Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU3730

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-11-2011
Datum publicatie
09-11-2011
Zaaknummer
201008169/1/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 juli 2010 heeft het college maatwerkvoorschriften als bedoeld in artikel 2.1, derde lid, en artikel 2.20, eerste lid, van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: Barim) vastgesteld voor het aardappelverwerkingsbedrijf en de aardappelhandel van [vergunninghoudster], gevestigd aan de [locatie] te Kessel, gemeente Peel en Maas. Dit besluit is op 14 juli 2010 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.41
Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer
Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer 1.10
Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer 2.1
Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer 2.20
Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2012/225
Milieurecht Totaal 2012/3683

Uitspraak

201008169/1/M1.

Datum uitspraak: 9 november 2011

AFDELING201008169/1/M1.

Datum uitspraak: 9 november 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1A, wonend te Panningen, gemeente Peel en Maas, en [appellant sub 1B], wonend te Kessel, gemeente Peel en Maas (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 1),

2. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B, beiden wonend te Kessel, gemeente Peel en Maas (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2]),

en

het college van burgemeester en wethouders van Peel en Maas,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 juli 2010 heeft het college maatwerkvoorschriften als bedoeld in artikel 2.1, derde lid, en artikel 2.20, eerste lid, van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: Barim) vastgesteld voor het aardappelverwerkingsbedrijf en de aardappelhandel van [vergunninghoudster], gevestigd aan de [locatie] te Kessel, gemeente Peel en Maas. Dit besluit is op 14 juli 2010 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 augustus 2010, en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 augustus 2010, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

[appellant sub 1], [appellant sub 2] en [vergunninghoudster] hebben hun zienswijzen daarop naar voren gebracht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 juli 2011, waar [appellant sub 1A] en [appellant sub 2B], in persoon en bijgestaan door mr. W.B.M. Engels, en het college, vertegenwoordigd door ir. S.G.T. Jacobs en mr. F.M.H. Merx, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door [gemachtigde] en ing. H.N.J.M. Steins gehoord.

2. Overwegingen

Overgangsrecht Wabo

2.1. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht van de Invoeringswet Wabo volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding. In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij invoering van de Wabo werden gewijzigd.

Melding

2.2. [vergunninghoudster] heeft een melding als bedoeld in artikel 8.41 van de Wet milieubeheer in samenhang met artikel 1.10 van het Barim ingediend bij het college, waarna het college voor de inrichting bij bestreden besluit maatwerkvoorschriften heeft gesteld.

Voor zover [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat een milieuvergunning had moeten worden aangevraagd, overweegt de Afdeling dat de inrichting niet in bijlage I bij het Barim is aangewezen als vergunningplichtige inrichting. Evenmin is de inrichting vergunningplichtig op grond van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer. Gelet hierop heeft [vergunninghoudster] kunnen volstaan met een melding.

Bevoegdheid

2.3. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat niet het college van burgemeester en wethouders maar het college van gedeputeerde staten van Limburg bevoegd was tot het nemen van het bestreden besluit. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] voeren hiertoe aan dat de inrichting valt onder categorie 28.4 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (hierna: het Ivb) omdat van buiten de inrichting afkomstig tarragrond als slib wordt opgeslagen in de slibvijver.

2.3.1. In categorie 28.4, aanhef en onder a, sub 2˚, van het Ivb, voor zover hier van belang, is bepaald dat gedeputeerde staten het bevoegd gezag zijn ten aanzien van inrichtingen, behorende tot deze categorie, voor zover het betreft inrichtingen voor het opslaan van van buiten de inrichting afkomstig zuiveringsslib met een capaciteit ten aanzien daarvan van 1.10³ m³ of meer.

2.3.2. In het deskundigenbericht is vermeld dat de tarragrond als aanhangende grond aan de aardappelen binnen de inrichting komt. Als gevolg van het wasproces ontstaat binnen de inrichting afvalwater waarvan het slib wordt opgeslagen in een slibvijver. Hieruit volgt dat het slib niet van buiten de inrichting afkomstig is, zodat categorie 28.4, aanhef en onder a, sub 2˚, van het Ivb hier niet van toepassing is. Het college van burgemeester en wethouders was bevoegd tot het nemen van het bestreden besluit.

De beroepsgrond faalt.

Maatwerkvoorschriften - geluid

2.4. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat in het akoestisch onderzoek van onjuiste uitgangspunten is uitgegaan. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] voeren hiertoe aan dat de geluidemissiemetingen ten onrechte op 1 augustus 2007 hebben plaatsgevonden omdat de drukte dan minimaal is. Daarnaast is in het akoestisch onderzoek ten onrechte van de huidige situatie uitgegaan en is de uitbreiding van de inrichting niet meegenomen. Verder stellen [appellant sub 1] en [appellant sub 2] wat betreft het oogstseizoen dat de vermelding van de tijden waarop de aardappelen worden aangevoerd en van het aantal dagen waarop deze overschrijding plaatsvindt, onjuist is. Daarnaast zijn het aantal vervoersbewegingen en de tijdstippen waarop deze vervoersbewegingen plaatsvinden veel te gunstig voorgesteld, volgens [appellant sub 1] en [appellant sub 2]. Zij voeren verder aan dat het akoestisch rapport ten onrechte uitgaat van een akoestisch zachte bodem, terwijl de geluidsoverlast door verharding van de bodem juist toeneemt.

2.4.1. In het deskundigenbericht is vermeld dat de verrichte metingen representatief zijn, omdat de geluidproductie van de machines en apparaten en de werkzaamheden representatief is. Verder bestaat volgens het deskundigenbericht geen aanleiding om te twijfelen aan de uitkomsten van de berekeningen in het akoestisch onderzoek. De Afdeling ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het deskundigenbericht op dit punt. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat in het akoestisch onderzoek van onjuiste uitgangspunten is uitgegaan. De beroepsgrond faalt.

2.5. Ten aanzien van geluidhinder vanwege de inrichting zijn bij het bestreden besluit de volgende maatwerkvoorschriften gesteld.

In voorschrift 1.1.2 is bepaald dat het maximale geluidniveau, in afwijking van artikel 2.17, eerste lid, van het Barim, veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties en door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en/of activiteiten en laad- en losactiviteiten ten behoeve van en in onmiddellijke nabijheid van de inrichting, gedurende maximaal 20 dagen in het oogstseizoen zoals aangegeven in het akoestisch rapport nummer FA 3768-4 behorende bij de melding, ingekomen op 28 september 2009, aangevuld 12 en 13 oktober 2009, ter plaatse van de gevel van de woning aan Baarloseweg 40 niet meer mag bedragen dan 65 dB(A) in de uren gelegen tussen 23.00 en 01.00 uur.

