natuurbeschermingswet 1998, is artikel 19h, vierde lid, van die wet in dit geval niet van toepassing en hoeft de compensatie niet op grond hiervan reeds voor de aanleg van De Centrale As plaats te vinden. Evenmin vloeit uit het streekplan een verplichting voort dat de compenserende maatregelen voor de aantasting van de EHS moeten zijn verwezenlijkt. Voorts is van belang dat niet aannemelijk is gemaakt dat zich in dit geval vóór de ingebruikname van De Centrale As onomkeerbare gevolgen voor de wezenlijke kenmerken en waarden van het EHS-gebied zullen voordoen die niet of niet voldoende door het treffen van maatregelen achteraf kunnen worden gecompenseerd. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat in dit geval niet kan worden volstaan met de bepaling in de planregels dat de compenserende maatregelen uiterlijk direct voorafgaand aan de ingebruikname van De Centrale As dienen te zijn getroffen.

2.9.8. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het plan, voor zover het de doorsnijding van de EHS ten zuiden van De Falom betreft, in strijd met het streekplan is vastgesteld.

Weidevogelgebieden

2.10. [appellant sub 3] en It Fryske Gea en anderen vrezen aantasting van een weidevogelgebied ten noorden van Garyp door de realisatie van De Centrale As.

It Fryske Gea en anderen betogen, met name ter zitting, in de eerste plaats dat het een belangrijk weidevogelgebied betreft en dat er geen dringende redenen zijn die de realisatie van De Centrale As in dit gebied noodzakelijk maken.

Daarnaast voeren [appellant sub 3] en It Fryske Gea en anderen gronden aan met betrekking tot de compensatie voor de aantasting van het weidevogelgebied. Volgens hen voorziet artikel 9, lid 9.4.6, van de planregels niet in toereikende compensatie. In dat verband betogen It Fryske Gea en anderen in de eerste plaats dat een oppervlakte van 46 ha aan compensatiegebieden onvoldoende is. Volgens hen is ten minste 124,6 ha compensatiegebied nodig om de nadelige gevolgen voor het weidevogelgebied bij Garyp te compenseren. Ook betogen zij dat de compensatiegebieden - die eigendom zijn van derden - bij het plan ten onrechte zijn bestemd als natuurgebied, zodat niet is gegarandeerd dat deze gebieden geschikt en beschikbaar blijven als compensatiegebied voor weidevogels. [appellant sub 3] en It Fryske Gea en anderen voeren daarnaast aan dat artikel 9, lid 9.4.6, van de planregels geen tijdige compensatie voorschrijft, omdat daarin ten onrechte slechts is voorgeschreven dat weidevogelcompensatiegebieden moeten zijn ingericht voordat De Centrale As in gebruik wordt genomen. [appellant sub 3] en It Fryske Gea en anderen vrezen dat ook de aanleg van De Centrale As en het treffen van andere voorbereidende voorzieningen al leiden tot aantasting van het weidevogelgebied. Reeds op dat moment dient de aantasting volgens hen te worden gecompenseerd. [appellant sub 3] betoogt voorts dat de regeling in artikel 9, lid 9.4.6, van de planregels ten onrechte geen rechtsbeschermingsmogelijkheden biedt indien compenserende maatregelen achterwege blijven.

2.10.1. In het streekplan is volgens provinciale staten - zonder dat daartoe een wettelijke verplichting bestond - beleid opgenomen met betrekking tot de bescherming van weidevogelgebieden. In dit beleid is volgens provinciale staten vastgelegd dat goede weidevogelgebieden die door ruimtelijke ingrepen verloren gaan, gecompenseerd dienen te worden. In het Werkplan Weidevogels in Fryslân 2007-2013 (hierna: het Werkplan) heeft de provincie het compensatiebeginsel voor weidevogels nader uitgewerkt.

Volgens provinciale staten zijn weidevogels in het gebied van De Centrale As vooral aan te treffen bij de Stinswei te Garyp en in beperktere mate ook in de andere open gebieden, zoals vlak ten zuiden van Dokkum en in de Hurdegarypster Warren. Door de realisatie van De Centrale As worden deze gebieden in meer of mindere mate aangetast.

Provinciale staten betogen dat het in het streekplan en het Werkplan neergelegde beleid in zijn algemeenheid niet verplicht tot het inrichten van compensatiegebieden, maar dat doorgaans - en ook in dit geval - kan worden volstaan met een financiële bijdrage in een provinciaal fonds voor investeringen in weidevogelbeheer. Om meer zekerheid te bieden over de inrichting van compensatiegebieden hebben provinciale staten echter - naar aanleiding van de ingediende zienswijzen over het ontwerpplan - in artikel 9, lid 9.4.6, van de planregels een regeling voor de compensatie opgenomen, die inhoudt dat binnen de in bijlage 6 aangewezen zoekgebieden 46 ha aan weidevogelcompensatiegebied moet zijn ingericht voordat De Centrale As in gebruik mag worden genomen. Bij de bepaling van de omvang van het compensatiegebied zijn provinciale staten uitgegaan van het Werkplan. Aan de hand van het Werkplan is in het door Altenburg & Wymenga opgestelde rapport "Mitigatie en compensatie voor De Centrale As" de weidevogelcompensatiebehoefte in verband met De Centrale As berekend. Volgens dit rapport bedraagt de compensatiebehoefte 46 ha.

Provinciale staten stellen zich op het standpunt dat het plan hiermee in voldoende compensatie voorziet. Voor het bieden van weidevogelcompensatie is het volgens hen niet noodzakelijk dat de desbetreffende gebieden een specifieke natuurbestemming krijgen. Daarbij wijzen zij erop dat in het Werkplan particulier natuurbeheer en agrarisch natuurbeheer als geschikte methoden voor het inrichten van weidevogelcompensatiegebieden worden beschouwd. Provinciale staten stellen zich voorts op het standpunt dat met de regeling in artikel 9, lid 9.4.6, van de planregels in tijdige compensatie wordt voorzien. Volgens hen is compensatie op een eerder moment niet noodzakelijk.

2.10.2. In artikel 9, lid 9.4.6, van de planregels is bepaald dat de gronden met de bestemming "Verkeer" bedoeld voor de rijstroken voor de autoweg De Centrale As, na aanleg van de autoweg De Centrale As en reconstructie niet eerder voor doorgaand gemotoriseerd verkeer in gebruik mogen worden genomen, dan nadat een of meer weidevogelcompensatiegebieden met een totale grootte van minimaal 46 ha is/zijn ingericht via agrarisch natuurbeheer dan wel via particulier natuurbeheer, welk(e) weidevogelcompensatie-gebied(en) zal(/zullen) worden gevonden binnen de weidevogelcompensatie-zoekgebieden zoals aangegeven in bijlage 6 bij de planregels.

2.10.3. De beroepsgronden over de aantasting van weidevogelgebieden hebben uitsluitend betrekking op het weidevogelgebied ten noorden van Garyp en niet op andere weidevogelgebieden. Het weidevogelgebied ten noorden van Garyp is geen gebied waarop de Natuurbeschermingswet 1998 van toepassing is en maakt geen deel uit van de EHS. Het gebied is blijkens het door Altenburg & Wymenga opgestelde rapport "Ecologische onderbouwing zoekgebieden weidevogelcompensatie De Centrale As" een van de betere weidevogelgebieden in de regio met een hoge biodiversiteit, waar hoge dichtheden voorkomen ook van kritische soorten, zoals grutto, tureluur en slobeend.

2.10.4. In paragraaf 2.9.4 van het streekplan is vermeld dat bescherming en beheer van weidevogels en ganzen buiten de EHS plaatsvindt op basis van vrijwilligheid en niet gepaard gaat met planologische beperkingen. Om noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen goed af te stemmen op de bijzondere verantwoordelijkheid voor weidevogels, vinden provinciale staten het blijkens het streekplan belangrijk dat het weidevogelbelang vroegtijdig betrokken wordt bij de totale ruimtelijke planvorming. Handhaving van voldoende openheid en rust in de voor weidevogels geschikte gebieden is van belang. Verdichting door beplanting en bebouwing is hier volgens het streekplan niet gewenst; het gaat daarbij om niet-agrarische ontwikkelingen, zoals stads- en dorpsuitbreidingen, wegenaanleg en de meer grootschalige nutsvoorzieningen. Bij noodzakelijke ruimtelijke ingrepen van openbaar belang, kan hiervan worden afgeweken. Bij dergelijke ruimtelijke ontwikkelingen dienen weidevogelbelangen als zelfstandig belang in de afweging te worden betrokken. Wanneer na afweging aantasting van de aanwezige weidevogelstand onvermijdelijk blijkt, dragen gemeenten en/of initiatiefnemers zorg voor compensatie van de verloren weidevogelbiotoop, aldus het streekplan.

2.10.5. De Afdeling is onder 2.6 en volgende tot het oordeel gekomen dat provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het nut en de noodzaak van De Centrale As voldoende zijn aangetoond. Dit betekent naar het oordeel van de Afdeling tevens dat provinciale staten De Centrale As hebben kunnen aanmerken als noodzakelijke ruimtelijke ingreep van openbaar belang als bedoeld in paragraaf 2.9.4 van het streekplan. Na afweging van de betrokken belangen zijn provinciale staten tot de conclusie gekomen dat aantasting van de aanwezige weidevogelstand onvermijdelijk is. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat provinciale staten in redelijkheid niet tot deze conclusie hebben kunnen komen.

2.10.6. Vervolgens staat, gelet op het streekplan, ter beoordeling of de compensatie voor de aantasting van weidevogelgebieden voldoende in het plan is geregeld. In het streekplan is immers vermeld dat gemeenten en/of initiatiefnemers zorg dragen voor compensatie van de verloren weidevogelbiotoop wanneer na afweging aantasting van de aanwezige weidevogelstand onvermijdelijk blijkt.

