Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU3722

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-11-2011
Datum publicatie
09-11-2011
Zaaknummer
201110313/1/H1 en 201110313/2/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 februari 2011 heeft het college [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast om de autohandel op het perceel [locatie] te Rietmolen (hierna: het perceel) te beëindigen en beëindigd te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201110313/1/H1 en 201110313/2/H1.

Datum uitspraak: 2 november 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Rietmolen, gemeente Berkelland,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zutphen van 21 september 2011 in zaken nrs. 11/1152 en 11/1153 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Berkelland.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 februari 2011 heeft het college [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast om de autohandel op het perceel [locatie] te Rietmolen (hierna: het perceel) te beëindigen en beëindigd te houden.

Bij besluit van 2 augustus 2011 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar, voor zover het de begunstigingstermijn betreft gegrond verklaard, en voor het overige ongegrond.

Bij uitspraak van 21 september 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 september 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brieven van 21, 22 en 24 oktober 2011.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 september 2011, heeft [appellant] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 20 oktober 2011, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door J.P.E. Braakman, en het college, vertegenwoordigd door M.G.J. Lubberink, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2. Het betoog van [appellant] dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het advies van de commissie bezwaarschriften op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen en dat het besluit op bezwaar, nu daarin wordt verwezen naar het advies, derhalve niet in stand kan blijven, faalt. Dat de adviescommissie geen kennis heeft kunnen nemen van de relevante feiten, is niet aannemelijk geworden. In het advies van de commissie bezwaarschriften, dat het college bij het besluit op bezwaar heeft overgenomen, is gemotiveerd op de bezwaren van [appellant] ingegaan. Niet is gebleken dat het advies niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand is gekomen dan wel anderszins naar inhoud of wijze van totstandkoming gebreken vertoont, waardoor geoordeeld zou moeten worden dat het college dit advies niet aan zijn besluit op bezwaar ten grondslag mocht leggen.

2.3. Voor zover [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het besluit op bezwaar voor vernietiging in aanmerking komt omdat het college vooringenomen was, faalt ook dit betoog. Dat de behandelend ambtenaar in hetzelfde gebied woonachtig is als [appellant] en voorts klant is bij met zijn bedrijf vergelijkbare bedrijven, zijn, mede nu dit betoog niet nader is onderbouwd, geen omstandigheden waaruit blijkt dat ten tijde van de besluitvorming sprake was van een handelwijze die zich niet verdraagt met artikel 2:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

Dat de voorzieningenrechter volgens [appellant] heeft miskend dat Lubberink niet gemachtigd was voor het college op te treden, is niet onderbouwd. Bovendien is ter zitting bij de voorzitter een machtiging, gedateerd op 20 september 2005, overgelegd waaruit volgt dat Lubberink het college in procedures van bezwaar, beroep, hoger beroep en voorlopige voorziening mag vertegenwoordigen bij zittingen van onder meer de gemeentelijke commissie bezwaarschriften, de (voorzieningenrechter van de) rechtbank Zutphen en de (voorzitter van de) Afdeling.

2.4. Vast staat dat [appellant] het perceel in strijd met het bestemmingsplan "2e partiële herziening bestemmingsplan Buitengebied, burgerwoningen" gebruikt voor autohandel, zodat het college terzake handhavend kon optreden.

2.5. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.6. [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat geen concreet zicht op legalisatie bestaat.

2.6.1. Het college wenst, nu gemeentelijk en provinciaal beleid erop is gericht de handel in auto’s in het buitengebied tegen te gaan, geen medewerking te verlenen aan het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van het perceel, zodat reeds hierom geen concreet zicht op legalisatie bestaat. Het door [appellant] op 27 mei 2011 bij het college ingediende verzoek het strijdige gebruik op het perceel toe te staan door het verlenen van een al dan niet persoonsgebonden vergunning dan wel gedoogbesluit, maakt dit niet anders, nu het enkele verzoek daartoe evenmin concreet zicht op legalisatie oplevert.