In voorschrift 1.1.3 is bepaald dat het vorige voorschrift gedurende maximaal 6 dagen van de genoemde 20 dagen per jaar in het oogstseizoen van overeenkomstige toepassing is voor de tijdsduur van 01.00 tot 02.00 uur.

In voorschrift 1.3.1 is bepaald dat de geluidschermen tijdens het oogstseizoen aanwezig moeten zijn zoals aangegeven in figuur 3 van het akoestisch rapport nummer FA 3768-4 behorende bij de melding, ingekomen op 28 september 2009, aangevuld 12 en 13 oktober 2009.

Blijkens voorschrift 1.3.2 moeten de geluidschermen uit voornoemd akoestisch rapport ten minste voldoen aan de volgende voorwaarden:

- De soortelijke massa van het scherm dient ten minste 10 kg m² te bedragen.

- Het scherm dient akoestisch dicht aan te sluiten aan de ondergrond.

2.5.1. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat de maatwerkvoorschriften die zien op geluid ontoereikend zijn. Zij voeren hiertoe ten eerste aan dat de geluidgrenswaarden als bedoeld in artikel 2.17, eerste lid, van het Barim ten onrechte niet van toepassing zijn op laad- en losactiviteiten die plaatsvinden tussen 07.00 en 19.00 u. Daarnaast betogen zij dat de geluidbeperkende en overlastbeperkende maatregelen onvoldoende zijn en dat overschrijding van de geluidgrenswaarden in de nachtperiode onaanvaardbaar is. Verder voeren zij aan dat geluidschermen van slechts 2 tot 2,5 meter hoog met name in de avond en nacht ontoereikend zijn en dat het college ten onrechte heeft gesteld dat er planologische belemmeringen zijn voor het oprichten van een geluidscherm van 5 meter hoog en dat de kosten hiervoor te hoog zijn.

2.5.2. Ingevolge artikel 2.17, eerste lid, aanhef en onder a, van het Barim, voor zover hier van belang, geldt dat voor het maximaal geluidsniveau, veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten en laad- en losactiviteiten ten behoeve van en in de onmiddellijke nabijheid van de inrichting het niveau op de gevel van gevoelige gebouwen tussen 23:00 en 07:00 u niet meer mag bedragen dan 60 dB(A).

Ingevolge het eerste lid, aanhef en onder b, voor zover hier van belang, geldt voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau en het maximaal geluidsniveau dat de in de periode tussen 07.00 en 19.00 u in tabel 2.17a opgenomen maximale geluidsniveaus niet van toepassing zijn op laad- en losactiviteiten.

2.5.3. Het betoog van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] dat de geluidgrenswaarden als bedoeld in artikel 2.17, eerste lid, van het Barim ten onrechte niet van toepassing zijn op laad- en losactiviteiten faalt. Deze uitzondering is uitdrukkelijk in artikel 2.17, eerste lid, aanhef en onder b, van het Barim, neergelegd.

2.5.4. Ingevolge artikel 2.20, zesde lid, eerste volzin, van het Barim, voor zover hier van belang, kan het bevoegd gezag, in afwijking van de waarden, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19, 2.20 dan wel 6.12, bij maatwerkvoorschrift voor bepaalde activiteiten in een inrichting andere waarden voor het maximaal geluidniveau vaststellen. Het bevoegd gezag kan daarbij voorschriften vaststellen met betrekking tot de duur van de activiteiten, het treffen van maatregelen, de tijdstippen waarop de activiteiten plaatsvinden of het vooraf melden per keer dat de activiteit plaatsvindt.

De mogelijkheid die in dit artikellid wordt geboden, ziet onder meer op het mogelijk maken van regelmatige afwijkingen van de representatieve bedrijfssituatie (nota van toelichting, blz. 212; Stb. 2007, 415).

2.5.5. Het college acht het na een afweging van belangen niet redelijk om voor de woning aan de Baarloseweg 40 de in artikel 2.17, eerste lid, van het Barim neergelegde waarde van 60 dB(A) voor het maximale geluidniveau in de nachtperiode te hanteren. Teneinde aan deze waarde voor het maximale geluidniveau te voldoen moet blijkens het akoestisch onderzoek een geluidscherm van 4,5 meter tot 5 meter hoog worden geplaatst. Dit geluidscherm zou voor een effectieve werking moeten grenzen aan de Baarloseweg. Het plaatsen van een geluidscherm van 4,5 meter tot 5 meter is in strijd met het bestemmingsplan. Volgens het college zal geen vrijstelling van het bestemmingsplan worden verleend voor het realiseren van een geluidscherm met dergelijke afmetingen. Daarnaast gaat het plaatsen van een dergelijk geluidscherm gepaard met aanzienlijke kosten en is het geluidscherm slechts een periode van maximaal vier weken per jaar nodig. Gelet hierop heeft het college van het plaatsen van een geluidscherm van 4,5 meter tot 5 meter afgezien.

2.5.6. De Afdeling acht de in overweging 2.5.5 weergegeven motivering toereikend en is van oordeel dat het college zich derhalve in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de voor de woning aan de Baarloseweg 40 gestelde maatwerkvoorschriften 1.1.2 en 1.1.3 toereikend zijn om geluidhinder te voorkomen dan wel voldoende te beperken. De beroepsgrond faalt in zoverre.

2.5.7. Ten aanzien van de voorschriften 1.3.1 en 1.3.2 met betrekking tot de geluidschermen is in het deskundigenbericht vermeld dat met de in deze voorschriften vastgelegde specificaties voor de geluidschermen het effect van de geluidafscherming wordt bereikt waarmee in het akoestisch rapport wordt gerekend. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben niet aannemelijk gemaakt dat voornoemde conclusie uit het deskundigenbericht onjuist is. De beroepsgrond faalt in zoverre.

2.5.8. Gelet op het voorgaande hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] niet aannemelijk gemaakt dat de maatwerkvoorschriften met betrekking tot geluid toereikend zijn om geluidhinder vanwege de inrichting te voorkomen dan wel voldoende te beperken.