2.10.7. Met betrekking tot de oppervlakte van de in te richten weidevogelcompensatiegebieden overweegt de Afdeling het volgende.

De benodigde oppervlakte voor weidevogelcompensatiegebieden in verband met de realisatie van De Centrale As is blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting berekend aan de hand van het Werkplan. In het Werkplan is het beleid uit het streekplan nader uitgewerkt. Dat de methode-Reijnen, een alternatieve methode voor de berekening van de compensatiebehoefte die die behoefte uitdrukt in verlies van aantallen territoria, tot een beduidend groter compensatiegebied komt, is naar het oordeel van de Afdeling niet toereikend voor het oordeel dat provinciale staten bij de berekening van de oppervlakte de methode uit het Werkplan niet konden toepassen. Volgens het deskundigenbericht dient in dit geval, uitgaande van een verlies van 62,3 territoria en een oppervlakte van 46 ha aan compensatiegebied, in het compensatiegebied een dichtheid van gemiddeld 1,35 weidevogelterritoria per ha te worden gerealiseerd, in aanvulling op de bestaande territoriumdichtheid. Naar het oordeel van de Afdeling hebben provinciale staten aannemelijk kunnen achten dat binnen de zoekgebieden weidevogelgebieden kunnen worden ingericht waarbij deze gemiddelde dichtheid kan worden bereikt. In dat verband is onder meer het door Altenburg & Wymenga opgestelde rapport "Uitwerking van weidevogelcompensatie voor De Centrale As" van belang, waarin de wijze van uitvoering van de weidevogelcompensatie nader is uitgewerkt en waarin tevens maatregelen voor de inrichting van de gebieden zijn vermeld. Uit dit rapport kan worden afgeleid dat provinciale staten voor de weidevogelcompensatie met name gebruik willen maken van in potentie voor weidevogels geschikte gebieden waar nu nog lage weidevogeldichtheden bestaan en waar de weidevogelstand door middel van maatregelen substantieel kan worden uitgebreid. Uit de stukken blijkt dat onder meer het nabijgelegen zoekgebied Garyp Suwâld een dergelijk gebied is. Gelet op het voorgaande kan niet worden geoordeeld dat provinciale staten een oppervlakte van 46 ha voor de in te richten weidevogelcompensatiegebieden in redelijkheid niet toereikend hebben kunnen achten.

2.10.8. Ten aanzien van het betoog dat de planregels onvoldoende garanderen dat de weidevogelcompensatiegebieden na de inrichting in stand worden gehouden als weidevogelgebied stelt de Afdeling voorop dat het streekplan niet zonder meer verplicht tot compensatie in de vorm van het daadwerkelijk inrichten van compensatiegebieden, maar ook compensatie door middel van een storting in het provinciale weidevogelcompensatiefonds toelaat. Slechts onder bijzondere omstandigheden is dit anders. Anders dan aan de orde was in de zaak die leidde tot de uitspraak van de Afdeling van 7 juni 2009, nr. 200802433/1, gaat het in het onderhavige geval niet om een zeer goede weidevogelstand die verloren gaat en is niet aannemelijk gemaakt dat De Centrale As verstrekkende gevolgen heeft voor de gehele weidevogelpopulatie in het gebied ten noorden van Garyp. Het grootste deel van dat gebied wordt immers niet door De Centrale As aangetast. Er bestaat daarom geen grond voor het oordeel dat de omstandigheden in dit geval vergen dat meer inzicht wordt geboden in de wijze waarop compensatie daadwerkelijk kan en zal plaatsvinden.

De Afdeling stelt vast dat artikel 9, lid 9.4.6, van de planregels niettemin enig inzicht verschaft in de wijze waarop compensatie daadwerkelijk kan en zal plaatsvinden, aangezien daarin wordt verwezen naar bijlage 6 bij de planregels, waarin zoekgebieden zijn aangewezen waarbinnen de compensatiegebieden zullen moeten worden ingericht, en in artikel 9, lid 9.4.6, van de planregels bovendien is vermeld dat de inrichting van de compensatiegebieden zal geschieden door middel van agrarisch en/of particulier natuurbeheer. Daar komt bij dat provinciale staten ter zitting onweersproken hebben gesteld dat zich binnen de weidevogelzoekgebieden uit bijlage 6 bij de planregels ten minste 46 ha grond bevindt die in eigendom is van de provincie Fryslân, zodat naar het oordeel van de Afdeling voldoende is verzekerd dat indien nodig binnen de zoekgebieden 46 ha aan weidevogelgebieden kan worden ingericht zonder dat daarvoor de medewerking van andere partijen is vereist.

Gelet hierop ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat artikel 9, lid 9.4.6, van de planregels onvoldoende duidelijkheid biedt over de wijze van compensatie. Niet kan worden geoordeeld dat in aanvulling daarop bij de vaststelling van het plan reeds concrete, op de functie van weidevogelcompensatiegebied toegesneden, bestemmingen aan toekomstige compensatiegebieden hadden moeten worden toegekend.

2.10.9. Ten aanzien van het moment waarop de compensatiegebieden moeten zijn ingericht, brengt de regeling in artikel 9, lid 9.4.6, van de planregels mee dat de weidevogelcompensatiegebieden uiterlijk moeten zijn ingericht op het moment dat De Centrale As in gebruik wordt genomen. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat met deze regeling geen toereikende compensatie wordt geboden. Weliswaar kan ervan worden uitgegaan dat de aanleg van De Centrale As reeds leidt tot aantasting van het weidevogelgebied bij Garyp, nu de weg gedeeltelijk in dit gebied wordt aangelegd. Zoals hierboven is overwogen, doet zich in dit geval echter geen situatie voor waarin ter compensatie van de aantasting van weidevogelgebieden niet zou kunnen worden volstaan met een financiële bijdrage in het provinciale compensatiefonds. Provinciale staten hebben, zonder dat het streekplan daartoe in dit geval verplicht, een meeromvattende regeling voor de compensatie in de planregels opgenomen. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat provinciale staten daarbij hadden moeten bepalen dat de compensatiegebieden reeds moeten zijn ingericht op het moment dat de werkzaamheden voor de aanleg van De Centrale As worden uitgevoerd. Dat geldt te meer, nu [appellant sub 3] en It Fryske Gea en anderen niet aannemelijk hebben gemaakt dat de aanlegwerkzaamheden onomkeerbare gevolgen voor de weidevogelstand zullen hebben die niet door het inrichten van compensatiegebieden op een later moment afdoende kunnen worden gecompenseerd. In dat verband is mede van belang dat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting kan worden aangenomen dat de aantasting van het gebied bij Garyp een betrekkelijk klein gebied betreft en plaatsvindt aan de randen van het gebied, waar zich voornamelijk coulissenlandschap bevindt en waar de waarde voor weidevogels daarom relatief laag is in vergelijking met de rest van het weidevogelgebied. Tevens acht de Afdeling van belang dat in de onmiddellijke nabijheid van het aangetaste gebied het grotere weidevogelgebied van de Stinswei onaangetast blijft.

2.10.10. Het betoog van [appellant sub 3] dat tegen het uitblijven van weidevogelcompensatie geen bestuursrechtelijke rechtsbescherming openstaat, mist feitelijke grondslag. Artikel 9, lid 9.4.6, van de planregels staat de ingebruikname van De Centrale As slechts toe nadat is voldaan aan de verplichting om weidevogelcompensatiegebieden zoals omschreven in die bepaling in te richten. Een belanghebbende kan het bevoegd gezag om bestuursrechtelijke handhaving verzoeken indien De Centrale As in gebruik wordt genomen voordat de weidevogelcompensatie-gebieden op de voorgeschreven wijze zijn ingericht. Tegen de beslissing op een dergelijk verzoek staat bestuursrechtelijke rechtsbescherming open.

2.10.11. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat het plan, voor zover het de aantasting van weidevogelgebieden en de compensatie voor die aantasting betreft, niet in strijd is met het streekplan. Ook overigens ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat toereikende compensatie voor de aantasting van weidevogelgebieden, gelet op artikel 9, lid 9.4.6, van de planregels, niet is gewaarborgd.

Flora- en faunawet

2.11. It Fryske Gea en anderen betogen dat voor de realisatie van De Centrale As een of meer ontheffingen op grond van de Flora- en faunawet (hierna: de Ffw) zijn vereist vanwege het verstoren van enkele soorten vleermuizen en dat onzeker is of deze ontheffingen kunnen worden verleend.

It Fryske Gea en anderen voeren in dit verband aan dat provinciale staten ten onrechte de te treffen compenserende maatregelen hebben betrokken bij de beantwoording van de vraag of een ontheffing op grond van de Ffw is vereist. Voorts voeren zij aan dat geen toereikend onderzoek is gedaan naar de natuurwaarden. Daarnaast betogen zij dat alleen een ontheffing kan worden verleend als er dwingende redenen van groot openbaar belang zijn die de ingrepen noodzakelijk maken, omdat het soorten betreft die zijn genoemd in bijlage IV bij de Habitatrichtlijn. Voorts kan volgens hen geen ontheffing worden verleend, omdat de instandhouding van de populatie onvoldoende is verzekerd. Verder betogen It Fryske Gea en anderen dat de effectiviteit van de voorgestelde maatregelen, in het bijzonder de hop-overs, onvoldoende is aangetoond.

2.11.1. Provinciale staten stellen zich op het standpunt dat geen ontheffingen op grond van de Ffw zijn vereist in verband met de verstoring van vleermuizen. Zij betogen primair dat het in dit geval vooral gaat om onderbreking van vliegroutes van de vleermuizen. Volgens provinciale staten leidt dit niet tot een overtreding van een van de verboden die in de artikelen 9 tot en met 12 van de Ffw zijn neergelegd, onder meer omdat een verstoring van nesten of vaste rust- of verblijfplaatsen niet aan de orde is. Voor zover handelingen worden verricht die binnen de reikwijdte van de artikelen 9 tot en met 12 van de Ffw vallen, stellen provinciale staten dat vanwege het treffen van voldoende mitigerende maatregelen geen ontheffing op grond van de Ffw is vereist.