Ook in het betoog van [appellant] dat uit de bewoordingen van het gedoogbesluit van 24 april 2002 volgt dat legalisatie ook thans nog tot de mogelijkheden behoort, bestaat geen aanleiding voor een ander oordeel. Met het gedoogbesluit heeft het college [appellant] onder voorwaarden toegestaan het strijdige gebruik voort te zetten tot uiterlijk 1 januari 2008, met welke voorwaarden [appellant] zich uitdrukkelijk akkoord heeft verklaard. Dat in dit besluit de woorden "in principe" zijn opgenomen, leidt niet tot het oordeel dat het college niet tot handhavend optreden kon overgaan. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat inmiddels sprake is van gewijzigde omstandigheden, nu het tracé van de autoweg N18 is gewijzigd.

Gelet op het vorenstaande heeft de voorzieningenrechter terecht overwogen dat geen concreet zicht op legalisatie bestaat.

Het betoog faalt.

2.7. Het betoog van [appellant] dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat van strijd met het gelijkheidsbeginsel niet is gebleken, faalt evenzeer.

De voorzieningenrechter heeft terecht overwogen dat het college in het besluit op bezwaar genoegzaam heeft gemotiveerd dat de door [appellant] gestelde gevallen, in het bijzonder het geval Boerhof, niet zodanig overeenkomen met zijn situatie dat het college in verband daarmee van handhavend optreden had moeten afzien.

2.8. De voorzieningenrechter heeft, anders dan [appellant] betoogt, voorts terecht geoordeeld dat van een schending van het vertrouwensbeginsel geen sprake is.

Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is nodig dat het college terzake concrete en ondubbelzinnige toezeggingen heeft gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend. Niet aannemelijk is gemaakt dat het college op enig moment te kennen heeft gegeven dat het, na het verloop van de gedoogtermijn, niet handhavend zou optreden tegen het gebruik van het perceel voor autohandel.

Dat volgens [appellant] door de voormalig wethouder van de gemeente Neede zou zijn toegezegd dat na de aanleg van de N18 het bedrijf van [appellant] positief bestemd zou worden, is evenmin aannemelijk geworden. Daarbij wordt overwogen dat [appellant] ter zitting bovendien heeft erkend dat niet een wethouder, maar slechts de gemeenteraad de bevoegdheid heeft een bestemming te wijzigen. Gelet hierop heeft de voorzieningenrechter terecht geoordeeld dat het horen van de voormalig wethouder als getuige niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak.

Ook in de brief van 24 december 2010 heeft de voorzieningenrechter terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat [appellant] is toegezegd dat zijn bedrijf positief zou worden bestemd, nu deze brief slechts betrekking heeft op agrarische bouwblokken en op het perceel van [appellant] de bestemming "burgerwoningen" rust.

2.9. In hetgeen [appellant] overigens heeft aangevoerd, zijn evenmin bijzondere omstandigheden gelegen op grond waarvan het college van handhavend optreden had behoren af te zien. De voorzieningenrechter is tot hetzelfde oordeel gekomen.

2.10. [appellant] betoogt tevergeefs dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat de begunstigingstermijn om aan de last te voldoen te kort is. Hij heeft niet aannemelijk gemaakt dat de bij het besluit op bezwaar gegeven termijn onvoldoende is om de vereiste maatregelen daadwerkelijk te kunnen treffen teneinde verbeurte van de dwangsommen te voorkomen. De voorzitter wijst er daarbij op dat het college bij brief van 27 september 2011 de termijn heeft verlengd tot één week na deze uitspraak.

2.11. Ten slotte faalt het betoog van [appellant] dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat een vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten op zijn plaats is. Anders dan [appellant] betoogt, is het besluit van 23 februari 2011 niet gedeeltelijk herroepen als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb. Voor een vergoeding van de proceskosten die [appellant] in verband met de behandeling van het bezwaar heeft moeten maken, bestond, gegeven de strekking van het besluit op bezwaar, waarbij de hoogte van de maximaal te verbeuren dwangsom is gehandhaafd, dan ook geen aanleiding.

2.12. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.13. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Montagne

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 november 2011

374.