2.6. Voor zover [appellant sub 1] en [appellant sub 2] vrezen dat de op geluid betrekking hebbende maatwerkvoorschriften niet zullen worden nageleefd, overweegt de Afdeling dat dit niet ziet op de rechtmatigheid van het bestreden besluit en daarom in deze procedure niet aan de orde kan komen.

2.7. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] vrezen voorts voor geluidhinder van verkeer van en naar de inrichting.

2.7.1. Het college heeft de geluidbelasting van het verkeer van en naar de inrichting beoordeeld aan de hand van de circulaire "Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting: beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer" van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 29 februari 1996 (hierna: de circulaire). Bij de berekening van het verkeer van en naar de inrichting is blijkens het akoestisch onderzoek het Reken- en meetvoorschrift wegverkeerslawaai toegepast. Het college stelt dat uit het akoestisch rapport blijkt dat de in de circulaire genoemde voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) niet wordt overschreden.

2.7.2. In het deskundigenbericht is opgemerkt dat gebruik is gemaakt van een onjuiste rekenmethodiek voor geluidhinder van verkeer van en naar de inrichting. Ondanks het gebruik van deze onjuiste rekenmethodiek valt volgens het deskundigenbericht echter niet te verwachten dat een hernieuwde, juiste, berekening tot een overschrijding van de in de circulaire genoemde voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) zal leiden. De Afdeling ziet geen aanleiding om aan deze conclusie in het deskundigenbericht te twijfelen. Het college heeft zich derhalve in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voor geluidhinder van verkeer van en naar de inrichting niet hoeft te worden gevreesd.

De beroepsgrond faalt.

Maatwerkvoorschriften - geur

2.8. In artikel 2.1, eerste lid, van het Barim is, voor zover hier van belang, bepaald dat degene die een inrichting drijft en weet of redelijkerwijs had kunnen weten dat door het in werking zijn van de inrichting nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of kunnen ontstaan, die niet of onvoldoende worden voorkomen of beperkt door naleving van de bij of krachtens dit besluit gestelde regels, die gevolgen voorkomt of beperkt die voor zover voorkomen niet mogelijk is en voor zover dit redelijkerwijs van hem kan worden gevergd.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder g, wordt onder het voorkomen of beperken van het ontstaan van nadelige gevolgen voor het milieu als bedoeld in het eerste lid mede verstaan het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het tot een aanvaardbaar niveau beperken van geurhinder.

Ingevolge het derde lid, eerste volzin, kan het bevoegd gezag met betrekking tot de verplichting bedoeld in het eerste lid maatwerkvoorschriften stellen voor zover het betreffende aspect bij of krachtens het Barim niet uitputtend is geregeld.

2.9. Ten aanzien van geurhinder vanwege de inrichting zijn bij het bestreden besluit de volgende maatwerkvoorschriften gesteld.

In voorschrift 2.1.1 is bepaald dat de geurimmissie vanwege de afvalwaterzuivering en composteringsunit in de inrichting de geurconcentratie van 2 odour units per kubieke meter, bepaald als uurgemiddelde concentratie, op de woning aan Schijfweg Noord 1A en overige verspreid liggende woningen, niet meer dan 98 procent van de tijd (98-percentiel) mag overschrijden.

In voorschrift 2.1.2 is bepaald dat de geurimmissie vanwege de afvalwaterzuivering en composteringsunit in de inrichting de geurconcentratie van 1 odour unit per kubieke meter, bepaald als uurgemiddelde concentratie, op een aaneengesloten woonbebouwing, niet meer dan 98 procent van de tijd (98-percentiel) mag overschrijden.

In voorschrift 2.3.1 is bepaald dat ten behoeve van beperking van de geuremissie de volgende maatregelen moeten blijven en doelmatig zijn uitgevoerd:

- De slibvijver moet blijvend en doelmatig dampdicht zijn afgedekt en moet zijn voorzien van een doelmatige luchtbehandeling.

- De composteringsunit moet gesloten zijn uitgevoerd en moet zijn voorzien van een doelmatig uitgevoerde luchtbehandeling.

In voorschrift 2.3.3 is bepaald dat alle ventilatielucht afkomstig van de slibvijver en de composteringsunit met gesloten en dampdichte leidingen naar en door de luchtbehandeling moet worden geleid voordat deze in de buitenlucht wordt gebracht.

In voorschrift 2.3.5 is bepaald dat uitmondingen in de buitenlucht van afvoeren van luchtbehandeling zodanig moeten zijn gesitueerd dat een afdoende verspreiding van de dampen is gewaarborgd zonder dat hinder buiten de inrichting wordt veroorzaakt.

2.10. Voor de beoordeling van geurhinder heeft het college onder meer de bijzondere regeling G3 voor rioolwaterzuiveringsinstallaties van de Nederlandse emissierichtlijn Lucht (hierna: de NeR) tot uitgangspunt genomen. Hierin is voor nieuwe situaties bepaald dat ter plaatse van aaneengesloten woonbebouwing, lintbebouwing of andere geurgevoelige objecten 1 geureenheid per kubieke meter als 98 percentiel en ter plaatse van verspreid liggende woonbebouwing en van woningen op industrieterreinen 2 geureenheden per kubieke meter als 98 percentiel als maximale immissieconcentratie moet worden aangehouden.

2.10.1. Het college heeft gesteld dat de voorschriften 2.1.1 en 2.1.2 enkele verschrijvingen bevatten. Het heeft in deze voorschriften bedoeld te bepalen dat de geuremissie vanwege de afvalwaterzuivering en de composteringsunit de geurconcentratie van 1 odour unit per kubieke meter voor verspreid liggende woningen en van 0,5 odour unit per kubieke meter voor aaneengesloten woonbebouwing, niet meer dan 2 procent van de tijd (98-percentiel) mag overschrijden. Voorts is ter zitting gebleken dat het huisnummer van de woning aan Schijfweg Noord 1A reeds vóór het bestreden besluit door vernummering was gewijzigd in 1C.

2.10.2. Gelet hierop is het bestreden besluit in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid.

2.11. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat het geuronderzoek is gebaseerd op onjuiste uitgangspunten. Zij voeren hiertoe aan dat hun woningen aan de Baarloseweg 40 en Schijfweg Noord 1C moeten worden aangemerkt als aaneengesloten bebouwing, zodat vergunningvoorschrift 2.1.1 niet naleefbaar is.