Voor zover de realisatie van De Centrale As toch een of meer ontheffingen op grond van de Ffw zijn vereist, stellen provinciale staten zich op het standpunt dat deze ontheffingen kunnen worden verleend. Volgens provinciale staten wordt aan de vereisten voor de verlening van een ontheffing voldaan, omdat met de aanleg van De Centrale As dwingende redenen van groot openbaar belang worden gediend, geen andere bevredigende oplossing bestaat en geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort. In dat verband wijzen provinciale staten tevens op de voorgenomen maatregelen die zijn beschreven in het rapport "Mitigatie en compensatie voor De Centrale As", waaronder het plaatsen van zogenoemde hop-overs (oversteekplaatsen) voor vleermuizen.

2.11.2. De Afdeling begrijpt deze beroepsgronden aldus dat volgens It Fryske Gea en anderen de Ffw in de weg staat aan de uitvoerbaarheid van het plan. De vragen of een vrijstelling geldt dan wel een ontheffing op grond van de Ffw nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel aan de orde in een procedure op grond van de Ffw. Dat doet er niet aan af dat provinciale staten het plan niet hadden kunnen vaststellen, indien en voor zover zij op voorhand in redelijkheid hadden moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

2.11.3. In het rapport "Mitigatie en Compensatie voor De Centrale As" is vermeld dat in het gebied van De Centrale As acht soorten vleermuizen voorkomen, die alle zijn vermeld in bijlage IV bij de Habitatrichtlijn. In het rapport zijn de effecten van De Centrale As voor deze soorten beschreven.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat na de vaststelling van het plan ontheffingen op grond van de Ffw zijn aangevraagd. In het kader van die procedure dient te worden beoordeeld of inderdaad een ontheffing is vereist. Voor zover het de aantasting van de vliegroutes van vleermuizen betreft, komt het de Afdeling thans niet onaannemelijk voor dat dit niet leidt tot een verstoring van vaste rust- of verblijfplaatsen of tot overtreding van een van de andere verboden uit artikel 9 tot en met 12 van de Ffw. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 18 mei 2011, nr. 201001013/1/R3, wordt het aantasten van foerageergebieden en migratieroutes van vleermuizen immers niet begrepen onder het verstoren van vaste rust- en verblijfplaatsen als bedoeld in artikel 11 van de Ffw, tenzij deze samenvallen met vaste rust- of verblijfplaatsen. Niet aannemelijk is gemaakt dat de vliegroutes van de vleermuizen in dit geval samenvallen met vaste rust- of verblijfplaatsen.

Gelet op hetgeen in het rapport "Mitigatie en compensatie voor De Centrale As" is vermeld, gaat de Afdeling er echter van uit dat in andere opzichten wel verstoringen plaatsvinden die binnen de reikwijdte van de artikelen 9 tot en met 12 van de Ffw vallen en waarvoor derhalve in beginsel een ontheffing op grond van de Ffw is vereist. Het betreft onder meer het verdwijnen van enkele gebouwen die als dagverblijfplaats voor vleermuizen fungeren.

2.11.4. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat provinciale staten op voorhand in redelijkheid hadden moeten inzien dat een ontheffing op grond de Ffw - voor zover vereist - in dit geval niet kan worden verleend. Niet aannemelijk is gemaakt dat provinciale staten er op voorhand in redelijkheid niet van konden uitgaan dat dwingende redenen van groot openbaar belang aanwezig zijn en dat geen andere bevredigende oplossing bestaat. Voorts is van belang dat het plan het treffen van mitigerende maatregelen, waaronder het aanbrengen van hop-overs, mogelijk maakt en dat uit de planregels bovendien volgt dat De Centrale As pas voor doorgaand gemotoriseerd verkeer in gebruik mag worden genomen nadat deze maatregelen, neergelegd in bijlage 4 van de planregels, zijn gerealiseerd. Gelet op hetgeen hierover in het deskundigenbericht is vermeld, ziet de Afdeling bovendien geen grond voor de verwachting dat de hop-overs niet effectief zijn om de negatieve effecten van De Centrale As op de vliegroutes van de vleermuizen te mitigeren. Derhalve bestaat geen grond voor de verwachting dat afbreuk zal worden gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de vleermuizensoorten.

De vraag of met het beleid van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, waarnaar provinciale staten verwijzen, inhoudende dat geen ontheffing is vereist indien voldoende mitigerende maatregelen worden getroffen, bij het beslissen op aanvragen om ontheffing op grond van de Ffw een juiste toepassing wordt gegeven aan de Ffw en de Habitatrichtlijn, dient in een eventuele procedure over een besluit omtrent de verlening van een ontheffing te worden beoordeeld. De onderhavige procedure leent zich, anders dan It Fryske Gea en anderen hebben betoogd, naar het oordeel van de Afdeling niet voor de beantwoording van deze vraag.

Gezien het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten op voorhand in redelijkheid hadden moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

Het beroep van [appellant sub 1]

2.12. [appellant sub 1] exploiteert een melkveehouderij op het perceel [locatie 1] te Hurdegaryp. Ten behoeve van De Centrale As wordt ter hoogte van de Rijksstraatweg een rotonde aangelegd. Deze rotonde bevindt zich ten dele op gronden die tot de huiskavel van [appellant sub 1] behoren.

2.13. Het beroep van [appellant sub 1] richt zich in de eerste plaats tegen het plan voor zover dit ter hoogte van zijn bedrijf niet voorziet in een veetunnel onder de Rijksstraatweg. [appellant sub 1] vreest een onevenredige beperking van zijn bedrijfsvoering, omdat hij vanwege de aanleg van De Centrale As gronden moet afstaan ter plaatse van zijn huiskavel ten noorden van de Rijksstraatweg. [appellant sub 1] stelt dat hij hierdoor genoodzaakt is zijn melkkoeien dagelijks met een veewagen te vervoeren naar de weiden ten zuiden van de Rijksstraatweg. [appellant sub 1] betoogt voorts dat het plan in zoverre in strijd met het gelijkheidsbeginsel is vastgesteld, omdat bij een agrarisch bedrijf in Broeksterwâld wel in een veetunnel is voorzien.

2.13.1. Provinciale staten stellen zich op het standpunt dat het in de huidige situatie voor [appellant sub 1] ook niet mogelijk is om met zijn koeien de Rijksstraatweg over te steken en dat de aanleg van een tunnel niet reëel is vanwege de daaraan verbonden kosten van naar schatting € 200.000 tot € 300.000 voor een onderdoorgang van ongeveer 50 meter. Volgens provinciale staten is ongewijzigde voortzetting van de huidige bedrijfsvoering bovendien niet noodzakelijk voor de voortzetting van het bedrijf. Daarnaast betogen zij dat eventuele schade door beperkingen in de bedrijfsvoering voor vergoeding in aanmerking komt.

2.13.2. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat [appellant sub 1] een deel van de huiskavel zal moeten afstaan voor de aanleg van de rotonde. Op de huiskavel ten noorden van de Rijksstraatweg worden thans de melkkoeien beweid en staat tevens de bedrijfswoning en overige bedrijfsbebouwing. De Afdeling acht het aannemelijk dat de huiskavel zodanig in omvang zal afnemen, dat de melkkoeien na de aanleg van De Centrale As niet meer, of niet meer volledig, op de gronden ten noorden van de Rijksstraatweg kunnen worden beweid.

Hoewel hieruit beperkingen voortvloeien voor de bedrijfsvoering van [appellant sub 1], is de Afdeling van oordeel dat provinciale staten het belang van de realisatie van De Centrale As zwaarder hebben kunnen laten wegen dan het belang van [appellant sub 1] bij een ongewijzigde voortzetting van de bedrijfsvoering. Daarbij acht de Afdeling onder meer van belang dat aan de aanleg van een veetunnel hoge kosten zijn verbonden. Voorts is van belang dat ter zitting aannemelijk is geworden dat voortzetting van een melkveehouderij op het perceel op zichzelf bij het ontbreken van een veetunnel niet onmogelijk is, omdat alternatieven voor de beweiding bestaan. Ter zitting heeft [appellant sub 1] gesteld dat hij bij het toepassen van die alternatieven niet aan zijn contractuele verplichtingen met betrekking tot het productieproces kan voldoen. Voor zover [appellant sub 1] hierdoor schade lijdt, of anderszins schade lijdt als gevolg van de aanleg van de rotonde en het ontbreken van een veetunnel, is tevens van belang dat provinciale staten ter zitting hebben bevestigd dat geheel in de vergoeding van deze schade zal worden voorzien. Voor het overige is de mogelijke schade een aspect dat primair in het kader van een verzoek om planschadevergoeding of nadeelcompensatie dient te worden beoordeeld. Hiervoor bestaan aparte procedures met eigen rechtsbeschermingsmogelijkheden. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond voor de verwachting dat de schade zodanig zal zijn dat provinciale staten bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht hadden moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn.

2.13.3. Ten aanzien van de door [appellant sub 1] gemaakte vergelijking met een veetunnel in Broeksterwâld wordt overwogen dat provinciale staten zich op het standpunt hebben gesteld dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie, omdat de kosten van de aanleg van een veetunnel bij het bedrijf van [appellant sub 1] hoger zijn en omdat het bij de veehouderij in Broeksterwâld, anders dan bij [appellant sub 1], ging om het oversteken van een voorheen rustige weg die na de realisatie van De Centrale As veel drukker zal worden en een hogere maximumsnelheid zal hebben. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich ten onrechte op het standpunt hebben gesteld dat de door [appellant sub 1] genoemde situatie niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie.

