Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU3736

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-11-2011
Datum publicatie
09-11-2011
Zaaknummer
201101499/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 december 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Overteylingen herziening-Campo terrein" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201101499/1/R4.

Datum uitspraak: 9 november 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats], gemeente Teylingen,

appellant,

en

de raad van de gemeente Teylingen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 december 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Overteylingen herziening-Campo terrein" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 31 januari 2011, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 2 maart 2011.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 oktober 2011, waar [appellant], alsmede de raad, vertegenwoordigd door mr. J. Zandstra, S.C. van der Laan, werkzaam bij de Milieudienst West-Holland, en H. Hommel, werkzaam bij RBOI te Rotterdam, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het plan voorziet in een herziening van het door de raad op 13 maart 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Overteylingen". Met de herziening wordt de realisatie van 14 woningen op het zogenoemde Campo-terrein te Sassenheim planologisch mogelijk gemaakt, in plaats van de 11 woningen die in het oorspronkelijke plan waren voorzien.

2.2. [appellant] kan zich niet verenigen met het feit dat hij geen inzage heeft gekregen in de anterieure overeenkomst die tussen de gemeente en de ontwikkelaar van het Campo-terrein in het kader van kostenverhaal is gesloten. Voorts voert [appellant] aan ten onrechte niet in de gelegenheid te zijn gesteld te reageren op het rapport van Wissing van 7 december 2010, waarin een tweede stedenbouwkundige beoordeling is gegeven met betrekking tot het beoogde bouwplan. [appellant] heeft ter zitting aangevoerd zich niet te kunnen verenigen met de conclusie uit het rapport.

2.3. Ingevolge artikel 3.8, eerste lid van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), voor zover thans van belang, is op de voorbereiding van een bestemmingsplan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van toepassing.

Ingevolge artikel 3:11, eerste lid, van de Awb legt het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor de beoordeling van het ontwerp, ter inzage.

Volgens de plantoelichting heeft het gemeentebestuur ten behoeve van de grondexploitatie een anterieure overeenkomst met de ontwikkelaar van het Campo-terrein afgesloten. Daargelaten of [appellant] al dan niet inzage heeft gekregen in de anterieure overeenkomst, overweegt de Afdeling dat artikel 3:11 van de Awb niet verplicht om dergelijke overeenkomsten met het ontwerp van het bestemmingsplan ter inzage te leggen nu anterieure overeenkomsten niet kunnen worden aangemerkt als op het ontwerpplan betrekking hebbende stukken als bedoeld in dit artikel.

Met betrekking tot het betoog van [appellant] dat hij niet in de gelegenheid is gesteld te reageren op het rapport van Wissing overweegt de Afdeling als volgt. In het rapport staat dat het is opgesteld naar aanleiding van een naar voren gebrachte zienswijze en dat het na de termijn van terinzageligging van het plan tot stand is gekomen. [appellant] heeft dit niet bestreden. Onder deze omstandigheden vloeide noch uit de Wet ruimtelijke ordening, noch uit enige andere wettelijke regeling de verplichting voort om [appellant] voorafgaand aan de vaststelling van het plan in de gelegenheid te stellen op het rapport te reageren. Verder is niet gebleken dat het rapport niet bij het vastgestelde plan ter inzage is gelegd.

De Afdeling overweegt verder dat de enkele omstandigheid dat [appellant] zich niet kan vinden in de conclusie geen aanleiding geeft voor het oordeel dat de raad het niet aan het bestreden besluit ten grondslag heeft mogen leggen. [appellant] heeft zijn betoog op dit punt niet nader onderbouwd.

2.4. Voorts voert [appellant] aan dat uit het bestreden besluit de juridische status van de partiële herziening onvoldoende blijkt. Indien de herziening in de plaats van het bestemmingsplan "Overteylingen" treedt, is het plan volgens hem niet volledig. Een gedeelte van de paragraaf 4.4 "Waterhuishouding" alsmede een gedeelte van de paragraaf 4.5.2 "Onderzoek", zoals opgenomen in de toelichting bij het oorspronkelijke plan, ontbreekt. Tevens voert [appellant] aan dat de verbeelding van het plan afwijkt van de plankaart van het bestemmingsplan "Overteylingen".

2.4.1. Uit het plan volgt dat door de herziening een aantal wijzigingen in het bestemmingsplan "Overteylingen" wordt doorgevoerd. Op de wijze zoals weergegeven in hoofdstuk 3 van het plan worden voorschriften en delen van de plankaart van het bestemmingsplan "Overteylingen" gewijzigd. Hieruit volgt dat, voor zover het plan niet voorziet in wijzigingen van de voorschriften en de plankaart behorend bij het plan "Overteylingen", laatstgenoemd plan zijn gelding behoudt.

Met betrekking tot het betoog van [appellant] dat twee toelichtende passages ontbreken, overweegt de Afdeling dat deze passages een beschrijving bevatten van de toepasselijke regelgeving van het Hoogheemraadschap respectievelijk van de maatregelen die dienen te worden genomen ten behoeve van de gewone dwergvleermuis bij de sloop van bebouwing buiten het door het nu voorliggende plan bestreken gebied. Op deze punten brengt het plan geen wijziging met zich ten opzichte van het plan "Overteylingen", zodat de Afdeling geen aanleiding ziet voor het oordeel dat de raad het plan op deze punten nader had dienen toe te lichten.

2.5. [appellant] stelt dat de raad onvolledig ingegaan is op zijn zienswijze en zijn reactie op de nota beantwoording zienswijzen. Ter zitting heeft [appellant] toegelicht dat hij in het bijzonder doelt op de zienswijze waarmee hij naar voren heeft gebracht dat de raad de aanwezigheid van de beschermde gewone dwergvleermuis onvoldoende heeft onderzocht. Tevens wijkt volgens [appellant] de verbeelding van het plan af van de plankaart van het bestemmingsplan "Overteylingen".

2.5.1. Van de zijde van de raad is verklaard dat uit ecologisch onderzoek ten behoeve van het plan "Overteylingen" niet is gebleken van de aanwezigheid van beschermde soorten in het gebied waarop het nu voorliggende plan betrekking heeft. De enkele stelling van [appellant] dat zich inmiddels vleermuizen zouden kunnen hebben gevestigd op het Campo-terrein geeft de Afdeling geen aanleiding voor de veronderstelling dat de Flora- en faunawet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg zou staan.

2.5.2. Met betrekking tot het betoog van [appellant] dat de verbeelding afwijkt ten opzichte van het plan "Overteylingen" verwijst de Afdeling naar hetgeen hierboven in 2.4.1 is overwogen.

2.6. [appellant] heeft zich voor het overige in het beroepschrift beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van zijn zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze.

[appellant] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

2.7. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.8. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in de naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.A. Oudenaarden, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Oudenaarden

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 november 2011

568-718.