2.11.1. Het college heeft de woningen aan de Baarloseweg 40 en de Schijfweg Noord 1C als verspreid liggende woningen aangemerkt. Deze woningen liggen tientallen meters verwijderd van andere woningen. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat zowel de woning aan Baarloseweg 40 als de woning aan de Schijfweg Noord 1C moet worden aangemerkt als verspreid liggende bebouwing.

De beroepsgrond faalt.

2.12. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat de maatwerkvoorschriften die zien op maatregelen ter voorkoming van geurhinder ontoereikend zijn. Zij voeren hiertoe aan dat ernstige geurhinder valt te verwachten van de afvalwaterzuivering en de slibvijver. Verder wordt het ontsnappen van lucht uit de slibvijver en de composteringsunit in onvoldoende mate voorkomen, aldus [appellant sub 1] en [appellant sub 2]. Voorts betogen zij dat niet is vastgelegd wat er met aardappelafval moet gebeuren.

2.12.1. Uit de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende melding volgt dat, teneinde geurhinder afkomstig van de afvalwaterzuivering te voorkomen, is aangesloten bij de bijzondere regeling G3 voor rioolwaterzuiveringinstallaties uit de NeR. Aangenomen mag worden dat de FAD-installatie conform de daarvoor geldende voorschriften wordt ontworpen, geïnstalleerd en bedreven. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit niet het geval zal zijn.

De beroepsgrond faalt in zoverre.

2.12.2. Verder is uit de stukken gebleken dat ten aanzien van het ontdoen van aardappelen van aaltjes en ziektekiemen vanwege het ontbreken van een specifiek op deze activiteit gerichte regeling in de NeR aansluiting is gezocht bij de bijzondere regeling G4 voor GFT compostering. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat, nu een specifieke regeling voor het ontdoen van aardappelen van aaltjes en ziektekiemen ontbreekt, niet in redelijkheid aansluiting kon worden gezocht bij de bijzondere regeling G4 voor GFT compostering voor het stellen van maatwerkvoorschriften. De beroepsgrond faalt in zoverre.

2.12.3. Het college stelt dat het voorkomen dan wel beperken van mogelijke geuremissies ten gevolge van het bakken en blancheren van aardappelen wordt gewaarborgd door artikel 4.110 van het Barim en artikel 4.107, eerste lid, van de Regeling algemene regels voor inrichtingen milieubeheer, zodat het stellen van maatwerkvoorschriften in zoverre niet nodig is.

[appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben niet aannemelijk gemaakt dat het college zich niet in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen.

De beroepsgrond faalt in zoverre.

2.13. Voorts betogen [appellant sub 1] en [appellant sub 2] dat maatwerkvoorschriften die zien op het beperken van geurhinder van rottende aardappelen, ontbreken.

2.13.1. Ter zitting is gebleken dat rottende aardappelen alleen voorkomen indien zich een calamiteit voordoet. Indien een dergelijke calamiteit zich voordoet worden de rottende aardappelen afgevoerd naar een wasbedrijf. Het college stelt dat de zorgplichtbepaling van artikel 2.1, tweede lid, aanhef en onder g, van het Barim in geval van een calamiteit waarborgt dat geurhinder wordt voorkomen dan wel voldoende wordt beperkt, zodat het stellen van een maatwerkvoorschrift ter zake niet nodig is. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben niet aannemelijk gemaakt dat het college zich niet in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen. De beroepsgrond faalt.

2.14. Voor zover [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat de voorschriften die zien op het afdekken van de slibvijver en de composteringsunit in onvoldoende mate worden nageleefd, overweegt de Afdeling dat deze beroepsgronden geen betrekking hebben op de rechtmatigheid van het bestreden besluit en om die reden niet kunnen slagen.

Overige gronden

2.15. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat de aanwezigheid van de inrichting niet in overeenstemming is met het vigerende bestemmingsplan. Zij betogen verder dat de inrichting zich op een andere locatie moet vestigen. Voorts zijn volgens hen onjuiste afmetingen gehanteerd in de situatietekening van Silvrants Architecten en heeft het college ten onrechte geen maatwerkvoorschriften opgesteld ter voorkoming van horizonvervuiling en parkeerhinder.

2.15.1. Deze beroepsgronden zien niet op de rechtmatigheid van het bestreden besluit, omdat de reikwijdte van dit besluit beperkt is tot maatwerkvoorschriften die zien op geluidhinder en geurhinder. Deze beroepsgronden kunnen daarom niet slagen.

Slotoverwegingen

2.16. De beroepen zijn gedeeltelijk gegrond. Het besluit van 5 juli 2010 dient, gelet op de overwegingen 2.10.1 en 2.10.2, wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd, voor zover het de voorschriften 2.1.1 en 2.1.2 betreft. De Afdeling zal op na te melden wijze in de zaak voorzien en bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit. De beroepen zijn voor het overige ongegrond.

2.17. Het college dient ten aanzien van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Het gaat hier om twee afzonderlijke beroepen die op dezelfde gronden tegen het bestreden besluit zijn ingediend. Ter zitting is [appellant sub 1] en [appellant sub 2] rechtsbijstand verleend. Dit is door één rechtsbijstandverlener geschied. Derhalve worden de beroepen ingevolge artikel 3, eerste lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de toepassing van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht beschouwd als één zaak. Dit geeft aanleiding om te bepalen dat aan zowel [appellant sub 1] als [appellant sub 2] een bedrag van € 218,50 aan kosten voor verleende rechtsbijstand moet worden vergoed.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Peel en Maas van 5 juli 2010, kenmerk 08.11 Wm, voor zover het de voorschriften 2.1.1 en 2.1.2 betreft;

III. bepaalt dat aan de bij het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Peel en Maas van 5 juli 2010 verleende vergunning de voorschriften 2.1.1 en 2.1.2 worden verbonden die als volgt luiden:

2.1.1

De geuremissie vanwege de afvalwaterzuivering en composteringsunit in de inrichting mag de geurconcentratie van 1 odour unit per kubieke meter, bepaald als uurgemiddelde concentratie, op de woning aan Schijfweg Noord 1C en overige verspreid liggende woningen, niet meer dan 2 procent van de tijd (98-percentiel) overschrijden.