2.14. Het beroep van [appellant sub 1] richt zich tevens tegen de aanduiding "wro-zone-wijzigingsgebied 2", die aan een perceel ten westen van de huiskavel is toegekend. [appellant sub 1] kan zich er niet mee verenigen dat na wijziging van het plan op korte afstand van zijn woning een LPG-tankstation kan worden gerealiseerd.

2.14.1. Op het door [appellant sub 1] bedoelde perceel rust ingevolge het plan de bestemming "Verkeer" met de aanduiding "wro-zone-wijzigingsgebied 2".

Uit artikel 9, lid 9.8.1, aanhef en onder c, van de planregels volgt dat gedeputeerde staten het plan onder meer kunnen wijzigen in die zin dat ter plaatse van de aanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied 2" de bestemming "Verkeer" wordt gewijzigd in de bestemming "Bedrijf - Verkooppunt van motorbrandstoffen", waarbij een aanduiding ten behoeve van een verkooppunt van motorbrandstoffen inclusief LPG kan worden opgenomen. Daarbij is onder meer bepaald dat het plan slechts in deze zin kan worden gewijzigd indien wordt voldaan aan de regels uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: het Bevi).

2.14.2. Provinciale staten stellen dat de minimale afstand die op grond van de Regeling externe veiligheid inrichtingen (hierna: de Revi) in acht moet worden genomen tussen het tankstation en de woning van [appellant sub 1] in een geval als het onderhavige 45 meter is. Verder dient volgens provinciale staten op grond van de VNG-brochure "Bedrijven en milieuzonering" een afstand van 50 meter te worden aangehouden. Aan deze afstanden wordt volgens hen voldaan.

2.14.3. Uit artikel 5, eerste tot en met derde lid, in samenhang met artikel 4, vijfde lid, aanhef en onder a, van het Bevi volgt dat het bevoegd gezag bij de vaststelling van een inpassings- of wijzigingsplan op grond waarvan de bouw of vestiging van (beperkt) kwetsbare objecten wordt toegelaten de in de Revi neergelegde afstanden tot kwetsbare objecten in acht dient te nemen en rekening dient te houden met de in de Revi neergelegde afstanden tot beperkt kwetsbare objecten. Ingevolge artikel 2, in samenhang met bijlage 1, tabel 1, van de Revi geldt voor LPG-tankstations een afstand tot (beperkt) kwetsbare objecten van 45 meter vanaf het vulpunt bij een doorzet van minder dan 1.000 m3 LPG per jaar. Bij een doorzet van 1.000 m3 LPG per jaar of meer geldt een afstand van 110 meter vanaf het vulpunt.

2.14.4. De woning van [appellant sub 1] bevindt zich buiten het plangebied. Artikel 5 van het Bevi is derhalve in dit geval niet van toepassing. De Afdeling overweegt - onder verwijzing naar haar uitspraak van 10 oktober 2007 in zaak nr. 200607218/1 - dat voor de beantwoording van de vraag of een LPG-tankstation nabij de woning van [appellant sub 1] kan worden toegelaten, in beginsel bij de normstelling in artikel 5 van het Bevi, in samenhang met artikel 2 en bijlage 1, tabel 1, van de Revi, dient te worden aangesloten.

De Afdeling overweegt dat een dergelijke analoge toetsing aan het Bevi en de Revi eerst hoeft te worden uitgevoerd bij de vaststelling van een wijzigingsplan dat de vestiging van een LPG-tankstation ter plaatse daadwerkelijk mogelijk maakt. Het thans ter beoordeling staande plan maakt het LPG-tankstation immers nog niet mogelijk, maar voorziet slechts in een wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van een dergelijk tankstation.

De wijze waarop de wijzigingsbevoegdheid wordt toegepast en de vraag of bij die wijziging wordt voldaan aan de afstandseisen in verband met het plaatsgebonden risico die uit het Bevi en de Revi voortvloeien, staan in de onderhavige procedure dan ook niet ter beoordeling, maar kunnen in het kader van een eventuele beroepsprocedure tegen het wijzigingsplan worden beoordeeld. Wel kan thans worden beoordeeld of deze afstandseisen op voorhand aan de toepassing van de wijzigingsbevoegdheid voor het LPG-tankstation in de weg staan.

2.14.5. De Afdeling stelt vast dat de afstand tussen de grens van het wijzigingsgebied en de woning van [appellant sub 1] ongeveer 60 meter bedraagt. Het plan maakt het mogelijk dat - na vaststelling van een wijzigingsplan - op deze afstand van de woning een LPG-tankstation wordt opgericht. Uit artikel 9, lid 9.8.1, aanhef en onder c, van de planregels volgt echter dat uitsluitend van de wijzigingsbevoegdheid gebruik kan worden gemaakt indien aan de regels van het Bevi en de Revi wordt voldaan. Gezien de afstand tussen de grens van het wijzigingsgebied en de woning van [appellant sub 1] is een invulling van de wijzigingsbevoegdheid mogelijk waarbij wordt voldaan aan de - analoog toe te passen - afstandseisen uit tabel 1 van bijlage 1 bij de Revi. Bij een LPG-doorzet van minder dan 1.000 m3 per jaar geldt immers een afstandseis van 45 meter tussen het vulpunt en (beperkt) kwetsbare objecten. De afstand tussen de grens van het wijzigingsgebied en de woning van [appellant sub 1] is meer dan 45 meter. Deze afstand is voorts meer dan 50 meter, zoals aanbevolen in de VNG-brochure "Bedrijven en milieuzonering".

Dat de afstand tussen de grens van het wijzigingsgebied en de woning van [appellant sub 1] minder is dan de afstand van 110 meter die volgens de Revi geldt bij een jaarlijkse LPG-doorzet van 1.000 m3 of meer, terwijl het plan de vestiging van een tankstation met een dergelijke doorzet niet uitsluit, maakt dat niet anders. Er is immers ten minste één invulling van de wijzigingsbevoegdheid mogelijk die aan de - analoog toe te passen - eisen van het Bevi en de Revi voldoet. Bovendien is, gelet op de ligging van het wijzigingsgebied, niet uitgesloten dat bij de vaststelling van een wijzigingsplan de plaats voor het vulpunt voor het LPG-tankstation zodanig wordt aangewezen, dat eveneens een afstand van ten minste 110 meter tot (beperkt) kwetsbare objecten in acht wordt genomen.

De gevolgen van de oprichting van het LPG-tankstation voor het woon- en leefklimaat van [appellant sub 1] dienen voor het overige primair in het kader van de toepassing van de wijzigingsbevoegdheid te worden beoordeeld. Gelet op hetgeen [appellant sub 1] naar voren heeft gebracht, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat deze gevolgen zodanig zullen zijn, dat provinciale staten de onderhavige wijzigingsbevoegdheid op voorhand in redelijkheid niet in het plan hadden kunnen opnemen.

Het beroep van Schreiershoek Recreatie

2.15. Schreiershoek Recreatie exploiteert een recreatiebedrijf bestaande uit een camping en vakantiewoningen aan de Tichelwei te Oostrum. Op het terrein staan tevens twee bedrijfswoningen. Het terrein ligt ten oosten van het tracé van De Centrale As. Ter hoogte van het recreatiebedrijf zal De Centrale As enkelbaans (2x1) worden uitgevoerd.

2.16. Schreiershoek Recreatie betoogt in de eerste plaats dat De Centrale As leidt tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat op het recreatieterrein, in het bijzonder door geluidhinder, luchtverontreiniging en lichthinder. Schreiershoek stelt in dit verband tevens dat het tracé van De Centrale As aanmerkelijk dichter bij het recreatiebedrijf komt te liggen dan de huidige oostelijke rondweg van Dokkum, namelijk op ongeveer 90 m van het terrein. Voorts stelt zij dat ter plaatse feitelijk een vier rijstroken brede weg ontstaat, omdat aan de binnenzijde van De Centrale As tevens een nieuwe rondweg wordt aangelegd over een lengte van 200 meter.

Schreiershoek Recreatie vreest dat het uitzicht vanaf het recreatieterrein zal worden aangetast, omdat het tracé van De Centrale As prominent in de zichtlijnen van het recreatieterrein zal liggen.

Daarnaast voert Schreiershoek Recreatie aan dat de geluidhinder en luchtverontreiniging op het recreatieterrein sterk zullen toenemen door onder meer de te verwachten toename van de verkeersintensiteit en de verhoging van de maximumsnelheid van 80 km/uur op de huidige rondweg naar 100 km/uur op De Centrale As. Daarnaast stelt zij dat de in het tracé opgenomen brug geluidhinder veroorzaakt. Deze geluidhinder is volgens haar in het akoestisch onderzoek ten onrechte buiten beschouwing gelaten. Voorts hebben provinciale staten volgens Schreiershoek Recreatie een geluidscherm ten onrechte niet effectief geacht. Zij wijst erop dat ter plaatse van een iets noordelijker gelegen pluimveebedrijf wel een geluidscherm wordt opgericht.

Ten slotte betoogt Schreiershoek Recreatie dat De Centrale As leidt tot een toename van lichthinder bij haar recreatie- en bedrijfswoningen door inschijnende koplampen. Volgens haar hebben provinciale staten bij de vaststelling van het plan onvoldoende rekening gehouden met deze hinder.

2.16.1. Provinciale staten stellen dat het tracé ter hoogte van het bedrijf van Schreiershoek Recreatie op de bestaande rondweg is geprojecteerd en pas ongeveer 500 m ten zuiden van de brug over het Dokkumer Grutdjip van de bestaande rondweg afwijkt in oostelijke richting. Ook ten aanzien van de parallelweg aan de westkant van De Centrale As is de situatie volgens provinciale staten niet anders dan voorheen.

