Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU3737

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-11-2011
Datum publicatie
09-11-2011
Zaaknummer
201008049/1/H2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBBRE:2010:BN2575, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De ontvanger der rijksbelastingen heeft op 28 april 1983 en 30 mei 1983 kennisgevingen aan [appellant] verzonden inzake verrekeningen van teruggaaf van omzetbelasting met openstaande belastingaanslagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201008049/1/H2.

Datum uitspraak: 9 november 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Beek en Donk, gemeente Laarbeek,

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 9 juli 2010 in zaak nr. 09/4723 in het geding tussen:

[appellant]

en

de Belastingdienst/Oost-Brabant, kantoor Eindhoven.

1. Procesverloop

De ontvanger der rijksbelastingen heeft op 28 april 1983 en 30 mei 1983 kennisgevingen aan [appellant] verzonden inzake verrekeningen van teruggaaf van omzetbelasting met openstaande belastingaanslagen.

Bij besluit van 30 september 2009 heeft de Belastingdienst het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 9 juli 2010, verzonden op 16 juli 2010, heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 augustus 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 13 september 2010.

De Belastingdienst heeft een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd hebben partijen toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) om in het geding uitspraak te doen zonder zitting. Vervolgens heeft de Afdeling bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.

2. Overwegingen

2.1. De ontvanger der rijksbelastingen heeft op 28 april 1983 een kennisgeving aan [appellant] verzonden inzake de verrekening van een teruggaaf van omzetbelasting met een openstaande belastingaanslag ten bedrage van ƒ 5.057,00 (€ 2.294,77). Op 30 mei 1983 heeft de ontvanger der rijksbelastingen een kennisgeving aan [appellant] verzonden inzake de verrekening van een teruggaaf van omzetbelasting met twee openstaande belastingaanslagen voor een totaalbedrag van ƒ 5.591,00 (€ 2.537,09).

[appellant] heeft tegen deze verrekeningen bezwaar gemaakt bij brief, gedateerd maart 2009 en ingekomen bij de Belastingdienst op 2 april 2009.

De Belastingdienst heeft dit bezwaar bij besluit van 30 september 2009 niet-ontvankelijk verklaard, onder meer omdat de verrekeningen geen besluiten zijn als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.

2.2. Bij uitspraak van 21 oktober 2011 in zaak nr. 10/00578 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch de uitspraak van de rechtbank bevestigd wat betreft haar beslissing zich als belastingrechter onbevoegd te verklaren.

2.3. Hier is aan de orde de ongegrondverklaring van het beroep van [appellant] door de rechtbank gedaan als algemeen bestuursrechter. Hiertoe heeft de rechtbank geoordeeld dat de verrekening van belastingschulden en -vorderingen ten tijde van belang moet worden aangemerkt als een privaatrechtelijke rechtshandeling. De rechtbank acht daarom de burgerlijke rechter bevoegd en heeft het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar ongegrond verklaard.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte de zaak niet inhoudelijk heeft behandeld omdat de kennisgevingen over de verrekeningen vatbaar zijn voor bezwaar en beroep.

2.4.1. Dit betoog faalt. De verrekeningen waarop de kennisgevingen van 28 april 1983 en 30 mei 1983 zien, hebben hun grondslag in de compensatieregeling, destijds neergelegd in de Vierde Afdeeling van het Vierde Boek van het Burgerlijk Wetboek. Van een publiekrechtelijke grondslag is geen sprake. Gelet hierop heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat de verrekeningen moeten worden aangemerkt als privaatrechtelijke rechtshandelingen en dat de desbetreffende beslissingen geen besluiten zijn als thans bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Uitsluitend de burgerlijke rechter is bevoegd te oordelen over verrekeningen als hier aan de orde. [appellant] kan niet worden gevolgd in zijn betoog het hogerberoepschrift door te zenden naar de burgerlijke rechter omdat artikel 6:15, eerste lid, gelezen in verbinding met artikel 6:24 van de Awb, enkel ziet op het doorzenden van hogerberoepschriften naar de bevoegde bestuursrechter en niet naar de burgerlijke rechter.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Bindels

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 november 2011

85-705.