2.1.2

De geuremissie vanwege de afvalwaterzuivering en composteringsunit in de inrichting mag de geurconcentratie van 0,5 odour unit per kubieke meter, bepaald als uurgemiddelde concentratie, op een aaneengesloten woonbebouwing, niet meer dan 2 procent van de tijd (98-percentiel) overschrijden;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

V. verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;

VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Peel en Maas tot vergoeding van bij [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 218,50 (zegge: tweehonderdachttien euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Peel en Maas tot vergoeding van bij [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 218,50 (zegge: tweehonderdachttien euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

VII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Peel en Maas aan [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Peel en Maas aan [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. H.G. Sevenster, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.J.J. Kalter, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Kalter

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 november 2011

492-684.

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1A, wonend te Panningen, gemeente Peel en Maas, en [appellant sub 1B], wonend te Kessel, gemeente Peel en Maas (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 1),

2. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B, beiden wonend te Kessel, gemeente Peel en Maas (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2]),

en

het college van burgemeester en wethouders van Peel en Maas,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 juli 2010 heeft het college maatwerkvoorschriften als bedoeld in artikel 2.1, derde lid, en artikel 2.20, eerste lid, van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: Barim) vastgesteld voor het aardappelverwerkingsbedrijf en de aardappelhandel van [vergunninghoudster], gevestigd aan de [locatie] te Kessel, gemeente Peel en Maas. Dit besluit is op 14 juli 2010 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 augustus 2010, en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 augustus 2010, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

[appellant sub 1], [appellant sub 2] en [vergunninghoudster] hebben hun zienswijzen daarop naar voren gebracht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 juli 2011, waar [appellant sub 1A] en [appellant sub 2B], in persoon en bijgestaan door mr. W.B.M. Engels, en het college, vertegenwoordigd door ir. S.G.T. Jacobs en mr. F.M.H. Merx, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door [gemachtigde] en ing. H.N.J.M. Steins gehoord.

2. Overwegingen

Overgangsrecht Wabo

2.1. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht van de Invoeringswet Wabo volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding. In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij invoering van de Wabo werden gewijzigd.

Melding

2.2. [vergunninghoudster] heeft een melding als bedoeld in artikel 8.41 van de Wet milieubeheer in samenhang met artikel 1.10 van het Barim ingediend bij het college, waarna het college voor de inrichting bij bestreden besluit maatwerkvoorschriften heeft gesteld.

Voor zover [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat een milieuvergunning had moeten worden aangevraagd, overweegt de Afdeling dat de inrichting niet in bijlage I bij het Barim is aangewezen als vergunningplichtige inrichting. Evenmin is de inrichting vergunningplichtig op grond van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer. Gelet hierop heeft [vergunninghoudster] kunnen volstaan met een melding.

Bevoegdheid

2.3. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat niet het college van burgemeester en wethouders maar het college van gedeputeerde staten van Limburg bevoegd was tot het nemen van het bestreden besluit. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] voeren hiertoe aan dat de inrichting valt onder categorie 28.4 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (hierna: het Ivb) omdat van buiten de inrichting afkomstig tarragrond als slib wordt opgeslagen in de slibvijver.

2.3.1. In categorie 28.4, aanhef en onder a, sub 2˚, van het Ivb, voor zover hier van belang, is bepaald dat gedeputeerde staten het bevoegd gezag zijn ten aanzien van inrichtingen, behorende tot deze categorie, voor zover het betreft inrichtingen voor het opslaan van van buiten de inrichting afkomstig zuiveringsslib met een capaciteit ten aanzien daarvan van 1.10³ m³ of meer.

2.3.2. In het deskundigenbericht is vermeld dat de tarragrond als aanhangende grond aan de aardappelen binnen de inrichting komt. Als gevolg van het wasproces ontstaat binnen de inrichting afvalwater waarvan het slib wordt opgeslagen in een slibvijver. Hieruit volgt dat het slib niet van buiten de inrichting afkomstig is, zodat categorie 28.4, aanhef en onder a, sub 2˚, van het Ivb hier niet van toepassing is. Het college van burgemeester en wethouders was bevoegd tot het nemen van het bestreden besluit.

De beroepsgrond faalt.

Maatwerkvoorschriften - geluid

2.4. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat in het akoestisch onderzoek van onjuiste uitgangspunten is uitgegaan. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] voeren hiertoe aan dat de geluidemissiemetingen ten onrechte op 1 augustus 2007 hebben plaatsgevonden omdat de drukte dan minimaal is. Daarnaast is in het akoestisch onderzoek ten onrechte van de huidige situatie uitgegaan en is de uitbreiding van de inrichting niet meegenomen. Verder stellen [appellant sub 1] en [appellant sub 2] wat betreft het oogstseizoen dat de vermelding van de tijden waarop de aardappelen worden aangevoerd en van het aantal dagen waarop deze overschrijding plaatsvindt, onjuist is. Daarnaast zijn het aantal vervoersbewegingen en de tijdstippen waarop deze vervoersbewegingen plaatsvinden veel te gunstig voorgesteld, volgens [appellant sub 1] en [appellant sub 2]. Zij voeren verder aan dat het akoestisch rapport ten onrechte uitgaat van een akoestisch zachte bodem, terwijl de geluidsoverlast door verharding van de bodem juist toeneemt.

2.4.1. In het deskundigenbericht is vermeld dat de verrichte metingen representatief zijn, omdat de geluidproductie van de machines en apparaten en de werkzaamheden representatief is. Verder bestaat volgens het deskundigenbericht geen aanleiding om te twijfelen aan de uitkomsten van de berekeningen in het akoestisch onderzoek. De Afdeling ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het deskundigenbericht op dit punt. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat in het akoestisch onderzoek van onjuiste uitgangspunten is uitgegaan. De beroepsgrond faalt.

2.5. Ten aanzien van geluidhinder vanwege de inrichting zijn bij het bestreden besluit de volgende maatwerkvoorschriften gesteld.

In voorschrift 1.1.2 is bepaald dat het maximale geluidniveau, in afwijking van artikel 2.17, eerste lid, van het Barim, veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties en door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en/of activiteiten en laad- en losactiviteiten ten behoeve van en in onmiddellijke nabijheid van de inrichting, gedurende maximaal 20 dagen in het oogstseizoen zoals aangegeven in het akoestisch rapport nummer FA 3768-4 behorende bij de melding, ingekomen op 28 september 2009, aangevuld 12 en 13 oktober 2009, ter plaatse van de gevel van de woning aan Baarloseweg 40 niet meer mag bedragen dan 65 dB(A) in de uren gelegen tussen 23.00 en 01.00 uur.