Voorts stellen provinciale staten zich op het standpunt dat ter plaatse van het recreatiebedrijf een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is gewaarborgd. Door de toepassing van een geluidreducerend wegdek zal de geluidbelasting volgens hen zelfs afnemen ten opzichte van de bestaande situatie. Ook de lichthinder door inschijnende koplampen zal volgens provinciale staten na de aanleg van De Centrale As afnemen, omdat het tracé ter plaatse geen bocht meer bevat. In de huidige situatie wordt lichthinder volgens hen veroorzaakt doordat in het tracé van de oostelijke rondweg rond Dokkum ter hoogte van het bedrijf een flauwe bocht aanwezig is en de koplampen van de voertuigen bij het ingaan van de bocht in de richting van het recreatieterrein schijnen.

2.16.2. Met betrekking tot de ligging van het tracé ten opzichte van het terrein van Schreiershoek Recreatie overweegt de Afdeling het volgende.

Ter hoogte van het recreatiebedrijf is op de verbeelding binnen de bestemming "Verkeer" de aanduiding "as van de weg" opgenomen.

Uit artikel 9, lid 9.4.1, aanhef en onder a, van de planregels volgt dat het bestemmingsvlak voor de bestemming "Verkeer" niet zodanig mag worden ingericht dat rijstroken niet worden aangelegd direct grenzend aan weerszijden van de in het bestemmingsvlak aangegeven as van de weg of dat aan weerszijden van de aangegeven as van de weg de weg wordt gebruikt voor meer dan één rijstrook. Dit betekent dat de weg aan de zijde van het recreatiebedrijf niet breder mag zijn dan de maximale breedte van één rijstrook, gerekend vanaf de op de verbeelding weergegeven as van de weg. Dat het bestemmingsvlak met de bestemming "Verkeer" zich verder in de richting van het perceel van Schreiershoek Recreatie uitstrekt, maakt dat niet anders. Op de verbeelding is de aanduiding "as van de weg" geprojecteerd op het midden van de huidige oostelijke rondweg, die ter plaatse eveneens enkelbaans is uitgevoerd. Gelet hierop kan niet worden geoordeeld dat De Centrale As op grond van het plan wezenlijk dichter bij het recreatieterrein zal mogen liggen dan de bestaande rondweg. Het beroep mist in zoverre feitelijke grondslag.

Uit de stukken blijkt verder dat aan de westzijde van De Centrale As een parallelweg komt te liggen. Deze parallelweg wordt gevormd door de bestaande weg Hogedijken en een nieuw weggedeelte dat daarop wordt aangesloten. Uit de verbeelding leidt de Afdeling af dat de parallelweg ter hoogte van het recreatiebedrijf de bestaande Hogedijken volgt. Voorts is naar het oordeel van de Afdeling aannemelijk dat de parallelweg gezien zijn functie een veel lagere verkeersintensiteit zal hebben dan De Centrale As. De Afdeling acht het dan ook niet aannemelijk dat de effecten van de parallelweg voor het bedrijf van Schreiershoek Recreatie kunnen worden gelijkgesteld met die van De Centrale As, te meer nu de parallelweg ten westen van De Centrale As zal liggen. Ook in zoverre mist het beroep feitelijke grondslag.

2.16.3. Met betrekking tot de aantasting van het uitzicht wordt als volgt overwogen.

De Afdeling overweegt allereerst dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. Er bestaat derhalve geen blijvend recht op een vrij uitzicht. Provinciale staten kunnen op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen. Volgens het deskundigenbericht is er geen wijziging in het zicht vanaf het recreatieterrein op de weg ter hoogte van het terrein, onder meer omdat de afstand tot De Centrale As even groot is als die tot de huidige rondweg, de ligging van de brug niet verandert en De Centrale As ter plaatse enkelbaans (2x1) wordt uitgevoerd. Volgens het deskundigenbericht is er in zuidelijke richting wel een wijziging van het uitzicht vanaf het recreatieterrein, omdat er thans onbelemmerd zicht is en De Centrale As op ongeveer 400 meter ten zuiden van het terrein naar het oosten afbuigt ten opzichte van het tracé van de huidige rondweg. Deze wijziging van het uitzicht is volgens het deskundigenbericht niet ingrijpend. Schreiershoek Recreatie heeft niet aannemelijk gemaakt dat de conclusies van het deskundigenbericht op dit punt onjuist zijn.

Gelet op het voorgaande hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aantasting van het uitzicht vanaf het terrein van Schreiershoek Recreatie niet zo ernstig is dat daaraan een doorslaggevend belang had moeten worden toegekend.

2.16.4. Ten aanzien van de beroepsgrond over luchtverontreiniging moet worden vastgesteld dat bij de voorbereiding van het plan een luchtkwaliteitsonderzoek is uitgevoerd. Uit dit onderzoek blijkt dat langs het gehele tracé van De Centrale As aan de wettelijke luchtkwaliteitsgrenswaarden zal worden voldaan. De verwachte concentraties schadelijke stoffen zijn volgens het luchtkwaliteitsonderzoek lager dan de wettelijk toegestane maximale concentraties. Schreiershoek Recreatie heeft de conclusies van het onderzoek niet bestreden.

2.16.5. Met betrekking tot geluidhinder overweegt de Afdeling het volgende.

Bij de voorbereiding van het plan is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, blijkt dat de geluidhinder vanwege het verkeer op de brug over het Dokkumer Grutdjip, anders dan Schreiershoek Recreatie stelt, in het akoestisch onderzoek is betrokken. Schreiershoek Recreatie heeft de uitkomsten van het akoestisch onderzoek voor het overige niet bestreden.

Volgens het akoestisch onderzoek blijft de geluidbelasting op de bedrijfswoningen onder de voorkeursgrenswaarde van 48 dB die ingevolge de artikelen 76 en 82 van de Wet geluidhinder in acht dient te worden genomen. Het plan is derhalve niet in strijd met die bepalingen vastgesteld. Nu de voorkeursgrenswaarde niet wordt overschreden, verplicht de Wet geluidhinder niet tot het treffen van maatregelen zoals het aanbrengen van een geluidscherm. Daar komt bij dat de Afdeling in hetgeen Schreiershoek Recreatie heeft aangevoerd over het geluidscherm bij een nabijgelegen pluimveehouderij geen aanleiding ziet voor het oordeel dat provinciale staten zich ten onrechte op het standpunt hebben gesteld dat de door Schreiershoek Recreatie genoemde situatie niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie. Provinciale staten hebben immers gesteld dat het scherm bij de pluimveehouderij geen geluidscherm is, maar een reeds bestaand scherm met een andere functie. Niet aannemelijk is gemaakt dat dit onjuist is. De artikelen 76 en 82 van de Wet geluidhinder zijn niet van toepassing op de recreatiewoningen op het terrein. Desondanks is de geluidbelasting op die recreatiewoningen onderzocht. Uit het akoestisch rapport blijkt dat deze eveneens lager is dan 48 dB. Uit het akoestisch rapport blijkt verder dat de geluidbelasting op het recreatieterrein afneemt ten opzichte van de huidige situatie.

2.16.6. Met betrekking tot lichthinder overweegt de Afdeling als volgt. Uit de stukken blijkt dat het tracé van De Centrale As ter hoogte van het recreatiebedrijf recht loopt. Gelet hierop kan ervan worden uitgegaan dat het verkeer op De Centrale As geen toename van hinder door inschijnend licht van koplampen zal veroorzaken. Voor zover Schreiershoek Recreatie heeft betoogd dat het verkeer op de parallelweg dergelijke hinder zal veroorzaken, acht de Afdeling het, gelet op de ligging van de parallelweg, de afstand tot het terrein en de te verwachten verkeersintensiteit op de parallelweg, evenmin aannemelijk dat zich een toename van lichthinder door inschijnende koplampen zal voordoen ten opzichte van de huidige situatie. Gelet op het voorgaande kan niet worden geoordeeld dat provinciale staten bij de vaststelling van het plan met dit aspect onvoldoende rekening hebben gehouden.

2.16.7. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het woon- en leefklimaat op het recreatieterrein ten gevolge van de realisatie van De Centrale As niet in ernstige mate wordt aangetast.

2.17. Schreiershoek Recreatie voert tevens aan dat aan de keuze voor een maximumsnelheid van 100 km/uur op De Centrale As geen zorgvuldige afweging ten grondslag ligt. In dat verband verwijst zij ook naar de evaluatie van het PVVP, waaruit volgens haar blijkt dat in de toekomst door bevolkingskrimp en vergrijzing minder verkeer is te verwachten. Scheiershoek Recreatie stelt dat de verkeersintensiteit een essentiële factor is bij het bepalen van de maximumsnelheid. Voorts betoogt zij dat de maximumsnelheid van 100 km/uur nadelige gevolgen heeft voor de verkeersveiligheid. Een maximumsnelheid van 100 km/uur levert volgens haar onder andere gevaarlijke situaties op als de brug over het Dokkumer Grutdjip geopend is.

2.17.1. Het plan bevat geen regels over de maximumsnelheid op De Centrale As. Het betreft een onderwerp dat niet in het plan, maar in een verkeersmaatregel dient te worden geregeld. In het kader van een eventuele procedure tegen de te treffen verkeersmaatregelen kan de maximumsnelheid op De Centrale As worden beoordeeld. De onderhavige procedure leent zich daar niet voor.

2.18. Schreiershoek Recreatie betoogt dat ten onrechte niet is voorzien in de vergoeding van schade die zij zal lijden als gevolg van de realisatie van De Centrale As. Zij stelt in de eerste plaats schade te ondervinden door de tijdelijke overlast van de aanlegwerkzaamheden, omdat gasten van het recreatiebedrijf niet meer zullen terugkomen. Daarnaast stelt Schreiershoek Recreatie dat De Centrale As tot structurele schade voor haar bedrijf zal leiden, omdat de omgeving door onder meer toename van luchtverontreiniging en geluidhinder minder aantrekkelijk wordt.