In voorschrift 1.1.3 is bepaald dat het vorige voorschrift gedurende maximaal 6 dagen van de genoemde 20 dagen per jaar in het oogstseizoen van overeenkomstige toepassing is voor de tijdsduur van 01.00 tot 02.00 uur.

In voorschrift 1.3.1 is bepaald dat de geluidschermen tijdens het oogstseizoen aanwezig moeten zijn zoals aangegeven in figuur 3 van het akoestisch rapport nummer FA 3768-4 behorende bij de melding, ingekomen op 28 september 2009, aangevuld 12 en 13 oktober 2009.

Blijkens voorschrift 1.3.2 moeten de geluidschermen uit voornoemd akoestisch rapport ten minste voldoen aan de volgende voorwaarden:

- De soortelijke massa van het scherm dient ten minste 10 kg m² te bedragen.

- Het scherm dient akoestisch dicht aan te sluiten aan de ondergrond.

2.5.1. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat de maatwerkvoorschriften die zien op geluid ontoereikend zijn. Zij voeren hiertoe ten eerste aan dat de geluidgrenswaarden als bedoeld in artikel 2.17, eerste lid, van het Barim ten onrechte niet van toepassing zijn op laad- en losactiviteiten die plaatsvinden tussen 07.00 en 19.00 u. Daarnaast betogen zij dat de geluidbeperkende en overlastbeperkende maatregelen onvoldoende zijn en dat overschrijding van de geluidgrenswaarden in de nachtperiode onaanvaardbaar is. Verder voeren zij aan dat geluidschermen van slechts 2 tot 2,5 meter hoog met name in de avond en nacht ontoereikend zijn en dat het college ten onrechte heeft gesteld dat er planologische belemmeringen zijn voor het oprichten van een geluidscherm van 5 meter hoog en dat de kosten hiervoor te hoog zijn.

2.5.2. Ingevolge artikel 2.17, eerste lid, aanhef en onder a, van het Barim, voor zover hier van belang, geldt dat voor het maximaal geluidsniveau, veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten en laad- en losactiviteiten ten behoeve van en in de onmiddellijke nabijheid van de inrichting het niveau op de gevel van gevoelige gebouwen tussen 23:00 en 07:00 u niet meer mag bedragen dan 60 dB(A).

Ingevolge het eerste lid, aanhef en onder b, voor zover hier van belang, geldt voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau en het maximaal geluidsniveau dat de in de periode tussen 07.00 en 19.00 u in tabel 2.17a opgenomen maximale geluidsniveaus niet van toepassing zijn op laad- en losactiviteiten.

2.5.3. Het betoog van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] dat de geluidgrenswaarden als bedoeld in artikel 2.17, eerste lid, van het Barim ten onrechte niet van toepassing zijn op laad- en losactiviteiten faalt. Deze uitzondering is uitdrukkelijk in artikel 2.17, eerste lid, aanhef en onder b, van het Barim, neergelegd.

2.5.4. Ingevolge artikel 2.20, zesde lid, eerste volzin, van het Barim, voor zover hier van belang, kan het bevoegd gezag, in afwijking van de waarden, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19, 2.20 dan wel 6.12, bij maatwerkvoorschrift voor bepaalde activiteiten in een inrichting andere waarden voor het maximaal geluidniveau vaststellen. Het bevoegd gezag kan daarbij voorschriften vaststellen met betrekking tot de duur van de activiteiten, het treffen van maatregelen, de tijdstippen waarop de activiteiten plaatsvinden of het vooraf melden per keer dat de activiteit plaatsvindt.

De mogelijkheid die in dit artikellid wordt geboden, ziet onder meer op het mogelijk maken van regelmatige afwijkingen van de representatieve bedrijfssituatie (nota van toelichting, blz. 212; Stb. 2007, 415).

2.5.5. Het college acht het na een afweging van belangen niet redelijk om voor de woning aan de Baarloseweg 40 de in artikel 2.17, eerste lid, van het Barim neergelegde waarde van 60 dB(A) voor het maximale geluidniveau in de nachtperiode te hanteren. Teneinde aan deze waarde voor het maximale geluidniveau te voldoen moet blijkens het akoestisch onderzoek een geluidscherm van 4,5 meter tot 5 meter hoog worden geplaatst. Dit geluidscherm zou voor een effectieve werking moeten grenzen aan de Baarloseweg. Het plaatsen van een geluidscherm van 4,5 meter tot 5 meter is in strijd met het bestemmingsplan. Volgens het college zal geen vrijstelling van het bestemmingsplan worden verleend voor het realiseren van een geluidscherm met dergelijke afmetingen. Daarnaast gaat het plaatsen van een dergelijk geluidscherm gepaard met aanzienlijke kosten en is het geluidscherm slechts een periode van maximaal vier weken per jaar nodig. Gelet hierop heeft het college van het plaatsen van een geluidscherm van 4,5 meter tot 5 meter afgezien.

2.5.6. De Afdeling acht de in overweging 2.5.5 weergegeven motivering toereikend en is van oordeel dat het college zich derhalve in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de voor de woning aan de Baarloseweg 40 gestelde maatwerkvoorschriften 1.1.2 en 1.1.3 toereikend zijn om geluidhinder te voorkomen dan wel voldoende te beperken. De beroepsgrond faalt in zoverre.

2.5.7. Ten aanzien van de voorschriften 1.3.1 en 1.3.2 met betrekking tot de geluidschermen is in het deskundigenbericht vermeld dat met de in deze voorschriften vastgelegde specificaties voor de geluidschermen het effect van de geluidafscherming wordt bereikt waarmee in het akoestisch rapport wordt gerekend. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben niet aannemelijk gemaakt dat voornoemde conclusie uit het deskundigenbericht onjuist is. De beroepsgrond faalt in zoverre.

2.5.8. Gelet op het voorgaande hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] niet aannemelijk gemaakt dat de maatwerkvoorschriften met betrekking tot geluid toereikend zijn om geluidhinder vanwege de inrichting te voorkomen dan wel voldoende te beperken.

2.6. Voor zover [appellant sub 1] en [appellant sub 2] vrezen dat de op geluid betrekking hebbende maatwerkvoorschriften niet zullen worden nageleefd, overweegt de Afdeling dat dit niet ziet op de rechtmatigheid van het bestreden besluit en daarom in deze procedure niet aan de orde kan komen.

2.7. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] vrezen voorts voor geluidhinder van verkeer van en naar de inrichting.

2.7.1. Het college heeft de geluidbelasting van het verkeer van en naar de inrichting beoordeeld aan de hand van de circulaire "Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting: beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer" van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 29 februari 1996 (hierna: de circulaire). Bij de berekening van het verkeer van en naar de inrichting is blijkens het akoestisch onderzoek het Reken- en meetvoorschrift wegverkeerslawaai toegepast. Het college stelt dat uit het akoestisch rapport blijkt dat de in de circulaire genoemde voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) niet wordt overschreden.

2.7.2. In het deskundigenbericht is opgemerkt dat gebruik is gemaakt van een onjuiste rekenmethodiek voor geluidhinder van verkeer van en naar de inrichting. Ondanks het gebruik van deze onjuiste rekenmethodiek valt volgens het deskundigenbericht echter niet te verwachten dat een hernieuwde, juiste, berekening tot een overschrijding van de in de circulaire genoemde voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) zal leiden. De Afdeling ziet geen aanleiding om aan deze conclusie in het deskundigenbericht te twijfelen. Het college heeft zich derhalve in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voor geluidhinder van verkeer van en naar de inrichting niet hoeft te worden gevreesd.

De beroepsgrond faalt.

Maatwerkvoorschriften - geur

2.8. In artikel 2.1, eerste lid, van het Barim is, voor zover hier van belang, bepaald dat degene die een inrichting drijft en weet of redelijkerwijs had kunnen weten dat door het in werking zijn van de inrichting nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of kunnen ontstaan, die niet of onvoldoende worden voorkomen of beperkt door naleving van de bij of krachtens dit besluit gestelde regels, die gevolgen voorkomt of beperkt die voor zover voorkomen niet mogelijk is en voor zover dit redelijkerwijs van hem kan worden gevergd.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder g, wordt onder het voorkomen of beperken van het ontstaan van nadelige gevolgen voor het milieu als bedoeld in het eerste lid mede verstaan het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het tot een aanvaardbaar niveau beperken van geurhinder.

Ingevolge het derde lid, eerste volzin, kan het bevoegd gezag met betrekking tot de verplichting bedoeld in het eerste lid maatwerkvoorschriften stellen voor zover het betreffende aspect bij of krachtens het Barim niet uitputtend is geregeld.

2.9. Ten aanzien van geurhinder vanwege de inrichting zijn bij het bestreden besluit de volgende maatwerkvoorschriften gesteld.

In voorschrift 2.1.1 is bepaald dat de geurimmissie vanwege de afvalwaterzuivering en composteringsunit in de inrichting de geurconcentratie van 2 odour units per kubieke meter, bepaald als uurgemiddelde concentratie, op de woning aan Schijfweg Noord 1A en overige verspreid liggende woningen, niet meer dan 98 procent van de tijd (98-percentiel) mag overschrijden.

In voorschrift 2.1.2 is bepaald dat de geurimmissie vanwege de afvalwaterzuivering en composteringsunit in de inrichting de geurconcentratie van 1 odour unit per kubieke meter, bepaald als uurgemiddelde concentratie, op een aaneengesloten woonbebouwing, niet meer dan 98 procent van de tijd (98-percentiel) mag overschrijden.

In voorschrift 2.3.1 is bepaald dat ten behoeve van beperking van de geuremissie de volgende maatregelen moeten blijven en doelmatig zijn uitgevoerd:

- De slibvijver moet blijvend en doelmatig dampdicht zijn afgedekt en moet zijn voorzien van een doelmatige luchtbehandeling.

- De composteringsunit moet gesloten zijn uitgevoerd en moet zijn voorzien van een doelmatig uitgevoerde luchtbehandeling.

In voorschrift 2.3.3 is bepaald dat alle ventilatielucht afkomstig van de slibvijver en de composteringsunit met gesloten en dampdichte leidingen naar en door de luchtbehandeling moet worden geleid voordat deze in de buitenlucht wordt gebracht.

In voorschrift 2.3.5 is bepaald dat uitmondingen in de buitenlucht van afvoeren van luchtbehandeling zodanig moeten zijn gesitueerd dat een afdoende verspreiding van de dampen is gewaarborgd zonder dat hinder buiten de inrichting wordt veroorzaakt.

2.10. Voor de beoordeling van geurhinder heeft het college onder meer de bijzondere regeling G3 voor rioolwaterzuiveringsinstallaties van de Nederlandse emissierichtlijn Lucht (hierna: de NeR) tot uitgangspunt genomen. Hierin is voor nieuwe situaties bepaald dat ter plaatse van aaneengesloten woonbebouwing, lintbebouwing of andere geurgevoelige objecten 1 geureenheid per kubieke meter als 98 percentiel en ter plaatse van verspreid liggende woonbebouwing en van woningen op industrieterreinen 2 geureenheden per kubieke meter als 98 percentiel als maximale immissieconcentratie moet worden aangehouden.

2.10.1. Het college heeft gesteld dat de voorschriften 2.1.1 en 2.1.2 enkele verschrijvingen bevatten. Het heeft in deze voorschriften bedoeld te bepalen dat de geuremissie vanwege de afvalwaterzuivering en de composteringsunit de geurconcentratie van 1 odour unit per kubieke meter voor verspreid liggende woningen en van 0,5 odour unit per kubieke meter voor aaneengesloten woonbebouwing, niet meer dan 2 procent van de tijd (98-percentiel) mag overschrijden. Voorts is ter zitting gebleken dat het huisnummer van de woning aan Schijfweg Noord 1A reeds vóór het bestreden besluit door vernummering was gewijzigd in 1C.

2.10.2. Gelet hierop is het bestreden besluit in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid.

2.11. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat het geuronderzoek is gebaseerd op onjuiste uitgangspunten. Zij voeren hiertoe aan dat hun woningen aan de Baarloseweg 40 en Schijfweg Noord 1C moeten worden aangemerkt als aaneengesloten bebouwing, zodat vergunningvoorschrift 2.1.1 niet naleefbaar is.

2.11.1. Het college heeft de woningen aan de Baarloseweg 40 en de Schijfweg Noord 1C als verspreid liggende woningen aangemerkt. Deze woningen liggen tientallen meters verwijderd van andere woningen. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat zowel de woning aan Baarloseweg 40 als de woning aan de Schijfweg Noord 1C moet worden aangemerkt als verspreid liggende bebouwing.

De beroepsgrond faalt.