2.18.1. Provinciale staten stellen zich op het standpunt dat bij schade ten gevolge van de aanlegwerkzaamheden voor De Centrale As een beroep kan worden gedaan op een provinciale nadeelcompensatieregeling. Voor structurele schade kan volgens hen een beroep worden gedaan op de wettelijke planschaderegeling van de Wet ruimtelijke ordening, alsmede op de provinciale nadeelcompensatieregeling.

2.18.2. De vergoeding van eventuele schade als gevolg van de aanleg en de aanwezigheid van De Centrale As is een aspect dat primair in het kader van een verzoek om planschadevergoeding of nadeelcompensatie dient te worden beoordeeld. Hiervoor bestaan aparte procedures met eigen rechtsbeschermingsmogelijkheden. In hetgeen Schreiershoek Recreatie heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond voor de verwachting dat de schade zodanig zal zijn dat provinciale staten bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht hadden moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn.

Overige beroepsgronden van [appellant sub 3]

2.19. [appellant sub 3] exploiteert een pluimveehouderijbedrijf aan de [locatie 2] te Hurdegaryp. Het plan maakt ter plaatse van de kruising van De Centrale As en de rondweg Hurdegaryp de aanleg van een zogenoemde ovonde mogelijk. Een deel van de huiskavel van [appellant sub 3] is nodig voor de aanleg van de ovonde.

2.20. [appellant sub 3] betoogt dat het plan is vastgesteld in strijd met het vertrouwensbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel. Daartoe voert hij aan dat voortzetting van het pluimveebedrijf ter plaatse niet mogelijk is. Volgens [appellant sub 3] had dan ook niet alleen aan de gronden van de huiskavel die in het plan zijn opgenomen, maar aan de gehele huiskavel de bestemming "Bos" moeten worden toegekend. Hij stelt dat ten onrechte niet voorafgaand aan de vaststelling van het plan duidelijk is geworden of provinciale staten bereid zijn het gehele bedrijf aan te kopen of alleen die gronden die noodzakelijk zijn voor realisering van het plan. In dit verband wijst hij op de gesprekken die hij heeft gevoerd over de aankoop van zijn gronden met de provincie.

2.20.1. Provinciale staten stellen zich op het standpunt dat gelet op het Landschapsplan de gronden waarop de bedrijfsbebouwing en de bedrijfswoning liggen niet nodig zijn voor de landschappelijke inpassing van de ovonde. Het bedrijf is volgens provinciale staten een bestaand element in het landschap dat als zodanig bij de landschappelijke inpassing van de ovonde is meegenomen. Zij zien in zoverre dan ook geen aanleiding om aan de gehele huiskavel de bestemming "Bos" toe te kennen. Verder betogen provinciale staten dat aangezien het bedrijf van [appellant sub 3] een grondgebonden bedrijf is, dit ook kan worden voortgezet als hij een deel van zijn huiskavel moet afstaan voor de realisering van het inpassingsplan. Gelet hierop is er volgens provinciale staten ook in zoverre geen grond de gehele huiskavel in het plan op te nemen.

Provinciale staten willen voorts de in het plan opgenomen gronden minnelijk verwerven, maar stellen dat zij zullen overgaan tot onteigening indien dit noodzakelijk is. Daarnaast stellen zij bereid te zijn mee te werken aan verplaatsing van het bedrijf en in zoverre de mogelijkheden te bezien om over te gaan tot aankoop van gronden die niet in het plan zijn opgenomen. Dit laat volgens provinciale staten echter onverlet dat voor realisatie van het plan verplaatsing van het bedrijf niet noodzakelijk is.

2.20.2. Met betrekking tot het betoog dat bij het plan ten onrechte niet aan de gehele huiskavel de bestemming "Bos" is toegekend, overweegt de Afdeling het volgende.

Bij het plan is aan het gedeelte van de huiskavel dat nodig is voor de aanleg van de ovonde de bestemming "Bos" toegekend. Het overige deel van de huiskavel ligt niet binnen het plangebied.

Gelet op de systematiek van de Wet ruimtelijke ordening komt provinciale staten in beginsel een grote mate van beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de begrenzingen van een inpassingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat provinciale staten een begrenzing kunnen vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening of anderszins in strijd met het recht.

Het pluimveebedrijf is een grondgebonden bedrijf. [appellant sub 3] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de gronden die hij moet afstaan voor de aanleg van de ovonde noodzakelijk zijn voor de voortzetting van dat bedrijf. Ook anderszins heeft [appellant sub 3] niet aannemelijk gemaakt dat het bedrijf ter plaatse niet kan worden voortgezet. Naar het oordeel van de Afdeling hebben provinciale staten zich derhalve in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de realisatie van het plan niet in de weg staat aan de voortzetting van het bedrijf. Verder heeft [appellant sub 3] onvoldoende onderbouwd waarom het bos zou moeten worden doorgetrokken naar de Foksegatten. [appellant sub 3] heeft het standpunt van provinciale staten dat de ovonde ook zonder de rest van zijn gronden landschappelijk kan worden ingepast, niet gemotiveerd bestreden.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

2.20.3. Het betoog van [appellant sub 3] dat het vertrouwensbeginsel is geschonden faalt. [appellant sub 3] heeft niet aannemelijk gemaakt dat door of namens provinciale staten de verwachting is gewekt dat de huiskavel in zijn geheel in het plan zou worden opgenomen. Provinciale staten hebben het plan op dit punt derhalve niet in strijd met het vertrouwensbeginsel vastgesteld.

2.20.4. Uit het plan volgt naar het oordeel van de Afdeling dat het voor de realisatie van De Centrale As en de ovonde niet nodig is om de gehele huiskavel te verwerven. In hetgeen [appellant sub 3] aanvoert ziet de Afdeling dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in zoverre is vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid. Evenmin ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan op dit punt is vastgesteld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Dat provinciale staten bereid zijn medewerking te verlenen aan een mogelijke bedrijfsverplaatsing doet aan het vorenstaande niet af.

2.21. [appellant sub 3] voert aan dat ter plaatse van de bedrijfswoning geen goed woon- en leefklimaat is verzekerd vanwege te verwachten geluidoverlast. Hij stelt in dit verband dat door de verschuiving van de onderdoorgang ter hoogte van de Foksegatten de geluidhinder toeneemt. Volgens hem is met deze verschuiving in het akoestisch onderzoek geen rekening gehouden en is aldus onvoldoende onderzocht of in zoverre nog aan de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder kan worden voldaan.

2.21.1. Volgens het akoestisch onderzoek wordt ter plaatse van de bedrijfswoning van [appellant sub 3] niet voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB die in artikel 82, eerste lid, van de Wet geluidhinder is neergelegd. Voor de woning van [appellant sub 3] is op grond van artikel 83 van de Wet geluidhinder een hogere waarde van 54 dB vastgesteld. Dit is lager dan hetgeen op grond van de Wet geluidhinder maximaal is toegestaan. In de procedure voor de vaststelling van hogere waarden is bezien of maatregelen kunnen worden getroffen gericht op het terugbrengen van de geluidsbelasting tot de voorkeursgrenswaarde. Uit het akoestisch onderzoek volgt dat deze maatregelen niet doelmatig zijn. De Afdeling stelt voorop dat het besluit tot vaststelling van de hogere waarde in deze procedure niet ter beoordeling staat. Het betoog van [appellant sub 3] dat de geluidbelasting hoger zal zijn dan waarvan bij de vaststelling van het plan en de vaststelling van de hogere waarden is uitgegaan, omdat in het akoestisch onderzoek geen rekening is gehouden met de verschuiving van de onderdoorgang ter hoogte van Foksegatten, mist feitelijke grondslag. Uit bijlage 6, blad 27, van het akoestisch rapport volgt dat deze verschuiving bij het onderzoek is betrokken. Derhalve bestaat geen grond voor het oordeel dat niet aan de hogere waarde kan worden voldaan.

Vaststaat dat de geluidbelasting op de gevel van de woning van [appellant sub 3] met de realisering van het plan zal toenemen. Mede gelet op het voorgaande kan echter niet worden geoordeeld dat de gevolgen voor het woon- en leefklimaat zodanig zijn, dat provinciale staten bij de vaststelling van het plan aan het belang van [appellant sub 3] bij een onveranderd woon- en leefklimaat een doorslaggevend gewicht hadden moeten toekennen.

2.22. Ten aanzien van het betoog van [appellant sub 3] over mogelijke financiële schade overweegt de Afdeling het volgende. De vergoeding van eventuele schade als gevolg van de realisatie van De Centrale As is een aspect dat primair in het kader van een verzoek om planschadevergoeding of nadeelcompensatie dient te worden beoordeeld. Hiervoor bestaan aparte procedures met eigen rechtsbeschermingsmogelijkheden. In hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond voor de verwachting dat de schade zodanig zal zijn dat provinciale staten bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn.

2.23. Voor het overige heeft [appellant sub 3] zich in het beroepschrift beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant sub 3] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn. Ook in zoverre kan het beroep niet slagen.

Overige beroepsgronden van [appellant sub 4]

2.24. De woning van [appellant sub 4] bevindt zich op korte afstand van het tracé van De Centrale As, ter hoogte van het punt waar de Zevenhuisterweg in Noordburgum het tracé met een onderdoorgang kruist.

2.25. [appellant sub 4] vreest dat zijn woongenot door De Centrale As zal worden aangetast, in het bijzonder vanwege de aantasting van het uitzicht, luchtverontreiniging en geluidhinder.

2.25.1. Met betrekking tot de aantasting van het uitzicht overweegt de Afdeling het volgende. In het algemeen kunnen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten worden ontleend. Provinciale staten kunnen op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen. Uit de stukken blijkt dat De Centrale As ter hoogte van de woning van [appellant sub 4] een enigszins verdiepte ligging heeft en dat ter plaatse grondwallen worden aangebracht. Provinciale staten hebben onweersproken gesteld dat er als gevolg van deze maatregelen geen zicht is op het verkeer en dat de grondwallen niet zo hoog zijn dat het uitzicht vanuit de woning geheel wordt weggenomen. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het uitzicht vanuit de woning van [appellant sub 4] niet ernstig wordt aangetast.

2.25.2. Met betrekking tot luchtverontreiniging overweegt de Afdeling als volgt. Volgens het luchtkwaliteitsonderzoek dat ter voorbereiding van het plan is verricht, wordt langs het gehele tracé van De Centrale As aan de wettelijke grenswaarden voor de luchtkwaliteit voldaan. Uit het onderzoek blijkt dat de verwachte concentraties schadelijke stoffen veel lager zijn dan de wettelijk toegestane maximale concentraties. [appellant sub 4] heeft de conclusies van dit onderzoek niet bestreden.

2.25.3. Met betrekking tot geluidhinder wordt het volgende overwogen. Volgens het akoestisch onderzoek kan ter plaatse van de woning van [appellant sub 4] niet worden voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB die in artikel 82, eerste lid, van de Wet geluidhinder is neergelegd. Voor de woning zijn op grond van artikel 83 van de Wet geluidhinder hogere waarden vastgesteld van 49 en 51 dB. Voorop staat dat de rechtmatigheid van het besluit tot vaststelling van de hogere waarden in deze procedure niet ter beoordeling staat. De hogere waarden zijn lager dan hetgeen op grond van Wet geluidhinder maximaal toelaatbaar is. Niet in geschil is dat aan deze waarden kan worden voldaan.

2.25.4. Gelet op het voorgaande hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat zich ter plaatse van de woning van [appellant sub 4] geen zodanige aantasting van het woon- en leefklimaat voordoet, dat daaraan bij de vaststelling van het plan een doorslaggevend gewicht had moeten worden toegekend.

2.26. [appellant sub 4] betoogt dat de waarde van zijn woning zal verminderen als gevolg van de realisatie van De Centrale As.

2.26.1. Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de woning van [appellant sub 4] betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat provinciale staten bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht hadden moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn.

2.27. [appellant sub 4] voert verder aan dat ten westen van zijn woning een tunnel wordt aangelegd. Nu [appellant sub 4] niet nader heeft toegelicht wat zijn bezwaren tegen de aanleg van deze onderdoorgang zijn, ziet de Afdeling ook in zoverre geen grond voor vernietiging van het plan.

Overige beroepsgronden van [appellant sub 5]

2.28. [appellant sub 5] is eigenaar van een aantal percelen in De Falom. Het tracé van De Centrale As loopt over een perceel van [appellant sub 5] dat thans in gebruik is als weiland. Het perceel met de woning van [appellant sub 5] ligt op korte afstand van het tracé van De Centrale As.

2.29. [appellant sub 5] betoogt dat De Centrale As leidt tot een onaanvaardbare aantasting van zijn woon- en leefklimaat door geluidhinder en aantasting van het uitzicht. In verband met het uitzicht voert hij aan dat het plan de aanleg van een 20 meter hoge fly-over op korte afstand van zijn woning mogelijk maakt.

2.29.1. Provinciale staten stellen dat uit het akoestisch onderzoek blijkt dat ter plaatse van de woning van [appellant sub 5] niet kan worden voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wet geluidhinder. Afschermende maatregelen zijn volgens provinciale staten in dit geval niet doelmatig. Daarom zijn voor de woning van [appellant sub 5] op grond van de Wet geluidhinder hogere waarden vastgesteld. Provinciale staten stellen voorts dat gevelmaatregelen zullen worden getroffen indien uit nader onderzoek blijkt dat de gevelwering van de woning niet toereikend is om een binnenwaarde van ten hoogste 33 dB te garanderen. Ter zitting hebben provinciale staten bevestigd dat zij garant staan voor de financiering en de uitvoering van dergelijke maatregelen.

Met betrekking tot het uitzicht stellen provinciale staten dat de fly-over geen 20 meter hoog mag zijn, maar slechts 3 tot 5 meter boven de omliggende grond zal uitkomen. Daarnaast betogen zij dat een afweging is gemaakt tussen de belangen van [appellant sub 5] en de belangen die met de aanleg van De Centrale As en de fly-over zijn gediend. Provinciale staten hebben laatstgenoemde belangen zwaarder laten wegen dan het belang van [appellant sub 5] bij het behoud van een vrij uitzicht. Daarbij hebben zij onder meer overwogen dat de fly-over dient ter bescherming van de natuurwaarden van het EHS-gebied bij De Falom.

2.29.2. Met betrekking tot geluidhinder wordt als volgt overwogen.

Voor de woning van [appellant sub 5] zijn met toepassing van artikel 83 van de Wet geluidhinder hogere waarden vastgesteld van 54 en 55 dB. De Afdeling stelt voorop dat de rechtmatigheid van het besluit tot vaststelling van de hogere waarden in de onderhavige procedure niet ter beoordeling staat. De hogere waarden zijn lager dan de waarde die op grond van de Wet geluidhinder ten hoogste is toegestaan. Op grond van artikel 111, tweede lid, van de Wet geluidhinder moet voorts aan een binnenwaarde van 33 dB worden voldaan. Gezien hetgeen provinciale staten hierover naar voren hebben gebracht, is naar het oordeel van de Afdeling voldoende gegarandeerd dat aan de binnenwaarde zal kunnen worden voldaan. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat zich ter plaatse van de woning van [appellant sub 5] zodanige geluidhinder zal voordoen, dat daaraan bij de vaststelling van het plan een doorslaggevend gewicht had moeten worden toegekend.

2.29.3. Met betrekking tot de aantasting van het uitzicht overweegt de Afdeling het volgende.

Op grond van artikel 9, lid 9.4.3, in samenhang met bijlage 4, van de planregels dient ter hoogte van De Falom een fly-over te worden geplaatst. Blijkens bijlage 4 bij de planregels heeft de fly-over een lengte van ongeveer 150 meter. Volgens het deskundigenbericht bedraagt de afstand tussen de woning van [appellant sub 5] en de fly-over ongeveer 70 meter. Anders dan [appellant sub 5] betoogt, staan de planregels niet toe dat de fly-over een hoogte van 20 meter zal hebben. Uit artikel 9, lid 9.2.2, onder d, van de planregels volgt immers dat de fly-over maximaal 10 meter hoog mag zijn. Het betoog mist in zoverre feitelijke grondslag.

De Afdeling overweegt dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. Provinciale staten kunnen op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen. Op grond van het deskundigenbericht kan ervan worden uitgegaan dat de aanleg van De Centrale As tot een sterke wijziging van het - thans nog vrije - uitzicht vanuit de woning van [appellant sub 5] zal leiden. Deze aantasting van het uitzicht wordt voornamelijk veroorzaakt door de fly-over, die wordt opgericht met het oog op de bescherming van de natuurwaarden van de EHS.

2.29.4. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat provinciale staten in redelijkheid een groter gewicht hebben kunnen toekennen aan de belangen die zijn gediend met de aanleg van De Centrale As en de fly-over, waaronder in het bijzonder ook de met de fly-over te dienen ecologische belangen, dan aan het belang van [appellant sub 5] bij behoud van het vrije uitzicht vanuit zijn woning en een onveranderd woon- en leefklimaat.

2.30. [appellant sub 5] voert verder aan dat de aanleg van De Centrale As ertoe leidt dat zijn woning onverkoopbaar wordt. Volgens hem hebben provinciale staten bij de voorbereiding van het plan onvoldoende aandacht aan dit aspect besteed.

2.30.1. Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de woning van [appellant sub 5] betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat provinciale staten bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht hadden moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn. Naar het oordeel van de Afdeling heeft [appellant sub 5] bovendien niet aannemelijk gemaakt dat provinciale staten bij de voorbereiding van het plan voorbij zijn gegaan aan de door [appellant sub 5] bedoelde belangen.

Overige beroepsgronden van [appellant sub 6]

2.31. [appellant sub 6] heeft zich in het beroepschrift - voor zover het de gronden die geen betrekking hebben op de aantasting van landschappelijke en natuurwaarden - beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze.

In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant sub 6] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist is.

Overige beroepsgronden van [appellante sub 9] en anderen

2.32. [appellante sub 9] en anderen exploiteren een veehouderij aan de Ottemaweg te Hurdegaryp. Voor de aanleg van De Centrale As zijn gronden nodig die thans in gebruik zijn voor het agrarische bedrijf. Het betreft een deel van de huiskavel en een deel van de veldkavels.

2.33. [appellante sub 9] en anderen voeren aan dat het gebruik van een deel van de bedrijfsgronden ten behoeve van De Centrale As de voortzetting van hun bedrijf onmogelijk maakt. Verplaatsing van het bedrijf naar een gelijkwaardige locatie is volgens hen niet mogelijk. [appellante sub 9] en anderen stellen dat ten tijde van de vaststelling van het plan nog niet in verplaatsing was voorzien en dat slechts één, volgens hen ongeschikte, locatie was aangeboden voor nieuwbouw van het bedrijf.

2.33.1. Provinciale staten erkennen dat voortzetting van het bedrijf op de huidige locatie niet mogelijk is. Het bedrijf zal volgens hen daarom moeten worden verplaatst of beëindigd. Provinciale staten streven ernaar dit langs minnelijke weg te bereiken. Zij stellen dat aan [appellante sub 9] en anderen een geschikte locatie is aangeboden. Indien de onderhandelingen over een alternatieve locatie niet tot resultaat leiden, zal tot onteigening worden overgegaan, aldus provinciale staten.