2.12. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat de maatwerkvoorschriften die zien op maatregelen ter voorkoming van geurhinder ontoereikend zijn. Zij voeren hiertoe aan dat ernstige geurhinder valt te verwachten van de afvalwaterzuivering en de slibvijver. Verder wordt het ontsnappen van lucht uit de slibvijver en de composteringsunit in onvoldoende mate voorkomen, aldus [appellant sub 1] en [appellant sub 2]. Voorts betogen zij dat niet is vastgelegd wat er met aardappelafval moet gebeuren.

2.12.1. Uit de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende melding volgt dat, teneinde geurhinder afkomstig van de afvalwaterzuivering te voorkomen, is aangesloten bij de bijzondere regeling G3 voor rioolwaterzuiveringinstallaties uit de NeR. Aangenomen mag worden dat de FAD-installatie conform de daarvoor geldende voorschriften wordt ontworpen, geïnstalleerd en bedreven. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit niet het geval zal zijn.

De beroepsgrond faalt in zoverre.

2.12.2. Verder is uit de stukken gebleken dat ten aanzien van het ontdoen van aardappelen van aaltjes en ziektekiemen vanwege het ontbreken van een specifiek op deze activiteit gerichte regeling in de NeR aansluiting is gezocht bij de bijzondere regeling G4 voor GFT compostering. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat, nu een specifieke regeling voor het ontdoen van aardappelen van aaltjes en ziektekiemen ontbreekt, niet in redelijkheid aansluiting kon worden gezocht bij de bijzondere regeling G4 voor GFT compostering voor het stellen van maatwerkvoorschriften. De beroepsgrond faalt in zoverre.

2.12.3. Het college stelt dat het voorkomen dan wel beperken van mogelijke geuremissies ten gevolge van het bakken en blancheren van aardappelen wordt gewaarborgd door artikel 4.110 van het Barim en artikel 4.107, eerste lid, van de Regeling algemene regels voor inrichtingen milieubeheer, zodat het stellen van maatwerkvoorschriften in zoverre niet nodig is.

[appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben niet aannemelijk gemaakt dat het college zich niet in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen.

De beroepsgrond faalt in zoverre.

2.13. Voorts betogen [appellant sub 1] en [appellant sub 2] dat maatwerkvoorschriften die zien op het beperken van geurhinder van rottende aardappelen, ontbreken.

2.13.1. Ter zitting is gebleken dat rottende aardappelen alleen voorkomen indien zich een calamiteit voordoet. Indien een dergelijke calamiteit zich voordoet worden de rottende aardappelen afgevoerd naar een wasbedrijf. Het college stelt dat de zorgplichtbepaling van artikel 2.1, tweede lid, aanhef en onder g, van het Barim in geval van een calamiteit waarborgt dat geurhinder wordt voorkomen dan wel voldoende wordt beperkt, zodat het stellen van een maatwerkvoorschrift ter zake niet nodig is. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben niet aannemelijk gemaakt dat het college zich niet in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen. De beroepsgrond faalt.

2.14. Voor zover [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat de voorschriften die zien op het afdekken van de slibvijver en de composteringsunit in onvoldoende mate worden nageleefd, overweegt de Afdeling dat deze beroepsgronden geen betrekking hebben op de rechtmatigheid van het bestreden besluit en om die reden niet kunnen slagen.

Overige gronden

2.15. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat de aanwezigheid van de inrichting niet in overeenstemming is met het vigerende bestemmingsplan. Zij betogen verder dat de inrichting zich op een andere locatie moet vestigen. Voorts zijn volgens hen onjuiste afmetingen gehanteerd in de situatietekening van Silvrants Architecten en heeft het college ten onrechte geen maatwerkvoorschriften opgesteld ter voorkoming van horizonvervuiling en parkeerhinder.

2.15.1. Deze beroepsgronden zien niet op de rechtmatigheid van het bestreden besluit, omdat de reikwijdte van dit besluit beperkt is tot maatwerkvoorschriften die zien op geluidhinder en geurhinder. Deze beroepsgronden kunnen daarom niet slagen.

Slotoverwegingen

2.16. De beroepen zijn gedeeltelijk gegrond. Het besluit van 5 juli 2010 dient, gelet op de overwegingen 2.10.1 en 2.10.2, wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd, voor zover het de voorschriften 2.1.1 en 2.1.2 betreft. De Afdeling zal op na te melden wijze in de zaak voorzien en bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit. De beroepen zijn voor het overige ongegrond.

2.17. Het college dient ten aanzien van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Het gaat hier om twee afzonderlijke beroepen die op dezelfde gronden tegen het bestreden besluit zijn ingediend. Ter zitting is [appellant sub 1] en [appellant sub 2] rechtsbijstand verleend. Dit is door één rechtsbijstandverlener geschied. Derhalve worden de beroepen ingevolge artikel 3, eerste lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de toepassing van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht beschouwd als één zaak. Dit geeft aanleiding om te bepalen dat aan zowel [appellant sub 1] als [appellant sub 2] een bedrag van € 218,50 aan kosten voor verleende rechtsbijstand moet worden vergoed.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Peel en Maas van 5 juli 2010, kenmerk 08.11 Wm, voor zover het de voorschriften 2.1.1 en 2.1.2 betreft;

III. bepaalt dat aan de bij het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Peel en Maas van 5 juli 2010 verleende vergunning de voorschriften 2.1.1 en 2.1.2 worden verbonden die als volgt luiden:

2.1.1

De geuremissie vanwege de afvalwaterzuivering en composteringsunit in de inrichting mag de geurconcentratie van 1 odour unit per kubieke meter, bepaald als uurgemiddelde concentratie, op de woning aan Schijfweg Noord 1C en overige verspreid liggende woningen, niet meer dan 2 procent van de tijd (98-percentiel) overschrijden.

2.1.2

De geuremissie vanwege de afvalwaterzuivering en composteringsunit in de inrichting mag de geurconcentratie van 0,5 odour unit per kubieke meter, bepaald als uurgemiddelde concentratie, op een aaneengesloten woonbebouwing, niet meer dan 2 procent van de tijd (98-percentiel) overschrijden;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

V. verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;

VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Peel en Maas tot vergoeding van bij [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 218,50 (zegge: tweehonderdachttien euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Peel en Maas tot vergoeding van bij [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 218,50 (zegge: tweehonderdachttien euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

VII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Peel en Maas aan [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Peel en Maas aan [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. H.G. Sevenster, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.J.J. Kalter, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Kalter

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 november 2011

492-684.