2.33.2. De Afdeling overweegt dat provinciale staten uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening gehouden waren om voorafgaand aan de vaststelling van het inpassingsplan voor het tracé van De Centrale As te onderzoeken op welke wijze de nadelige gevolgen hiervan voor betrokkenen kunnen worden beperkt. De complexiteit van het proces van het vinden en verwerven van een vervangende locatie voor een bedrijf dat als gevolg van het plan niet op de huidige locatie gevestigd kan blijven, zoals bij [appellante sub 9] en anderen aan de orde is, kan echter met zich brengen dat de exacte vervangende locatie ten tijde van het vaststellen van het plan nog niet voorhanden is.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat provinciale staten onderzoek hebben laten doen naar vervangende locaties voor het agrarische bedrijf van [appellante sub 9] en anderen. Voorts is gebleken dat het provinciebestuur en [appellante sub 9] en anderen herhaaldelijk overleg hebben gevoerd over een alternatieve locatie en dat door provinciale staten een alternatieve bedrijfslocatie is aangeboden. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat provinciale staten voldoende hebben onderzocht hoe de nadelige gevolgen van het plan voor [appellante sub 9] en anderen kunnen worden beperkt. De Afdeling ziet daarom in hetgeen [appellante sub 9] en anderen hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat hun belang onvoldoende bij de besluitvorming is betrokken. Dat het overleg tot op heden niet tot overeenstemming heeft geleid, onder meer omdat [appellante sub 9] en anderen de aangeboden alternatieve bedrijfslocatie niet geschikt achten, doet daaraan niet af.

2.34. [appellante sub 9] en anderen voeren daarnaast aan dat hun schade dient te worden vergoed indien verplaatsing van het bedrijf niet mogelijk blijkt. Zij vrezen allereerst dat schadeloosstelling niet is gegarandeerd, omdat daarvoor onvoldoende financiële middelen beschikbaar zijn. Daarnaast vrezen zij dat de schade niet tijdig zal worden vergoed. Ook betogen [appellante sub 9] en anderen dat de regeling voor planschadevergoeding in de Wet ruimtelijke ordening niet voorziet in een volledige vergoeding van de geleden schade.

2.34.1. Provinciale staten stellen dat zij tot onteigening van de voor De Centrale As benodigde gronden van [appellante sub 9] en anderen zullen overgaan, indien geen overeenstemming wordt bereikt over de verwerving van deze gronden en de verplaatsing of beëindiging van het bedrijf. Bij onteigening is een volledige schadeloosstelling verzekerd, aldus provinciale staten.

2.34.2. De Afdeling stelt voorop dat de bepaling van de hoogte van de schade en de daadwerkelijke uitbetaling van een eventuele schadevergoeding in de onderhavige procedure niet ter beoordeling staan. Hiervoor bestaan andere procedures met eigen rechtsbeschermingsmogelijkheden.

De Afdeling is voorts van oordeel dat geen grond bestaat voor het oordeel dat de schade van [appellante sub 9] en anderen zodanig zal zijn, dat provinciale staten bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht hadden moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat in het geval van onteigening in een volledige schadeloosstelling wordt voorzien. Ten aanzien van het betoog dat een dergelijke schadeloosstelling niet of niet tijdig zal worden uitbetaald, overweegt de Afdeling dat, voor zover het hier al een aspect betreft dat bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voorliggende plan een rol kan spelen, de provincie verplicht is de door de onteigeningsrechter vastgestelde vergoeding te betalen. Het betoog faalt.

2.35. [appellante sub 9] en anderen betogen voorts dat De Centrale As zal leiden tot onaanvaardbare geluidhinder bij hun woningen. Zij betogen in dat verband dat zij onevenredig worden benadeeld, omdat er op dit punt thans nog een bijzonder gunstige situatie bestaat.

2.35.1. Volgens provinciale staten veroorzaakt De Centrale As een toename van de geluidbelasting op de woningen van [appellante sub 9] en anderen. Provinciale staten stellen dat uit het akoestisch onderzoek is gebleken dat ter plaatse de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wet geluidhinder wordt overschreden. Omdat het treffen van overdrachtsmaatregelen op deze locatie volgens provinciale staten niet doelmatig is, zijn hogere waarden voor de woningen vastgesteld. Deze waarden zijn lager dan de waarde die op grond van de Wet geluidhinder maximaal toelaatbaar is. Derhalve is een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gewaarborgd, aldus provinciale staten. Provinciale staten stellen zich voorts op het standpunt dat de toename van de geluidbelasting bij de woningen van [appellante sub 9] en anderen niet onevenredig is, gelet op de belangen die met De Centrale As worden gediend.

2.35.2. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat ter plaatse van de woningen van [appellante sub 9] en anderen niet kan worden voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB die in artikel 82, eerste lid, van de Wet geluidhinder is neergelegd. Met toepassing van artikel 83 van de Wet geluidhinder zijn voor deze woningen hogere waarden vastgesteld van 51 en 54 dB. De Afdeling stelt voorop dat de rechtmatigheid van het besluit tot vaststelling van de hogere waarden in de onderhavige procedure niet ter beoordeling staat. De bevindingen van het akoestisch rapport zijn door [appellante sub 9] en anderen niet bestreden. Voorts zijn de hogere waarden lager dan de waarde die op grond van de Wet geluidhinder ten hoogste is toegestaan. Niet aannemelijk is gemaakt dat niet aan de hogere waarden kan worden voldaan. Vaststaat dat de geluidbelasting ter plaatse van de woningen sterk toeneemt ten opzichte van de huidige situatie. Dit kan echter, mede gelet op het voorgaande, niet tot het oordeel leiden dat provinciale staten bij afweging van alle belangen in redelijkheid geen groter gewicht hadden kunnen toekennen aan de met de aanleg van De Centrale As gediende belangen dan aan het belang van [appellante sub 9] en anderen bij het behoud van een lage geluidbelasting op hun woningen.

2.36. Voor zover [appellante sub 9] en anderen betogen dat het geld voor nieuwe spoorwegtunnels ten behoeve van De Centrale As beter kan worden besteed aan de verbetering van de veiligheid van een aantal bestaande spoorwegovergangen, overweegt de Afdeling dat het bestreden besluit hierover niet gaat. Reeds hierom kan deze beroepsgrond niet slagen.

Overige beroepsgronden van [appellant sub 10]

2.37. De woning van [appellant sub 10] bevindt zich ten westen van de ongelijkvloerse kruising tussen de Doniawei te Damwoude en het tracé van De Centrale As.

2.38. [appellant sub 10] betoogt dat De Centrale As een onaanvaardbare geluidbelasting op zijn woning zal veroorzaken en dat ten onrechte geen gevelmaatregelen aan de woning worden getroffen.

2.38.1. Provinciale staten stellen dat uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de geluidbelasting op de woning de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wet geluidhinder niet overschrijdt. Volgens hen is een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gewaarborgd.

2.38.2. Voor zover [appellant sub 10] heeft betoogd dat geluidmetingen hadden moeten worden uitgevoerd ter bepaling van de geluidbelasting op zijn woning, overweegt de Afdeling dat de Wet geluidhinder hiertoe niet verplicht. [appellant sub 10] heeft de uitkomsten van het akoestisch onderzoek voor het overige niet bestreden. De Afdeling ziet daarom geen grond voor het oordeel dat provinciale staten bij de beoordeling van de geluidbelasting niet van dit onderzoek hadden mogen uitgaan.

Volgens het akoestisch onderzoek is de geluidbelasting op de woning van [appellant sub 10] lager dan de voorkeursgrenswaarde die ingevolge de artikelen 76 en 82 van de Wet geluidhinder in acht moet worden genomen. Het plan is derhalve niet in strijd met die bepalingen vastgesteld. Nu de voorkeursgrenswaarde niet wordt overschreden, verplicht de Wet geluidhinder niet tot het treffen van gevelmaatregelen. De Afdeling ziet ook in hetgeen overigens is aangevoerd geen grond voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat ter plaatse van de woning van [appellant sub 10] een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is gewaarborgd.

2.39. [appellant sub 10] betoogt voorts dat de waarde van zijn woning sterk zal verminderen als gevolg van de realisatie van De Centrale As.

2.39.1. Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de woning van [appellant sub 10] betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat provinciale staten bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht hadden moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn.

Conclusie

2.40. In hetgeen [appellant sub 1], Schreiershoek Recreatie, [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellant sub 6], It Fryske Gea en anderen, [appellant sub 8], [appellante sub 9] en anderen en [appellant sub 10] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.41. Het beroep van [appellant sub 1] is niet-ontvankelijk, voor zover het door de maatschap is ingesteld. Het beroep van It Fryske Gea en anderen is niet-ontvankelijk, voor zover het door het Burgerinitiatief Gezond Verstand is ingesteld. De beroepen van [appellant sub 1] en It Fryske Gea en anderen zijn voor het overige ongegrond. De beroepen van Schreiershoek Recreatie, [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellant sub 6], [appellant sub 8], [appellante sub 9] en anderen en [appellant sub 10] zijn ongegrond.

Proceskosten

2.42. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 1A], [appellante sub 1B] en [appellante sub 1C], [appellant sub 1D] en [appellante sub 1E] niet-ontvankelijk, voor zover het is ingesteld door [appellante sub 1C], [appellant sub 1D] en [appellante sub 1E];

II. verklaart het beroep van It Fryske Gea en anderen niet-ontvankelijk, voor zover het is ingesteld door het Burgerinitiatief Gezond Verstand;

III. verklaart de beroepen van [appellant sub 1A], [appellante sub 1B] en [appellante sub 1C], [appellant sub 1D] en [appellante sub 1E] en It Fryske Gea en anderen voor het overige ongegrond;

IV. verklaart de beroepen van Schreiershoek Recreatie, [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B], [appellant sub 4A] en [appellante sub 4], [appellant sub 5], [appellant sub 6A] en [appellante sub 6B], [appellant sub 8],[appellante sub 9] en anderen en [appellant sub 10] ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en mr. W.D.M. van Diepenbeek, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. Teuben, ambtenaar van staat.

w.g. Polak w.g. Teuben

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 november 2011

483.